Om de vrijheid!
II
Onder ons leven maar al te vaak voorstellingen omtrent het kerkelijke en politieke leven der vaderen, die met de werkelijkheid bij lange na niet overeenkomen. Heel vaak worden „onze vaderen" genoemd als toonbeelden van geloof en geloofsleven, als ware bij hen alles overeenkomstig de orde van een gereformeerde levensstijl ingericht.
Maar, zó was het toch niet. Die met de oude schrijvers op de hoogte is, weet dat ook wel. Het was alles niet zó ideaal, als men zich wel eens voorstelt.
Het is echter wel zo, dat het Calvinisme krachtig heeft doorgewerkt en een stempel op ons nationale leven heeft gedrukt. Er moeten dus tijden van sterk geloof en sterke daadkracht geweest zijn.
Intussen zijn wij nog slechts onvoldoende op de hoogte met de situatie van de gereformeerde kerk onder de Republiek, zoals ook prof. Gerretson meedeelt in het door ons gememoreerde artikel in Polemios.
, , Dit komt", zegt hij, „doordat de kerkgeschiedenis onder de republiek zich niet centraal, maar versnipperd over de prrovinciën, de steden en het platteland heeft afgespeeld.. Om een goede kerkgeschiedenis onder de Republiek te maken, zou men eigenlijk eerst over geschiedenissen van de kerk in Amsterdam en de andere grote steden en van een aantal plattelandsheerlijkheden moeten beschikken.
Maar wat ik u wel kan duidelijk maken, is, dat het gereformeerde volk de macht der regenten over de kerk altoos als usurpatie is blijven gevoelen. Ik kan u dat het best bewijzen met een anecdote, die men aantreft in een zeldzaam geworden werk, dat allerlei wonderlijke geschiedenissen bevat. Het gaat over de lotgevallen van een gereformeerd predikant in deze stad Utrecht.
Deze predikant, die tot het gevierde geslacht van Teelinck behoorde, had de vrijheid genomen, krachtens zijn ambt de premier-burgemeester van Utrecht op de kansel en in zijn tegenwoordigheid te berispen over zijn herhaalde openbare dronkenschap. De burgemeester was daarover zó boos, dat hij de predikant beval, binnen vier en twintig uur de stad te verlaten, en bij dat bevel volhardde, hoewel de predikant een kindje boven de aarde had staan. , , Dan gooi je het kind maar op de mestkar", luidde de burgemeesterlijke raad. De predikant gehoorzaamde aan het bevel, het lijkje met zich mee voerende.
Enige tijd later vertrok de burgemeester met zijn speeljacht naar zijn buitenplaats aan de Vecht •, werd onderweg door een beroerte getroffen en, daar er geen ander vervoermiddel was, op de mestkar van een op de oever arbeidende landman, naar Utrecht teruggevoerd, waar hij dood aankwam : de wraak des Hemels natuurlijk, in de ogen van het volk.
Enige jaren later kwam de omwenteling van 1672 en daarmee Stadhouder Willem III aan het bewind. Gemeente en predikant wendden zich tot de Stalhouder om het bannissement op te heffen ; Teelinck werd tot een audiëntie toegelaten.
De Prins, hem ziende, voer kwansuis tegen hem uit: , , Ge hebt Uw burgemeester durven censureren; zoudt ge dit misschien mij ook durven doen ? " Teelinck, de predikant, viel op de knie: , , Ik eer U en ben U onderdanig als mijn Hoge Overheid, maar wanneer Gij U mocht te buiten gaan, zoals de burgemeester, ja, dan zou ik ook U, krachtens mijn goddelijk ambt, censureren".
De Prins hief hem nu vriendelijk op, herstelde hem in zijn ambt en benoemde hem tot zijn Hofprediker.
Ik heb wel eens getracht, zonder veel succes, de historische achtergrond van dit verhaal te ontdekken. Maar zelfs aangenomen, dat het voor driekwart legende is, dan drukt het toch bijna symbolisch uit, hoe het volk dacht, en als hoe essentieel het de, in dit verhaal in de vrijheid van de prediking veraanschouwelijkte, vrijheid van de Kerk tegenover de Staat voelde.
