Het Verbond
REFERAAT, gehouden op de Predikantencontio van de Gereformeerde Bond, op 8 September 1953 te Utrecht. Bijbels-Theologische Studie.
III.
Dit karakter van het Verbond treedt duidelijk opnieuw naar voren in Genesis 17, waar de Heere Zelf ook spreekt van een Verbond, dat Hij stelt tussen Zich en Abraham, en waarbij Hij deze ook duidelijk neemt in zijn levensverbanden, waarin hij staat, — immers Abrahams zaad wordt met name genoemd, — hier krijgt óók weer wat de Heere doet en belooft, het volle accent.
En zo geeft de Heere hier Zijn beloften van de veelheid en heerlijkheid van Abrahams zaad en, — als diepste, wijdste, eigenlijke inhoud van de beloften, de belofte, dat Hij de God zal zijn van Abraham en Abrahams zaad.
Komt hier dan weer niet duidelijk naar voren, dat de Heere in Zijn genadeverbond opnieuw gemeenschap wil met de zondaar in de volle zin des woords en dat het Verbond voor alles bedoelt de mens te doordringen van de zekerheid van het heilswerk Gods, dat de Heere de Getrouwe is, Die Zijn Woord houdt en Die Zijn heilrijke bedoelingen met de mens en met deze wereld bereikt ?
Dit wil echter niet zeggen, dat hier ook niet duidelijk de mens weer aan bepaalde eisen gebonden wordt, als verantwoordelijk schepsel, en dat hij alleen in déze weg de vervulling der beloften ontvangt. Abrahams leven wordt beheerst door het bevel, waarmee God hem geroepen heeft. En hij moet de toezegging Gods in het geloof aannemen en — verder moet hij voor Gods aangezicht wandelen en oprecht zijn en het Verbond houden, door zichzelf en zijn nakomelingen te besnijden. Zo moeten Abraham en de zijnen als dragers van de beloften uitkomen in deze wereld.
Wie hier recht ziet, die ziet, dat hetgeen de Heere hier aan Abraham in de plechtige vorm van een Verbond bevestigt, ook ten diepste betrekking heeft op hetgeen in en door Christus zijn vervulling zal vinden. Hoe zal die gemeenschap tussen God en Abraham en de zijnen, hoe zullen die beloften echt waar kunnen zijn, dan alleen door de gehoorzaamheid aan Christus ? En hoe zullen die eisen vervuld, hoe kan een mens zo leven, bij wat God beschikt, dan alleen door de Geest van Christus ? Wij zien dat nog des te helderder zo, door wat ook Paulus in de Romeinenen Galatenbrief schrijft over dit Verbond !
De volgende groep van Schriftplaatsen, van belang, is die, welke handelt over de Verbondssluiting op de Sinaï, — Exodus 24 en andere plaatsen. Duidelijk wordt hier het voornemen Gods, tevoren aan Abraham bekend gemaakt, voortgezet. Abrahams zaad is hier geworden tot het volk Israël, dat uit Egypte is uitgeleid. Deze uitleiding blijft steeds als een belangrijk gebeuren in de heilsgeschiedenis gelden, •—• getuigen de psalmen en profeten. Aan dit uitgeleide volk geeft de Heere weer Zijn beloften, waarin wij duidelijk een herhaling en bevestiging horen van wat Hij Abraham tevoren beloofd heeft. Het is ook hier weer ten diepste: , , Ik zal uw God zijn en gij zult Mij een volk zijn".
Echter, bepaalde dingen vallen bij deze Verbondssluiting bijzonder op. Daar is het Verbondsboek, daar is sprake van de woorden en rechten des Heeren, die Israël te onderhouden heeft, en waarbij de wet der zeden, die teruggaat tot op de oorspronkelijke levenswet voor de mens, een belangrijke plaats inneemt. Zelfs heet de ark der getuigenis, waarin de wet gelegen moet zijn, de ark des Verbonds.
