Om de vrijheid!
Polemios van 7 Mei j.l. heeft een uit verschillend oogpunt merkwaardig en zeer lezenswaard hoofdartikel opgenomen, zijnde een rede door prof. dr. Gerretson uitgesproken in het Groot-Auditorium van de Rijks-Universiteit te Utrecht op 18 October 1951 ter gelegenheid van het negende lustrum van de Societas Studiosorum Reformatorum, afd. Utrecht.
De titel luidt : Onbekende factoren van de Afscheiding van 1834.
De Afscheiding wordt in het licht gesteld van een conflict, dat een kenmerk mag heten in de geschiedenis van ons vaderland sedert de dagen van de Opstand tegen de Spaanse tyrannie en zelfs in onze dagen nog zeer actuele trekken vertoont.
En al wordt in de rede van prof. Gerretson de Gereformeerde Bond niet genoemd, wie zijn belangstelling aan deze, beschouwingen geeft, zal opmerken, dat onze strijd in het midden der Hervormde Kerk voor de rechten van de Gereformeerde belijdenis en voor die van een echte presbyteriale kerkorde, en mitsdien voor de zelfstandige rechten van 'de plaatselijke gemeente, niet slechts gelijkenis vertoont met de strijd der vaderen tegenover de machten, welke die — met allengs meer resultaat — poogden te beknotten, maar dat wij nog altijd in datzelfde conflict staan, ondanks de gewijzigde omstandigheden.
't Is er dan ook verre vandaan, wat prof. Haitjema erna de mensen wil voorhouden, alsof wij bewogen werden door zekere Kuyperiaanse ondeugden, die ons van het echt gereformeerde pad deden dwalen, dat hij bij Hoedemaker meent te ontdekken.
Neen ook Kuyper — en tot op zekere hoogte ook Hoedemaker — stonden in dat zelfde conflict, al konden zij elkaar niet vinden in een gezamenlijke strijd. Afscheiding en doleantie zijn uit dat conflict ontstaan, wij zeggen zeker niet, als een doeltreffende en verkieslijke oplossing, maar als een uitweg, waarin de drang naar geestelijke en oeconomische vrijheid aan elkander gepaard ging en tot uiting kwam.
Men kan over de verhouding van Kerk en Staat in onze geschiedenis niet spreken, of men ontmoet het genoemd conflict en wordt aangevuurd om in de tegenstrijdigheden van het geestelijk leven der gereformeerden enerzijds en de strevingen van hun bestrijders anderzijds de eigenlijke oorzaak te zoeken. En de hardnekkigheid, waarmede deze strijd zich onder verschillende uitwendige verhoudingen de eeuwen door handhaaft, mag het oog openen voor het onvergankelijk karakter dezer tegenstrijdigheid — en voor het onvermijdelijke van de strijd, zolang de gereformeerde geloofsbelijdenis in het volk niet maar wordt aangehangen, doch beleefd.
Dat wil dus zeggen, zolang de kracht van het gereformeerde geloof, dat onze vaderen heeft gedreven, ook in het nageslacht nog gevonden wordt, zal het een strijd hebben te voeren voor zijn geestelijke vrijheid en rechten tegen alle machten, die het kerkelijk leven van bovenaf willen regelen of regeren, hetzij deze machten in de kerk heerschappij hebben, hetzij zij als staatkundige machten over de kerk willen heersen. Het eerste kan, zoals ten onzent, het historisch beloop, in dit opzicht ook historisch verloop, een gevolg zijn van de overwinning van de politieke machten in en ten slotte ook over de kerk.
Wij nemen het volgende uit bovengenoemd artikel over bij wijze van illustratie:
, , Hoe was de Kerk onder de Staat gekomen ?
De Republiek der Verenigde Nederlanden is ontstaan uit de Gereformeerde Kerk ; in zoverre was zij een unicum in de Statengeschiedenis. Haar oorsprong lag in de, voornamelijk uit kooplieden bestaande, vluchtelingengemeenten, voornamelijk in Londen, Norfolk en Embden. Deze gemeenten waren, door deze hare burgerlijke samenstelling uiteraard Calvinistisch; hun organisatie was dus presbyteriaal: democratisch onder leiding der seniores of ouderlingen.
In de Hollandse steden was echter reeds vóór de Reformatie de aristocratie in de zin van , , De Rijkdom" aan het bewind geraakt. Toen na de overwinning van de Opstand de vluchtelingengemeenten in Patria terugkeerden, stond men aanstonds voor het conflict tussen kerkelijke democratie en stedelijke aristocratie of regentendom.
