De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Om de vrijheid!

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Om de vrijheid!

8 minuten leestijd

III.

In het vorige nummer heeft men kunnen opmerken dat de ontwikkeling van het kerkelijke en politieke leven gedurende de republiek een goede functionering van de presbyteriale kerkorde niet alleen in de weg stond, maar allengs onmogelijk heeft gemaakt.

't Behoeft nauwelijks herhaald, dat dit ook weerstand moest wekken in het Calvinistische hart.

Prof. Gerretson vestigt nog de aandacht op verschillende omstandigheden die mede aanleiding hebben gegeven tot de reacties die de negentiende eeuw in ons vaderland heeft gezien in doperse bewegingen en, zoals Gerretson het zelf typeert , , in vaste lijn" in de oplevende orthodoxie.

Onder die omstandigheden worde het eerst gewezen op de instelling van een kerkelijk eenheidsinstituut door de Organisatie van 1816. Zeer terecht en typerend schrijft prof. Gerretson: , , Bovendien bleek al spoedig, dat de verlichte domineesoligarchie, (regering van een klein getal dominees), die de synode beheerste, de organisatie gebruikte oin de heterodoxie in de kerk een gelijke stemming met de orthodoxie te verzekeren".

Vervolgens wijst hij op de armoede. Voor het eerst na 1648 (de Vrede van Munster) was er hongersnood in ons land en stierven mensen van gebrek.

Wordt hongersnood niet onder de stormvogels der revolutie genoemd ?

In ieder geval moet dit hebben medegewerkt tot verzet, temeer, omdat dit in de kringen van het gewone volk oplaaide. Immers nood leert ook bidden en het is een feit, dat het religieus besef vooral onder de kleine luiden krachtig opleefde. Het kenmerkte zich, zoals wij reeds hebben opgemerkt, door twee richtingen : een confessionele en een, die wij boven als dopers hebben aangeduid. Denk aan de Zwijndrechtse Nieuwlichters.

Waar de kerkelijke gesteldheid ter plaatse gunstig was voor de instandhouding ener orthodoxe gemeente, was dit uit de aard der zaak niet nodig, maar waar dit niet het geval was, zocht men zijn toevlucht in het conventikel.  Een en ander is ons niet vreemd, want op hoevele plaatsen wordt ook in de huidige situatie aan de gemeente een prediking naar de belijdenis der kerk onthouden of betwist?

Zo drijft de officiële kerkregering in zulke plaatsen uit naar het conventikel, tegenwoordig met een geheel oneigenlijke naam evangelisatie geheten. En zij, die zulks het meest veroordelen in de regerende partij, de z. g. middenorthodoxie, en het gaarne bevorderen dat vrijzinnige verenigingen en vergaderingen in officieel kerkelijk verband worden opgenomen, leggen de Hervormd-Gereformeerden allerlei moeite en hinderpalen in de weg, terwijl zij zich niet onthouden om in orthodoxe gemeenten nevenpastoraten voor te bereiden of op te richten, zo zij kunnen.

Prof. Gerretson sprak van een verlichte domineesoligarchie, die de synode van de organisatie van 1816 beheerste, de vele commissies en raden onder de nieuwe kerkorde hebben wel enige wijziging gebracht in deze zaak, maar de ervaring leert, dat wij nog verre van een presbyteriale kerkorde verwijderd zijn. Men krijgt niet de indruk, dat het ganselijk ten onrechte zou zijn nog van een domineesregering te praten.

Nu was toen, in en na de tijd van Napoleon, conventikelen een gevaarlijk bedrijf.

, , Als elke dictatuur, was Napoleon doodsbang voor samenzwering en dus voor elke vrije vereniging buiten voorkennis en toezicht der Overheid", zegt prof. Gerretson. Vergaderingen van meer dan twintig personen zonder toestemming van de Overheid waren strafbaar. Men was bang, dat het volk te grote macht kreeg en het is ook bekend onder ons, dat ook godsdienstige vergaderingen in de beweging, die tot afscheiding heeft geleid, werden uiteengejaagd.

Prof. Gerretson is nóg niet uitgeput. Hij wijst nog op de revolutionaire vrijheidsgedachte der Romantiek en wat daaruit voortkwam, op de moeilijkheden van het Verenigd Koninkrijk met België, en op het Reveil, alle omstandigheden, die hebben medegewerkt aan de Afscheiding van 1834. Wij besluiten met het volgende, tevens het slot van zijn rede, over te nemen :

„Zo lagen de zaken, toen betrekkelijk zeer geringe aanleidingen de conflicten tussen De Cock te Ulrum en Scholten in Doeveren en hun kerkelijke overheden uitlokten.

De conflicten waren op zichzelf niet onernstig, maar toch niet ernstiger dan ettelijke andere dergelijke kerkelijke en kerkrechtelijke harrewarrerijen, die geen verdere ernstige consequenties hebben.

Wat verklaart de verbluffend snelle en de waarlijk nationale uitbreiding, die het conflict aanstonds krijgt?

Tot die verklaring volstaat op zichzelf mijns inziens nóch het eigenlijk religieuze, nóch het kerkrechtelijke moment, hoe gewichtig ook !

In de eerste plaats : men ziet mijns inziens wel eens te uitsluitend 'het geestelijke, verheven element; er waren, als in alle menselijke strijd, ook zeer stoffelijke gelijkvloerse redenen. Eerst als men deze met elkaar in verband ziet, krijgt men, naar mijn smaak, de historische kijk op dit toch zo ook echt menselijke conflict.

