PETRUS' TWEE BEDEN
Mattheus 1430 b. „Heere, houd mij!" 28 b. „Heere in- dien Gij het zijt. zo gebied mij. tot U te kopaen mr het water", •Ag»è be-
In onze gereformeerde Geloofsleer wordt terecht onderscheid gemaakt tussen wondergeloof en zaligmakend geloof.
Het geloof, dat wonderen werkt, of waardoor ik een wonder doe, is niet verwerpelijk, maar het is in elk geval iets bijkomstigs. Paulus zegt er van in 1 Cor. 13 VS. 2 : , , A1 ware het, dat ik al het geloof had, zodat ik bergen verzette, en de liefde niet had, zo ware ik niets".
En toch wil dat er zo in bij een mens, dat succes-geloof.
In het zaligmakend geloof gaat het om het éne nodige.
Enigszins zie ik in deze twee beden van Petrus deze twee onderscheidingen van geloof aan de dag treden.
De discipelen waren door Jezus vooruit gezonden, om naar de overzijde van het meer te varen. Christus Zelf liet de schare van Zich en klom daarna op een berg om te bidden.
Intussen dobberde, het scheepje met de discipelen op de baren van Gennesareth's meer.
Jezus was niet aan boord en zij hadden tegenwind. Dat viel zo samen. Wij moeten Jezus ook wel eens leren missen en 'Ondervinden dat het zonder Hem niet gaat.
Tussen 's nachts 3 en 6 uur komt Jezus naar hen toe, wandelend op het water. De discipelen worden bang, want zij menen dat het een spooksel is en zij schreeuwen van vrees. Maar als Jezus hen aanspreekt, zijn ze meteen gerust. Zó zelfs, dat het bij Petrus tot een ander uiterste overslaat en hij antwoordt : , , Heere, indien Gij het zijt, zo gebied mij, tot U te komen op het water !"
Wij kunnen dit zeker wel een gebed noemen ; immers, alles, vi^at wij de Heere eerbiedig vragen, is een gebed.
Vele uitleggers hebben deze bede van Petrus dan ook geprezen en gezegd : afgezien daarvan, dat deze Petrus'bede behoorde bij zijn impulsieve natuur, stond hij hier toch wel op een hoogtepunt des geloofs. Immers, wat is heerlijker, dan om met de Heere alles te durven. Als Hij maar bij ons is. Petrus geloofde in 's Heeren kracht. Dat Hij machtig was om ook hem op het water te doen wandelen. Bovendien vraagt Petrus eerbiedig: , , Heere, gebied mij !" Hij laat het dus aan de Heere over.
Ja, dat is zo. Wij kunnen ook nog zeggen : de Heere berispt Petrus toch niet om zijn vraag, maar antwoordt eenvoudig : , , Kom !" Al is dit dan wel geen goedkeuring, maar evenmin afkeuring.
Toch krijgt Petrus zijn verdiende lesje straks wel.
Ik stel het mij zó voor : Petrus zag de Heere daar op het water wandelen. Zijn Heere ! Hij was verrukt over Hem. Maar meteen dacht hij aan zichzelf en mij dunkt, het kwam in hem op : , , Wat de Heere daar doet, zou ik dat ook kunnen in Zijn kracht? Zou ik daartoe ook in staat zijn? "
Na 's Heeren Opstanding, bij Zijn verschijning aan de zee van Tiberias, springt Petrus in de zee, als ook hij zijn Heere herkent. Het is hem er om te doen, zo spoedig mogelijk bij Jezus te zijn. Hier echter moet hij even ge, dacht hebben : , , Zou ik ook op het water wandelend, naar Hem toe kunnen? "
Wij beoordelen die bede van Petrus nu verder niet, maar onderzoeken ons zelf bij het licht van Gods Woord en Geest en vragen ons af: is, ook na ontvangen genade, deze neiging ons vreemd, om somtijds te staan naar het wondergeloof? Vragen of begeren wij dan ook niet : Wat zou ik naast mijn Heere kunnen of durven? O, die succesgedachte, waarin en waarmee een mens soms nog ten strijde trekt, een mens, die beter heeft geleerd. Waarin hij, ook zonder dat hij het zich zelf bewust is, een stukske ere voor zich zelf houdt.
Of is u deze uitdrukking onbekend : , , Mens, ik was mij zelf een wonder !"
Gelukkig, dat de Heere Zijn wondergeloofkinderen op tijd een lesje geeft.
Petrus wandelt inderdaad op het water. Het ging, zolang hij op Jezus zag. Maar daar dwaalt zijn oog af naar de golven en de zwarte diepten onder zijn voet. Meteen begint hij te zinken en meteen roept hij: „Heere, behoud mij!"
Terstond strekt Jezus de hand uit en grijpt hem aan. En daarna komt Zijn verwijt: , , Gij kleingelovige, waarom hebt gij gewankeld? " De Heere helpt altijd eerst Zijn wegzinkend kind. En daarna pas verwijt Hij hun. Niet omgekeerd. Wat bleef er dus over van Petrus' wandelen op de zee? Dat liep op een fiasco uit. Wat bleef er over van Gods werk in Petrus' hart? Dit gebed van het wegzinkende schepsel: , , Heere, behoud mij!" r-, j^^^^: , , ^; -
Zalig, wanneer a^Mj ïï ëiT^Eif*'^' ook oyer mag blijven, die bede om behoudenis. Die bede om leven. Wanneer wij maar ontdekt zijn door 's Heeren Geest, aan alles, ook aan onze. dwaze waan, dan vragen wij Hem niet om het onnodige, maar alleen hierom : „Heere, behoud mij! Gun leven aan mijn ziel !"
Ik wandel zo maar niet naar 's hemels bruiloftszalen. Over de wateren van mijn fel bewogen meer. Mijn angstige ogen zijn zo spoedig weer aan 't dwalen. Om niet te letten op mijn Leidsman en mijn Heer'.
Dan heb ik alle steun en vaste grond verloren. Ik zie slechts doodsvalleien en diepten voor mijn voet. Ik durf niet meer geloven, dat Gij mij hebt verkoren, 'k Stel mij alleen voor ogen, dat ik sterven moet.
„Vergeef mijn kleingeloof en strek in mededogen Uw handen naar mij uit! Heer' breng mij weer aan boord! Gij zijt Gods Zoon! Laat mij Uw Naam verhogen. Mijn stemme paren ook met aller lofakkoord I"
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 april 1954
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 april 1954
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's