Van onze Studie-Commissie
I.
Onze Studie-commissie, voorzitter ds. Vermaas, secretaris ds. Bouw, houdt zich bezig met het geschriftje, dat onlangs door de Synode aan de kerk werd aangeboden ter bestudering en bespreking in de Classicale Vergaderingen.
Dit geschrift draagt de titel: De leer aangaande de Heilige Schuit en werd opgesteld door de Raad voor de zaken van Kerk en Theologie.
Vóór 15 October '54 wordt het oordeel der Classicale Vergaderingen ingewacht.
Opdat een iegelijk, die daarin belang stelt — en wie zou dit niet doen op dit allervoomaamste stuk van de leer? — kennis kan nemen van de overwegingen en het oordeel van de Studiecommissie, delen wij deze artikelsgewijze in De Waarheidsvriend mede. Ook de kerkeraden kunnen daarvan dan kennis nemen.
Hier volgt het eerste deel, betrekking hebbende op de inleiding en enige algemene beschouwingen.
De leer aangaande de Heilige Schrift.
In deze maand vallen de Classicale Vergaderingen onzer Kerk. Op vele daarvan zal hoogstwaarschijnlijk een geschriftje aan de orde komen, dat onder dagtekening van 10 December 1953 aan de kerkeraden is toegezonden.
De bedoeling is, dat de kerkeraden het eerst bestuderen en dat het dan in de Classicale Vergadering besproken wordt. Misschien is het nu wel nuttig, dat we ook te dezer plaatse enkele vragen stellen, die bij de lezing van dit geschrift gemakkelijk bij ons oprijzen. B.v. deze : Waarom is men niet uitgegaan van de Belijdenis der Schrift, die men bezit? In par. 9 staat tussen haakjes (vgl. Ned. Geloofsbelijdenis, art. 7). Ook in 8 wordt dit artikel genoemd. Maar mag men niet verwachten dat de Ned. Hervormde Kerk belijdt in continuïteit met haar belijdenis?
Een tweede algemene opmerking is deze, . Ik las ergens aangaande het bekende geschrift : Fundamenten en Perspectieven : „Het bedoelde een uitdrukking te zijn van datgene, wat bij alle verschil van richting, althans door de hele Kerk in de wereld van deze tijd zou kunnen worden beleden".
Nu is mijn vraag : bedoelt dit geschrift iets dergelijks? Het komt mij voor, dat daar een gevaarlijke kant aan zit. Dan moet men een aftrekmethode volgen. Men zet naast elkaar de verschillende belijdenissen over de Heilige Schrift; de gereformeerde, de ethische, de vrijzinnige. Men schrapt waarin zij verschillen. Dan houdt men over, waarin zij overeenstemmen. Dit wordt dan de gemeenschappelijke belijdenis. Doch het wordt tegelijk een kunstproduct. Zo heeft indertijd het rationalisme ons voorgeschoteld wat nu eigenlijk de godsdienst was. Deze rationalistische methode kan worden aangevuld met een gebruik uit de rekenkunde : verschillende breuken onder éne noemer brengen.
Is deze methode in het voorliggende geschrift verbonden aan de rationalistische? Dan krijgen we woorden en zinswendingen, waar de vrijzinnige richting, de ethische en de gereformeerde richting ieder het zijne bij denken mag. Laat ik als voorbeelden nemen de uitdrukking uit par. 9 over de onjuistheden in de Bijbel. De noemer mag onjuistheid heten. De teller alleen verschilt. De gereformeerde zou kunnen denken aan dingen, waarover de tekstkritiek handelt, b.v. : Koningen 12 VS. 2 vergeleken met 2 Kron. 10 vs. 2. In het eerste vers staat : „En Jerobeam bleef in Egypte". In het laatstgenoemde : „En Jerobeam keerde terug uit Egypte". Eén van de twee moet minder juist zijn tengevolge van een schrijffout. Zulke onjuistheden zijn er meer in de tekst. Maar de vrijzinnige kan datzelfde woord gebruiken met betrekking tot het ledige graf b.v. Ik heb groot bezwaar tegen een methode, dié de ware gevoelens meer tracht te verbergen dan te belijden.
