De Leer aangaande de Heilige Schrift
1. Het verbond der genade.
De Kerk heeft de geschriften van de profeten van Israël, mèt de geschriften van de apostelen van Jezus Christus, ontvangen als de Heilige Schrift. De eerste reeks geschriften noemde zij: de boeken van het oude verbond, de laatste : de boeken van het nieuwe verbond. Deze benaming ontsproot aan de belijdenis der Kerk, dat de Heilige Schrift getuigenis, gave en instrument is van het verbond, dat God sluit mèt en van geslacht tot geslacht bevestigt aan het volk, dat Hij verkiest en roept. Dit volk was eerst het volk Israël, en in de kentering van de tijd de gemeente uit Israël en de volken.
2. Het oude verbond.
De schriften van het oude testament geven uitdrukking aan het verbond, dat God met de aartsvaders sloot; God schonk daarin zijn beloften aangaande zijn heil aan Israël en aan de volkeren (Gen. 17 vs. 1—8). Als een uitvloeisel van dit verbond sloot God het verbond met Mozes, de profeet; daarin vraagt Hij van zijn volk dankbare gehoorzaamheid aan zijn wet (Ex. 24 vs. 1— 11). En God sloot een verbond met David, de koning - , daarin beloofde Hij aan David, dat 't hem nimmer zal ontbreken aan een man, die op de troon Israels gezeten is (2 Sam. 7 vs. 16; 1 Kon. 2 VS. 4 ; Jer. 33 vs. 17 vlg.). Ook sloot God een verbond met het nageslacht van Aaron, de hogepriester; daarin verzekerde Hij, dat het nimmer ontbreken zal aan een priester voor zijn aangezicht (Jes. 33 vs. 18 vlg.).
De schriften van het oude testament verhalen van de voortdurende ongehoorzaamheid van Israël aan de wet van God en van zijn herhaalde breken van het verbond. Maar ook van de trouw van God, die telkens zijn eenmaal gegeven beloften herhaalt en bevestigt. En van de hoop van een rest, die zich bekeert en die verwacht de vertroosting van Israël, welke God zal schenken door een beslissende vernieuwing van zijn verbond. (Jer. 31 vs. 31 vlg.; Jes. 50 vs. 20 vlg.; Luc. 2 VS. 25).
Met bovenstaande paragraaf begint het nieuwe belijden aangaande de Heilige Schrift, dat ons is voorgesteld door de generale synode. Het is de bedoeling, dat wij daarop reageren, zoals de inleiding op het synodale geschrift zegt. Onze eerste reactie is, dat wij vragen naar de gemeenschap met de belijdenis der vaderen. Dit vragende, zijn we immers geheel in de weg van artikel X der Kerkorde. We leggen dus de Nederlandse geloofsbelijdenis voor ons. Aangrijpend is hier het begin : , , Wij geloven allen met het hart en belijden met de mond dat er is een enig .... God". Als wij deze aanhef vergelijken met het begin van deze nieuwe „Leer der Schrift" moeten we zeggen : hier ligt een machtige aangrijpende belijdenis naast een saai catechisatieboekje. Het is heel niet ons verlangen dat de oude woorden telkens weer herhaald worden. Doch als men zich zo bekwaam oordeelt om alles te vernieuwen, moest men toch niet zo'n machteloos stuk produceren. Onze Belijdenis zet de artikelen aangaande de H. Schrift in een groots verband, met fundament en perspectief, doch dat is hier verzuimd.
Wat wil nu de eerste paragraaf van de nieuwe leer ons geven? Zij wil een middelpunt aangeven, een centrale gedachte, die het een en het al van de H. Schrift zou zijn. In par. 1 krijgen we het onderwerp genoemd, waarover de Heilige Schrift handelt. Dit vinden we in de Nederlandse geloofsbelijdenis ook aangegeven. Maar nu het verschil. De N.G.B, belijdt, dat God zichzelf te kennen geeft. Hier is God het verheven onderwerp van de Bijbel. De „leer" leert, dat iets van Gods openbaring, n.l. het verbond der genade, het onderwerp van de Bijbel is.
Het komt mij voor, dat dit verschil tussen het oude en het nieuwe geschrift een gevaarlijke inkorting van de inhoud der H. Schrift aanwijst.
De N.G.B, zegt: , , Ten tweede geeft Hij zichzelven ons nog klaarder en volkomener te kennen door zijn heilig en Goddelijk Woord te weten, zoveel als ons van node is in dit leven, tot Zijn eer, en de zaligheid der Zijnen".
De „Leer" zegt: „dat de Heilige Schrift getuigenis, gave en instrument is van het verbond dat God sluit".
Het gaat niet over de vraag, of het verbond der genade niet een grote plaats inneemt in de openbaring Gods. De Statenvertalers geven ook het verbond aan als de voornaamste inhoud der Heilige Schrift. Maar zij maken tegelijk nog melding van het oude verbond, hetwelk wij het werkverbond plegen te noemen. De , , Leer" maakt alleen gewag van het verbond der genade. Wij menen, dat hiermee de eerste hoofdstukken van Genesis buiten de Schrift worden gezet. De openbaring, die betrekking heeft op schepping en val, op het verbond met Adam vóór de val en het algemeen verbond met Noach, wordt in deze , , Leer" niet genoemd, , terwijl het oude verbond der genade, een onderdeel van de leer der verbonden, bij uitsluiting wel genoemd wordt. Hierover zouden we nadere opheldering wensen. Met welk recht kort men de Heilige Schrift in tot een getuigenis van het verbond der genade ? In welke belijdenis der Kerk wordt dit met zoveel woorden geleerd? Wij hebben al gezien, dat de Nederlandse geloofsbelijdenis heel iets anders belijdt. Van Calvijn kennen wij de uitdrukking dat God in de Bijbel heeft geopenbaard „al wat door de menselijke geest, aangaande de hemelse Vader kan begrepen worden en moet gedacht worden". Welke belijdenis beperkt de inhoud der H. Schrift tot een getuigenis van het verbond der genade?
Laten we even de vinger leggen bij dat woordje getuigenis. Moet dit in de zin van Barth worden verstaan? Deze leert, zoals we weten, dat de boeken van het oude en nieuwe verbond niet meer dan een menselijk feilbaar getuigenis van Gods openbaring zijn. Elk woord van dit getuigenis is verkeerd, zegt Barth. Als ik tenminste de uitdrukking goed begrijp : de bijbelschrijvers „haben in jedem Wort gefehlt". Is dit de achtergrond van deze , , Leer"? Bedoelt zij Gods getuigenis of een menselijk. In elk geval is hier de eerste paragraaf niet in gemeenschap met de belijdenis der vaderen. In artikel III van de N.G.B, wordt niet gesproken over een getuigenis (van mensen), maar over het geopenbaarde Woord, dat bij geschrift is gesteld. De Heilige, Schrift bevat het eigen Woord Gods en niet een getuigenis aangaande het verbond der genade van feilende mensen. Dat is de belijdenis der Kerk.
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 juni 1954
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 juni 1954
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's