De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De helft niet aangezegd

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De helft niet aangezegd

7 minuten leestijd

Indien wij alleenlijk in dit leven op Christus zijn hopende, zo zijn wij de ellendigste van alle mensen.  Maar nu : Christus is opgewekt uit de doden en is de eersteling geworden dergenen, die ontslapen zijn. 1 Cor. 15 vs. 19, 20.

Van de natuurlijke mens heeft Paulus in ditzelfde hoofdstuk, waaruit wij onze tekst namen, gezegd, dat hij van de aarde aards is. Dat is een hard woord, maar het is toch alleen maar waar. Van nature zijn wij even blind als een mol en even vlijtig als die aan 't wroeten in de aarde, waarvan wij zo makkelijk geloven dat ze ons een goudmijn is. Maar dat is ze nooit: ze is alleen maar ons graf.

Wanneer God in Zijn genade ons heeft getrokken uit dit ons zo vertrouwde donker tot Zijn onbegrijpelijk licht, zodat ons leven werd een wandel in het Licht, dan heeft dat allerlei vruchten en gevolgen. Zeker dit, dat Hij ons dan door Zijn Heilige Geest, tegen onze oude neiging in, leert bedenken en zoeken de dingen, die Boven en niet meer, die beneden zijn. Dan kan klatergoud ons niet meer bekoren en bedriegen, want de werkelijke schat van een mensenleven is immers alleen Christus en Zijn gerechtigheid, waarmee we staan en zelfs ook vallen kunnen.

Dat van nature van de aarde aards zijn, maar dat ook in het christenleven altijd nog blijft nawerken, waardoor ons de zekerheid en de blijdschap van het geloof zo kan ontroofd worden, komt wel héél sterk uit in 1 Cor. 15. Daar wordt Paulus gewaar, hoe sterk die oude heidense , , zuurdesem" nog doorwerkt, ook in hen, die zich toch belijders van de Ene Naam des Heils noemen.

Wat zeggen die namelijk? Ze menen, dat Christen-zijn alleen iets betekent, zolang we op aarde zijn. Alles moet in dit leven vallen. Er na en er buiten is niets te hopen en alles te vrezen. Dat moet dan wel hebben meegebracht, wat Paulus ook juist de Corinthiërs verwijt, dat ze denken aan zoiets als een hemel op aarde. Maar een laaggezolderde en platvloerse hemel : één van eten, drinken en vrolijk zijn, omdat morgen immers het eind kan zijn en dan alles voorbij is. In hoeverre de mensen, aan wie Paulus hier schrijft, daaraan heb­ ben meegedaan, weten we niet, maar alles samen genomen, is het bij hen in geestelijk opzicht toch maar armoedig en triest gesteld.

En als ze zó denken, dat ze alles in dit leven moeten ontvangen, dan is dat een erfenis van hun heidense verleden. De Grieken in het algemeen geloven niet aan de opstanding van het lichaam. De ziel, die onsterfelijk is, leeft wel voort, maar het lichaam vergaat tot stof en er is niets meer voor te hopen. Ja, en de ziel heeft het eigenlijk na de dood weinig beter. Die leeft dan voort in de onderwereld, het rijk van de schimmen, waar het zó triest en zonder uitzicht is, dat Hercules, de bekende Griekse held, er van zei dat het beter is, op de aarde een dagloner te zijn, dan koning in die onderwereld zonder hoop. Als dat inderdaad het einde is van alle levenden, dan kunnen we wel heel goed begrijpen dat men geen hoger levenslied kent, dan het al genoemde van het leven plukken, zolang het lampje schijnt.

Maar dat is dan ook wel verschrikkelijk leeg ! En het is nog erger, dat de Christenen van Corinthe, die toch van zo anders en beters mochten weten, met dat armoedige gedoe meegaan. Alleen in dit leven (daar moet ge de klemtoon op leggen) is er voor een christen iets te verwachten, maar daarna komt de nacht, waarin geen licht meer schijnt.