Het sociaal element in de Afscheiding is het possesief instinct, juist bij boeren zo sterk; ontwikkeld. Federatieve, traditie heeft het besef levendig gehouden, dat die uiterlijke kerk, die pastorie, die kerkegoederen, het onbetwistbaar bezit zijn van de locale gemeente.

Wanneer dan ook een man van buiten komt, de consulent, de sleutel van hun kerk hanteert, inplaats van hun eigen dominee hun kansel beklimt, worden de boeren even boos, als wanneer een vreemde hun geit melkt.

'Het relletje in de kerk van Ulrum, tegen de oude consulent, heeft in zekere zin niets verhevens ; hier handelen eenvoudige Groningse boeren : , , blijf met je poten van ons goed af !" Maar parallel aan die typische boerenactie ten aanzien van het hebben en houwen, ontwikkelt zich in de geestelijke sfeer een zeer diepe gedachte : de gedachte van de locale kerk in geestelijke zin, die nauw verband houdt met de diepste opvatting van de Kerkidee, die van de Stichter der Kerk : waar twee of drie tezamen zijn daar is de ecclesia.

Er is, in de protestantse kerken, vooral in de presbyteriaans georganiseerde. Calvinistische, een gezonde en diep gefundeerde afkeer van alle unificatie en centralisatie, van alle eucumenische bewegingen en wereldbonden van kerken met bureau's, de hemel weet waar, van internationale raden en besturen, een afkeer, die in de grond der zaak identiek is met de afkeer voor Rome !

Slechts in de kleine kring, slechts in zoverre men elkaar kennen en beminnen kan, lééft de ecclesia voor ons !

De beweging, bekend staande als onderhoudende art. 31 K.O., met hun leer aangaande de mindere en meerdere vergadering, wortelt, naar mijn oordeel als historicus, daarom in de geest van de Afscheiding van 1834.

Inmiddels, beide tendenzen, de unitarisch en de federalistisch gerichte, kunnen in Staat en Kerk gevaarlijke consequenties hebben. De ene in de richting van een veruiterlijkend episcopalisme, de andere in de richting van een versnipperend individualisme. Hier de Kerk in het midden houden is moeilijk !

Daarnaast is echter het typerende van de Afscheiding, zo in de sociale als in de geestelijke sfeer, de sterke drang naar vrijheid, naar onafhankelijkheid van het centraal gezag.

Hierover mijn slotwoord.

De gehele Negentiende Eeuw is niets anders dan een reactie tegen de Bonapartistische Staat ; een losmaking van de boeien, waarin Napoleon's totalitarisme of Staatsabsolutisme de Europese volkeren politiek en cultureel had geslagen.

In deze reactie nemen de Nieuwlichterij, en later de Afscheiding de leiding, doordat zij onder de invloed van convergente sociale en religieuze verdrukkingen, het juk van de souvereine Staat en zijn almacht in Kerk, School en Bedrijf afwerpen om zich te onderwerpen aan de Souvereiniteit Gods. Deze verplaatsing van allegiance is reeds zeer duidelijk in de vaak onbeholpen schrifturen der Nieuwlichters ; ze wordt later, zeer bewust gedaan door de Afgescheidenen, en later door Kuyper op Calvijn's voetspoor dogmatisch gefundeerd en centraal gesteld.

Deze aanvaarding nu is de grote bevrijding, die een mens en een volk altoos weer moeten doormaken, willen zij niet verslaven en ten ondergaan. Souvereiniteit Gods : het is een groot woord ; en het wordt, zoals alle grote woorden, gemakkelijk een hol woord en een dood woord. Het heeft in het religieuze leven een zeer diepe betekenis, waarvan ik thans niet reppe : Noli tangere.

Maar het heeft ook een tastbare, nuchtere, maatschappelijke, ik zou bijna zeggen, alledaagse en huishoudelijke zin.

In die zin betekent die aanvaarding negatief: de verwerping als bij de Vaderen, van de souvereiniteit van de Staat, van de Staatsalmacht en de Staatsvoorzienigheid ; een verafschuwing van het leunen op de Staat. In de politieke taal van onze tijd dus uitgedrukt : principiële oppositie tegen het Staatssocialisme !

Calvinisme en Marxisme zijn vuur en water.

In die zin betekent die aanvaarding positief : een vertrouwen op God's macht en bijstand in moeilijke omstandigheden, ook in die zin, van vertrouwen op de kracht en wil, die Hij in de mens heeft gelegd, om onder hoger bijstand liever op eigen benen te staan, dan aan anderer schouder te hangen, ware die andere ook Vadertje Staat in de handhaving der gebonden-vrije maatschappij.

Geestelijke vrijheid nu is onbestaanbaar zonder economische onafhankelijkheid. Dat hebben de Afgescheidenen verstaan zij bouwden eigen kerken, stichtten eigen scholen, steunden eigen armen. En als het vaderland dat niet geven kon of wilde, trokken zij naar het vreemde land om eigen brood van eigen hand te eten. Zij waren in de edelste zin des woords: independenten.

Ik heb mij wel eens een kind van 't Réveil geroemd ; in deze zin wens ik ook een zoon van de Afscheiding te zijn.

De vaan der vrijheid, geestelijk en maatschappelijk, in en door de onderwerping aan de Souvereiniteit Gods, die de Afscheiding heeft opgeheven, wijze ook U richting en doel in de strijd die toekomende is".

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 mei 1954

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Om de vrijheid!

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 mei 1954

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's