Dan heb ik nog een derde algemeen gezichtspunt, dat ieder zich goed moet inprenten, m.i., om deze nieuwe belijdenis over de Heilige Schrift goed te verstaan. Zo voor het oog komt er veel in voor, dat overeenkomt met de belijdenis der vaderen. Doch is het niet zó, dat de oude èn de nieuwe belijdenis elk voor zich een totaal verschillende achtergrond hebben? De oude belijdenis is een prachtige kernachtige samenvatting van de reformatorische leer, inzonderheid van Calvijn's vertolking daarvan. Terecht schreef collega Abma in „De Waarheidsvriend" van 8 April j.l. : „Zo terloops mag ik wel de opmerking plaatsen, dat ieder, die zich in Calvijn's werken verdiept of die studie maakt van een speciaal onderwerp in Calvijn's nalatenschap, telkens weer getroffen wordt door het feit, dat de gereformeerde belijdenisgeschriften een meesterlijke samenvatting zijn van wat Calvijn leerde en bedoelde. De student zou zeggen : het zijn voortreffelijke excerpten ? !"
Dit betekent, dat men bij elk woord van de belijdenisgeschriften weet, wat ër; .lnëe bedoeld wordt, als men Calvijh kent, als men gedrenkt is ook in de gereformeerde geschriften. Maar nu de nieuwe belijdenis. Deze hebben een heel andere achtergrond, n.l. de werken van prof. Karl Barth en zijn medestanders. Elk woord van de nieuwe belijdenis moet men zien tegen deze achtergrond, opkomend uit de Barthiaanse gedachtengangen. Wat voor verschil dit maakt, moge ik trachten te demonstreren aan de gedachte van de onleilhaaiheid der Heilige Schrift. Het woord onfeilbaar is door het hele geschrift kwistig heengestrooid. Reeds in de „Voorrede" komen we het tegen. Daar staat het twee keer. In par. 6, 9 en 10 streepte ik het verder aan. In de artikelen 3—7 van de Confessio Belgica trof ik het één keer aan, helemaal aan 't eind van artikel 7 : Wij verwerpen wat met deze onfeilbare regel niet overeenkomt. Nietwaar, de nieuwe belijdenis wint het verre. Welke van onze ouderlingen kan nu onder de belijdenis van de onfeilbaarheid der H. Schrift iets anders verstaan dan wat Artikel V aldus belijdt: „Wij geloven zonder enige twijfeling, al wat daarin begrepen is".
Zo heeft ook Calvijn het opgevat, mèt de gehele Reformatie. Guido de Bres, de opsteller van onze Geloofsbelijdenis, haalt ergens met instemming het woord van Augustinus aan : „Zulk een waardigheid ken ik aan de Schrift toe, dat ik vast geloof, dat geen enkele van haar schrijvers zich vergist heeft bij het schrijven. En als er enige stukken in voorkomen, die met de waarheid schijnen te strijden, dan oordeel ik hiervan óf dat er een fout in het handschrift insloop, of dat de vertaling minder juist is, of dat ik het niet begrijp".
Ik meen, zo had Calvijn het ook kunnen zeggen. Dat is de achtergrond van al de verdere uitspraken over de Bijbel. Geen enkele van de schrijvers heeft zich vergist. Letter voor letter de hele Bijbel Gods Woord. Het staat buiten twijfel, dat Calvijn de letterlijke inspiratie der H. Schrift beleed. Zo heeft de Schrift het trouwens zelf uitgesproken in 2 Tim. 3 vs. 16 en 2 Petr. 1 vs. 21.
Luther schreef reeds : , , Daarom moet het gezegd worden : rond en rein : alles geheel en al geloofd of niets geloofd. De Heilige Geest laat zich niet delen, noch ergens van afscheiden, dat Hij één stuk naar waarheid zou leren en het andere stuk vals zou leren of laten geloven". Wij geloven zonder enige twijfeling alles wat daarin begrepen is. Het is immers Gods eigen Woord. Wie is er zó vermetel, zegt Calvijn in Institutie I, 7, 1, die God, als Hij spreekt, zijn geloofwaardigheid zou willen ontnemen? Het is volkomen duidelijk wat het woord onfeilbaar in de dagen der Reformatie betekende en wat ieder er nog onder verstaat, die niet in de nieuwere theologie bedreven is. Want hoe ziet dat er bij Barth uit? Hij schrijft op blz. 587 e.v. van zijn „Die Kirchliche Dogmatik", deel I, en daar weer deel 2 van, dat de bijbelschrijvers zondige mensen waren en in hun geschriften dwalende mensen, gelijk wij allen. Als zij geroepen worden om van de Openbaring te getuigen, dan werden zij geroepen als dwalende en feilbare mensen. Het wonder is, dat feilbare mensen in feilbare woorden Gods Woord spreken. De schrijvers hebben in ieder woord gefeild, zegt Barth. Dat zal wel waar wezen, als deze grote man het zegt, maar mij klinkt het een beetje overdreven in de oren.