Als Paulus dat hoort, dan pakt hij de pen. Nee, we zeggen liever : dan drukt de Heilige Geest hem de pen in de hand en zegt: Paulus, schrijf aan die arme tobbers, dat de helft van de rijkdom der genade van Christus hen nog niet bekend is geworden ! Want wie de Heere Jezus Christus tot zijn Hoofd en hoop, tot zijn Borg en lust heeft, die heeft in Hem beloften voor het tegenwoordige leven, (ja, ook daarvoor), maar nog veel meer beloften voor het toekomende leven ! Beloften, die reiken tot over dood en graf heen !

De helft niet aangezegd. Want, zo vervolgt Paulus, ons leven hier, ons leven in geloof en niet in aanschouwen, is immers met zoveel wanhoop en dood en strijd gemengd ! Daar kunt ge toch al uit weten : dat is pas een begin en beginsel. De werkelijke zaak is oneindig groter. Wee ons, als we niet anders kenden dan dat leven in beginsel hier, vol strijd en aanklachten tegen onszelf. Daar ligt toch geen verzadiging in? Daarmee zijn we wel in hope zalig, maar zonder uitzicht op het volkomene blijven we immers de ellendigste van alle mensen? Daar zijn we a.h.w. schipbreukelingen mee, die wel levend van een vergaan schip zijn afgekomen, maar die op een rots eilandje buiten de kust zijn beland en dat vasteland wel zien liggen, maar er niet kunnen komen.

Maar, zo zegt Paulus daar triomfantelijk tegenin : Maar zo is het niet. Als Christenen is ons de genade gegeven, dat we het niet langer van de aarde, van onszelf behoeven te hebben. Ons hoofd en misschien vaak ons hart er bij zegt, dat een opstanding tot heerlijkheid, tot volkomenheid niet kan; Maar God, die niet liegen kan, zegt daar dwars tegenin, dat het wél kan en ook al lang is gebeurd en daarom ook nog gebeuren zal. Want de Heere Jezus Christus is opgewekt uit de doden. Vriend en vijand zei : Het kan niet. Er is na Zijn leven en sterven niets meer te hopen. Maar er was en is nu juist alles te hopen. Hij is uit de strijd, uit het donker opgenomen in heerlijkheid. En : dat heeft Hij ook niet voor Zichzelf nodig gehad of willen houden ! Dat deed Hij als , , eersteling", Zü trekt Hij allen, die in Hem hun hoop en lust hébben, mee omhoog : uit de strijd en de twijfel, uit het donker en de mismoedigheid, naar de eeuwige volheid en de heerlijkheid. Zo heeft Hij beloften voor het tegenwoordige, maar óok voor het toekomende leven. De Eersteling, zelf in alles verzocht, maar dan zonder zonde, schaamt Zich niet om mensen vol strijd en gedeeldheid en wanhoop, toch Zijn broeders te noemen en het hen heerlijk waar te maken : Ik leef, maar daarom zult gij óok leven, hoe vaak Satan het u zegt, dat het voor u nooit kan. Dat moet ge vooral niet tegenspreken, want het kan door uzelf en om uzelf werkelijk nooit. Maar het kan tóch, omdat de Heere Jezus Christus het verworven heeft en het geeft aan allen, die zichzelf daar zo geheel in tegen hebben.

Hoort ge. daar óok bij?

Gelooft gij meer de Heilige Geest, dan uw eigen geest en verstand? Is de Heere Jezus Christus, met Zijn dubbele Beloften u meer rijkdom dan de halve genietingen van deze wereld? Wee u, als ge daarop neen zoudt moeten zeggen. Want dan staat ge immers overal buiten. En dat, waar in de Heere Christus toch alles, wat ge nodig hebt, voor het grijpen ligt. Voor het grijpen? Ja, voor het grijpen : met gevouwen handen. Want zo wordt dat Schriftwoord vervuld: Grijp naar het eeuwige leven!

Het wonder van het geloof en de genade is dat wie er naar grijpen leert, met Paulus ervaart, dat hij of zij veel meer er door gegrepen is en wordt. Dat alles samen kan ons alleen maar kleiner maken en het Heil, Gods genade in Christus, alleen maar groter. Zodat het onze eerbiedige, hartelijke belijdenis wordt: nu nog maar in het voorportaal, maar straks in de troonzaal, waar de Middelaar staat bij de troon van Recht en Genade : Waarlijk, de helft was mij niet aangezegd !

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 mei 1954

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

De helft niet aangezegd

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 mei 1954

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's