Helderheid gewenst
Opgenomen in het maandblad (April) van de Vereniging van Kerkvoogdijen.
Telkens blijkt mij uit gesprekken en brieven om inlichtingen, dat vele kerk voogdijen niet weten, waaraan ze toe zijn. Kerkvoogden, die zijn overgegaan, dus ouderlingen zijn geworden, bevestigd zijn als zodanig, zijn een deel van de kerkeraad en hebben in de kerkeraad niet alleen zitting, maar nemen deel aan al de beslissingen in de kerkeraad en zijn daarmede verantwoordelijk voor. Wat ze, behalve als ouderling te doen hebben, staat volledig in de kerkorde en ze kunnen desnoods de Gids raadplegen. Voor hen gelden de meerdere vergaderingen, classes, provinciale en generale synode vergaderingen en wat daar besloten is. Ze staan als zodanig onder de prov. kerkvoogdijkamer en algemene kerkvoogdijraad, prov. en generaal college van toezicht. Noch goedkeuring van de begroting, noch wijziging van de begroting, noch goedkeuring van de rekening en verantwoording, noch de wijze, waarop de begroting opgemaakt wordt, enz. enz., is aan hen onderworpen, maar dat alles en nog veel meer is hun, tot in de kleinste onderdelen voorgeschreven en hebben ze iets te vragen, dan weten zij tot wie zij zich moeten wenden. Maar geheel anders ligt de zaak voor de kerkvoogdijen, die niet zijn overge gaan, niet als zodanig ouderlingen zijn, ook niet bevestigd zijn als ouderlingen, geen deel van de kerkeraad zijn, al willen zij daarmee ook van harte samenwerken. Voor hen geldt hun plaatselijk reglement, hun plicht als ieder beheers college, een goed en verantwoord beheer te voeren, enz. 't Zou onnodig zijn om hierop verder in te gaan. Maar wel wordt ook voor hen duidelijk, dat, nu de gemeenten ook financieel een moeilijke en bewogen tijd doormaken, men tot nieuwe bezinning geroepen wordt en samenwerking met kerkeraad en gemeente vaak verdiept en meer bewust moet geschieden. Wat brengt vaak verwarring voor deze kerkvoogdijen? Er komt een schrijven met het op schrift : Aan de kerkeraad en college van kerkvoogden. Natuurlijk wordt hiermede, bedoeld : Aan de kerkeraad en aan die colleges van kerkvoogden (ouderlingen-kerkvoogden), die zijn overgegaan. Het beste is dan ook, dat schrijven aan de kerkeraad te dirigeren, of nog veel juister, den aan de afzender met de beleefde mededeling, dat zij niet zijn overgegaan. Want alle bestaande raden, commissies, enz. enz., door de synode of synodale organen benoemd, en ik denk hierbij aan algemene kerkvoogdijraad, generale financiële raad, aan de prov. kerkvoogdijkamer, aan de colleges van toezicht door de synode benoemd, aan de bouw- en restauratie commissie, aan de orgelcommissie enz., teveel om op te noemen, hebben over de kerkvoogdij niet deel van de kerkeraad, geen zeggenschap. Trouwens ook deze raden en commissies zouden ook over de kerkeraad alleen adviserende bevoegdheid moeten hebben, want zij zijn immers geen ambtelijke vergaderingen. Maar als dit alles duidelijk is geworden en het wordt meer dan tijd om in deze goed te onderscheiden, dan is ook helder, dat de bijdrage voor de generale kas gericht wordt tot de kerkeraad. Deze zorgt voor de inning, maar hier wordt niet gevraagd om een bijdrage van de gemeente, maar van ieder be lijdend lid afzonderlijk. Dit gaat buiten de kerkvoogdijkas om. Hiervoor mag geen geld uit die kas worden genomen en hiervan mag nimmer iets in die kas worden gestort. Het is zeker de vraag, hoe de leden hoofdelijk tot deze bijdrage verplicht kunnen worden en welke rechtsgrond hiervoor bestaat. Maar hierover behoef ik niet uit te weiden. Eén ding is duidelijk, dat in verband hiermee nimmer sancties aan de gemeente kunnen wor den opgelegd. Nu over het quotum. Dat staat in verband met de administratiekosten, van de bestuursorganen, niet van de kerkeraad. Vroeger was het voorge schreven, en terecht, dat bij verandering of verhoging, eerst daarover de bestuursorganen moesten worden gehoord en ook de kerkeraad. Of dit nu nóg zo is, betwijfel ik ten zeerste, hoe wel die eis toch volkomen natuurlijk is en van zelf moest spreken. Maar dit is ook voor de kerkvoogdij, niet overgegaan, duidelijk, dat de quaestor van de classis zich richt in deze tot-de kerkeraad en nimmer tot de kerkvoogdij. Het is dan ook verkeerd gezien, dat de kerkvoogdij hierover gaat corresponderen met de quaestor van de classis of met de secretaris van de Gen. Fin, Raad, of met de quaestor-generaal. Dat heeft de kerkeraad, classis enz. te doen, maar nimmer de kerkvoogdij. Dat ligt niet op de weg van de kerkvoogdij en ook omgekeerd hebben bovengenoemde personen niet het recht zich hierover rechtstreeks tot de kerkvoogdij te wenden. Maar wel kan de kerkeraad, wanneer hij zelf geen geld ter beschikking heeft en overtuigd is, dat de verdubbeling van het quotum verantwoord is, zich wenden tot de kerkvoogdij, niet overgegaan zijnde. Deze heeft volkomen het recht de kerkeraad te vragen, en als de toestand der financiën in de gemeente benard is, heeft ze zelfs de plicht te vragen, of de kerkeraad overtuigd is, dat deze verhoging noodzakelijk is en als deze ook bezwaren heeft, wat hij gedaan heeft, om deze kenbaar te maken. Ook als dit geen vraagpunt behoeft te zijn, dan nog is de aangewezen weg voor de kerkvoogdij om dat geld niet rechtstreeks op te zenden, maar aan de kerkeraad af te dragen. Die blijft in deze verantwoordelijk.
De kerkvoogdij is een gemeente-orgaan, maar zolang ze niet is overgegaan geen bestuursorgaan. Terecht sprak men vroeger en behoorde men ook nu te spreken van gemeente-opbouw en daaraan kan de kerkvoogdij van harte meewerken, maar dan in datgene, wat op haar weg ligt.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 juni 1954
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 juni 1954
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's