Dit alles betekent niet, dat dit Verbond een wettisch Verbond en geen Genadeverbond zou zijn. Er kan geen wettisch Verbond zijn tussen God en de mens. En ook het opschrift boven de wet in Exodus 20 zegt genoeg. Maar in deze bedeling van het Verbond wordt nog weer eens recht duidelijk, hoe God Zichzelf gelijk blijft en Zijn eens bij de schepping gestelde recht op de mens handhaaft, en hoe de mens tot gehoorzaamheid verplicht blijft, ja, hoe dat, omdat God Zich ook in een Verbondsverhouding met hem wil stellen, nog des te sterker geldt. Dit wordt juist hier in deze Verbondssluiting zo stérk benadrukt, omdat hier de Verbondskring reeds een wijdere ontplooiing heeft gekregen en het zaad Abrahams tot een volk is geworden. Deze kinderen Abrahams moeten goed weten, welk een voorrecht, doch ook welk een verantwoordelijkheid dat meebrengt, dat de Heere hen Zijn volk wil noemen. Zij moeten er goed van doordrongen worden, hoe de Heere wil, dat Zijn volk voor Zijn aangezicht zou leven, opdat het ook daarin anderen tot een voorbeeld gesteld zou worden.
Maar zo verstaan wij, dat die Verbondssluiting op de Sinaï nog met een andere bedoeling in dié vorm gegeven is. Neen, de wet deed de belofte, niet te niet, zoals Paulus daarover ook schrijft in de Romeinen en in de Galatenbrief. Doch Israël werd daarom, terwijl het uit zichzelf toch onmachtig was om ze te houden, zo scherp onder de wet gesteld, opdat in die weg het bewustzijn . van de zonde en de behoefte aan de gejnade gewekt zouden worden. Van die zijde beziet Paulus vooral deze bedeling van het genadeverbond.
De val had ook meegebracht, dat er bij de mens geen kennis der zonde was. Natuurlijk werkte de Heere die in de tijd daarna wel, b.v. bij Henoch, Noach, Abraham en anderen. Doch nu Abrahams zaad tot een volk is geworden en Hij Zich tot dat volk weer in een bijzondere relatie wil stellen, geeft Hij hier tevens opnieuw klaar Zijn wet, opdat ook de zonde te meerder zou kunnen worden en het bewustzijn ervan levend, — opdat de mens ook persoonlijk leren zou de noodzakelijkheid van de genade Gods, om te ontkomen aan het rechtvaardig oordeel Gods, waaronder hij anders vanwege zijn vreselijk overtreden, zijn vertreden van Gods recht, zijn breken van de Verbondstrouw, gelegen is.
Ja, de wet is hier weer op bijzondere wijze ingekomen, opdat de mens verstaan zou, dat nu de van God gewilde en beloofde gemeenschap met de Heere alleen maar bestaanbaar is voor hem, doordat een Ander intreedt, die alle gehoorzaamheid volbrengt, en het recht op de beloften verwerpt, en doordat hem dat uit genade wordt toegerekend en de Heilige Geest hem daaraan deel geeft. Ja, de wet is hier ingekomen, opdat de mens leren zou, dat de weg, om waarlijk persoonlijk deel te hebben aan de vervulling der beloften Gods en om waarlijk weer in gemeenschap met God te leven, is, de rechtvaardiging door het geloof.
Wat laat Paulus in de Galatenbrief daar b.v. bijzonder licht over vallen, en wat is het veelzeggend, dat de wet onder Israël onder het verzoendeksel kwam te liggen en als omgeven werd door heel de cerimoniële dienst der verzoening !
Naarmate de geschiedenis der openbaring voortgaat, wordt het al duidelijker, hoe de beloften en verplichtingen des Verbonds hun verwerkelijking vinden.
In de loop van Israels historie zien wij dit volk van zijn kant het Verbond breken en het wordt al duidelijker, hoe de mens van nature een ongehoorzame, ontrouwe is, — zo haalt het zich de wraak des Verbonds op de hals. Toch wordt dan door de profeten, te midden van de zonden, waarin het volk leeft, en bij alle strenge oordeelsaankondigingen gezegd, dat de Heere Zijn Verbond gedenkt, de strengste oordeelsaanzeggingen gaan gepaard met bijna daaraan tegenstrijdig schijnende heilstoezeggingen. Heel sterk vinden wij dat b.v. bij Jesaja, Jeremia, Ezechiël. En vooral Jeremia 31 is hier van belang. Daar is sprake van het Nieuwe Verbond.
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 april 1954
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 april 1954
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's