De kerk stond in die strijd practisch reeds aanstonds zwak om dezelfde reden waarom de Hervormde Kerk nog heden ten dage zwak staat tegen de Overheidsinvloed. Want wel verwierp zij de macht van de Staat over de Kerk, maar zij aanvaardde niet de volledige scheiding van Kerk en Staat ; zij zag de Staat, vooral in haar wereldse zaken, min of meer als dienaresse van de Kerk. Doch zij moest ervaren : qui prend compagnon, prend maitre ; de Staat-dienaar gedroeg zich al spoedig als Staat-meester. Tot en met de Synode van Dordrecht wist de Kerk haar principiële onafhankelijkheid van de Staat te handhaven ; en er is weinig twijfel, of zij zou dat ook in de toekomst hebben kunnen doen, wanneer deze nationale synode door meerdere gevolgd was geworden ; anders gezegd : wanneer de nationale kerk ook een nationale organisatie en daarin een instrument ter verdediging van haar rechten en vrijheid had kunnen verwerven. Dan zou zij, gesteund door Oranje, het monarchale element in het Gemenebest, tegen de onderling verdeelde regenten, de Staten-Generaal, bestand zijn geweest.
Maar evenals de staatkundige Generaliteit practisch meer en meer uiteenviel in provinciale en stedelijke souvereiniteiten, geschiedde hetzelfde ook met de kerk ; een nieuwe bijeenkomst van de Nationale Synode werd belet en de provinciale synoden konden nu gemakkelijk stuk voor stuk onder de gewestelijke staten, de stedelijke kerkeraden onder de stedelijke magistraten gebracht worden : de gereformeerde gezindheid als nationaal substraat bezat, constitutioneel, voortaan geen stem meer.
De meesterschap van de Overheid openbaarde zich het treffendst op het punt, waarin de vrijheid van de kerk als 't ware een centraal trefpunt biedt:
namelijk de opleiding harer predikanten. Het was de Staat, die de Leidse Academie had opgericht, teneinde dienaren van Staat en Kerk op te leiden ; de gesubsidieerde opleiding voor de Kerk geschiedde in het z.g. Statencollege ; èn daardoor èn door de benoeming der theologische professoren, beheerste de alras leidende libertijnse richting in de regentenstand practisch die opleiding en daardoor de richting" van de kerk.
Is het thans in de Hervormde Kerk nog zo heel veel anders, ondanks haar formele onafhankelijkheid en de kerkelijke theologische professoren? Begrijp mijn schrik, toen ik op een foto van de eerste Hervormde Synode na de Bevrijding, achter de Voorzitter als gecommiteerde der Overheid de heer Schermerhorn ontwaarde : een eekhoorn, die een bunzing ziet opduiken !
Gelooft men, dat de omstandigheid, dat na de Oorlog alle door de Staat benoemde theologische professoren van een bepaalde richting zijn, toevallig is? En zou men menen, dat bij deze benoemingen het belang van de gereformeerde gezindheid, dan wel dat van de in de Staat overheersende richting, de doorslag heeft gegeven?
Zo nu ging 't ook in de Zeventiende en Achttiende Eeuw. Reeds omstreeks 1750 vond men onder de curatoren van het Statencollege een bekend vrijdenker als Lallemand. Het heden is dikwijls te verklaren uit het verleden ; maar soms kan men ook het verleden uit het heden leren verstaan !"
Tot zover prof. Gerretson.
Het is heus niet zo vreemd, dat de toenmalige regenten Arminius steunden tegen de Calvinisten, terwijl deze thans in de kringen van de kerkelijke machthebbers wordt aangeprezen als de vertegenwoordiger van de vaderlandse reformatie. Deze laatsten en hun aanhangers vervullen in de kerkelijke verhoudingen niet zelden de rol van de vroegere regenten met hun partij in de bestrijding dergenen, die voor de rechten van de belijdenis der vaderen begeren op te komen.
Het zou ons niet aan voorbeelden ontbreken om dit nader te bewijzen, doch wij laten het voor het ogenblik bij deze opmerking.
Op het eerste gezicht zou men misschien denken dat de verhoudingen alleen zijn gewijzigd, als waren het weleer onder de republiek de politieke machten, die de vrijheid der kerk trachtten te beperken en als hadden na 1816 kerkelijke machten het beknottingswerk overgenomen. Dat is ook wel juist, maar heeft zijn geschiedenis. Er heeft zeker verschuiving plaats gevonden, zoals men ook in het boven aangehaalde stuk van prof. Gerretson kan lezen, n.l. een verschuiving van richting onder de predikanten naar de zijde van de libertijnse geest der regenten. Naarmate deze predikanten in de kerk de overhand verkregen, kwam de gereformeerde richting in het gedrang.
Wij ondervinden de gevolgen daarvan in de tegenwoordige kerkelijke saamleving, maar het kan nuttig en moedgevend zijn te ontdekken, dat de gemeenschap met het geloof der vaderen, ook gemeenschap betekent in de strijd om de goederen des geloofs.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 mei 1954
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 mei 1954
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's