Die en alle andere vrijheid van de Kerk ging gedurende de Achttiende Eeuw hoe langer hoe meer verloren, omdat de predikanten, die natuurlijke voorstanders dier vrijheid tegenover de regenten, door hun opleiding en door het geüsurpeerde recht van collatie of agreatie der beroepen, meer de mannen der regenten tegenover de gemeente, dan de mannen der gemeente werden. Volksmannen als Smout, die het in Vondels tijd op de kansel voor de gemeente, het volk, tegen de regenten dorsten op te nemen, werden hoe langer hoe zeldzamer. Meer en meer kwam er toenadering tussen de predikantenstand en de regentenstand, veelal ook door wat men zou kunnen noemen een famiale unie : zeer talrijk zijn de geval len van families, waar de oudste zoon regent of ambachtsheer en een jongere zoon of neef, krachtens het collatie- of agreatierecht dominee werd. Door dezelfde contaminatie beginnen de dominees vooral in Holland , , verlicht" te worden, al was de. rationalistische, theologie zo plat als een schol. Wanneer er nu klachten kwamen over de heterodoxie van èèn der collega's, dan werd het hoe langer hoe meer onmogelijk, daartegen een meerderheid in de kerkeraden en provinciale synoden te krijgen, omdat de Overheid langs de weg harer clericale nepotes, haar invloed deed gevoelen en zo nodig haar Veto stelde. De actie tegen de beroemde ketterij in Holland van Bosveld en in Friesland van Regenbogen, zijn daarvan leerzame voorbeelden. Wat men later het Modernisme noemde, was, natuurlijk in enigszins andere vorm, reeds vóór 1795 in de kerk niet slechts binnengeslopen, doch permanent."
In ieder geval is het wel zó 'geweest, dat het gereformeerde volk een klaar besef heeft gehad van zijn rechten en vrijheden, zodat iedere aantasting daarvan door hen als aanmatiging en misbruik werd verstaan.
Daarom ook kon dit volk een sterke stut zijn in de strijd tegen de Spaanse tyrannie.
Het boven overgenomen gedeelte van de rede van dr. Gerretson geeft daarvan een treffend voorbeeld.
Maar tevens zien wij daaruit, welke wellicht een van de belangrijkste oorzaken is geweest, dat verkregen vrijheden en rechten gedurende de achttiende eeuw verloren gingen.
Predikanten en regenten, die aanvankelijk nogal tegenover elkander stonden, naderden tot elkander, naarmate regentenzonen tot 't predikantencorps toetraden. Deze brachten ook de geest van de regenten mede, hetgeen aan de onderhouding van de leer volgens de belijdenis — zooals men kan aannemen — niet bevorderlijk is geweest.
Dat is alles niet op één dag geschied, maar geleidelijk aan, heeft dat toch grote schade aan het kerkelijk leven gebracht. Ook heeft dat het nodige verzet en reactie gewekt, doch deze heeft het verloren terrein niet teruggewonnen. Reeds vanouds sprak men van preciesen en rekkelijken, en in 'de achttiende eeuw reeds sprak men van oude en nieuwe plooi. Zo won een geest van verlichting allengs veld en kreeg zelfs ook de overhand in het Lager Onderwijs, dat zozeer onder de invloed van de kerk stond. Zo werd dus de negentiende-eeuwse schoolstrijd reeds in de achttiende eeuw voorbereid. Prof. G. wijst ook hierop en weet als bijzonderheid mee te delen, dat die strijd te Utrecht is begonnen.
Hij voegt daaraan toe, dat de kerkelijke toestanden vóór de Organisatie van 1816, die veelal de schuld van de moeilijkheden in de negentiende eeuw krijgt, in de practijk niet zoveel verschilden van de toestanden, die in de provinciën, de steden en heerlijkheden werden aangetroffen.
Degenen, die het Examen tolerantine van Comrie hebben gelezen, zullen zich hierover niet verwonderen.
In de kerkelijke moeilijkheden stonden veelal kerkelijke vergaderingen en overheden in stad of gewest tegenover elkander, zodat het conflict gemakkelijk werd aangezien als een strijd om de vrijheid van de kerk van de Staat.
Wij geven wederom het woord aan prof. Gerretson, die een paar kostelijke, opmerkingen maakt over Lodenstein en Barth.
„Het volk stond tegen deze langzame vernietiging van de presbyteriaanse kerkorde, de democratie in de kerk, practisch vrijwel machteloos. Maar het vond een prachtige echapatoire in de z.g. „oefeningen", bijeenkomsten van gelijkgezinde gelovigen in huis of schuur, waar men de „olde skrievers" zoals Smijtegeld enz. las. Deze groeperingen hielden vaak correspondentie met elkaar door reizende voorgangers, niet onvaak uit het kerkverband losgeraakte predikanten, wier brieven deze groepen versterkten.
Als voorbeeld noem ik nog de dichter Van Lodenstein, wiens stichtelijke prozawerken ik onlangs nog eens kon bezien. Onze jonge theologen lezen vaak bij voorbaat buitenlandse theologen j ik vraag mij wel eens af, of zij dit niet met meer vrucht zouden doen, wanneer zij zich eerst wat vlijtiger op de hoogte hadden gesteld van deze Vaderlandse theologie; mij althans als leek, schijnt Van Lodenstein dieper en minder omslachtig dan Barth.
Maar smaken verschillen.
Naast deze weerstand op confessionele basis stond een merkwaardige bloei van de piëtistische mystiek, zoals bij Jan Luyken.
Dit zijn de ingrediënten, waaruit het Réveil en de Afscheiding van 1834 zijn ontstaan, en die ook beider innerlijke verwantschap en tegenstelling verklaren".
(Wordt voortgezet).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 mei 1954
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 mei 1954
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's