Als alles leugen is in de Bijbel of dwaling, hoe heb ik het dan? Het staat er toch letterlijk : , , Sie haben auch in jedem Wort gefehlt". Nu gebruikt Barth in dit verband een merkwaardig voorbeeld. Die mensen, die telkens mis grijpen, hebben ons toch Gods Woord gezegd. Barth schrijft nu : „Dat de lammen gaan, de blinden zien, de doden opstaan, dat zondige en dwalende mensen als zodanig het Woord Gods spreken, dat is het wonder, waarvan wij spreken, als wij zeggen, dat de Bijbel Gods Woord is".
Ik begrijp hier iets niet.
In strikte zin ziet er nooit een blinde en loopt er nooit een lamme en staat er nooit een dode op. Een lamme is eerst gezond gemaakt en dan loopt hij, een blinde heeft eerst het gezichtsvermogen gekregen en dan ziet hij. Heb ik dat mis? Dus die dwalende mensen hebben eerst het vermogen gekregen om onfeilbaar te spreken en dan spreken zij onfeilbare woorden?
Dit voorbeeld zegt precies het omgekeerde van wat prof. K. Barth er mee wil zeggen. Hij is op de klank van de woorden af gegaan en dreigt ons nu met die klank te bedwelmen.
Maar goed, de hele Bijbel is dus in alles feilbaar, de schrijvers hebben in alles gedwaald. En toch is het Gods Woord. Hoe kan dat? Doordat God op een bepaald ogenblik ingrijpt en die dwaling, die daar neergeschreven staat, gebruikt om er Zijn Woord mee te spreken. Als God het wil, kan een gedeelte van de Bijbel op een bepaald ogenblik Gods Woord worden. Dan gebruikt God dit mensenwoord en dan wordt het Gods Woord. Men kan het Woord Gods alleen horen in de gestalte van het Bijbelwoord. In deze zin wil Barth spreken van letterlijke inspiratie. Dus de hele Bijbel is, zoals hij daar ligt, een boek van mensen, met alle mogelijke dwalingen behept, allerlei verkeerde gedachten over de natuur en over God staan er in. Dat is de beschouwing, die de achtergrond vormt van het geschrift der Synode over de Heilige Schrift. Als men dit weet, ziet men deze achtergrond ook telkens in 't gezicht komen. Alleen als men dit weet, kan men het geschrift verstaan.
Doch hoe zit het dan met dat woord onfeilbaar? Daar moest de Synode eerst maar eens zelf een toelichting op geven. In elk geval geldt die onfeilbaarheid niet met betrekking tot de dingen, waarmee de menselijke wetenschap zich vooral bezig houdt. En waarmee houdt de menselijke wetenschap zich niet bezig? Ook wel met theologie, dacht ik. Welk gedeelte van de Bijbel is onfeilbaar in deze zin, dat men hier op aan kan? Bij de Reformatoren wist men, wat men aan de Bijbel had. Wat is de Bijbel voor de mannen van deze nieuwe belijdenis? Daar zal naar gevraagd moeten worden op de Classicale Vergaderingen. Wat betekent het, dat de Heilige Schrift onfeilbaar gezag heeft? Dat zij een onfeilbare regel voor het geloof is? Waar heeft de onfeilbaarheid der Schrift betrekking op?
Dit over deze opmerking van algemene strekking. Ik hoop hiermee duidelijk gemaakt te hebben dat we de achtergrond van onze Belijdenis met de achtergrond van deze nieuw voorgestelde moeten vergelijken.
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 mei 1954
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 mei 1954
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's