De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

van onze Studie-Commissie

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

van onze Studie-Commissie

9 minuten leestijd

De Leer aangaande de Heilige Schrift

III

Het Verbond der genade.

We komen terug op het opschrift van paragraaf 1. Deze nieuwe „Leer" begint met de inhoud van de Heilige Schrift in enkele woorden samen te vatten. Men deed een keuze uit vele mogelijkheden.

In „Fundamenten en Perspectieven" koos men anders. Daar koos men als centrale gedachte : „Het Koninkrijk Gods". Ds. Roscam Abbingh, de hoofdredacteur van , , Woord en Dienst", koos indertijd als centrale gedachte der H. Schrift 't begrip , , Diaconia", d.i. Dienst. Zo kan men nog wel meer centrale begrippen noemen.

Maar leidt niet elke poging tot samenvatting van de gehele inhoud der Schrift in één idee tot een beschadiging van de inhoud?

Het is lange tijd gewoonte geweest bij het Calvijnonderzoek bij hem te speuren naar een centrale gedachte, een oerbeginsel, waarop heel het systeem van Calvijn zou zijn gebouwd. Men heeft daarvoor aangewezen : de gloria Dei in subjectieve of objectieve of subjectief-objectieve zin. Men heeft genoemd : het eeuwig en onveranderlijk besluit Gods, een rein theocentrisch scheppings- en verlossingsidee, de preedestinatie. Ook wel : de voorzienigheid en de preedestinatie of praedestinatie en rechtvaardigmaking.

Maar wat is de zaak bij Calvijn? Hij heeft gegeven en geeft wat de Heilige Schrift openbaart en dat is niet in één centrale gedachte geheel samen te vatten. Daarom heb ik bezwaar tegen deze methode in een belijdenisgeschrift. Men zegt altijd, dat elke richting iets kan bijdragen om de belijdenis der waarheid in het rechte spoor te houden. Dan zou ik willen voorstellen, dat we in dit geval luisteren naar prof. Heering, die in zijn , , Geloof en Openbaring" schrijft, dat men nooit één enkel moment of idee uit de bijbel tot middelpunt kan maken, zonder de hele bijbelse boodschap scheef te trekken. Dit is een heel ernstig bezwaar, dat van hieruit tot onze nieuwe , , Leer" moet worden ingebracht. Merkwaardig dat de inleiding op , , Fundamenten en Perspectieven" ons vertelt : „Welbewust hebben wij in de prediking van het Koninkrijk Gods het uitgangspunt voor dit leerboek gezocht. De centrale plaats, die het Koninkrijk in het Oude en Nieuwe Testament inneemt, ook waar het woord niet wordt gebruikt, gaf ons daartoe de vrijmoedigheid". Maar nu schijnt ook het Verbond der genade de centrale plaats in te nemen. Kunnen er inderdaad twee verschillende zaken op één centrale plaats staan? Of is Verbond en Koninkrijk hetzelfde?

In paragraaf 1 wordt beleden, dat de Kerk de geschriften van profeten en apostelen heeft ontvangen als dê Heilige Schrift. Wat wij hier missen is een heldere belijdenis aangaande het onderscheid van de openbaring van Gods Woord en de te boek stelling daarvan.

Men zou haast geneigd zijn de opmerking te plaatsen dat wij in deze , , Leer" niet een Leer aangaande de H. Schrift hebben, doch eenl inhoudsopgave der Schrift.

Onder dit gezichtspunt zullen de broeders van de Classicale Vergadering de voorgelegde proeve ook eens moeten beschouwen. Beantwoordt dit geschrift aan zijn titel? Aan het slot van het voorwoord staat nog altijd de zin, dat men niet zozeer in formele zin over het gezag van de Schrift wil handelen. Wat bedoelt men eigenlijk met het gestelde verschil van het formele en het materiële gezag der Schrift? Een koning heeft formeel gezag, een raadsman van de koning niet. Toch kan het zijn, dat deze raadsman meer gezag heeft dan de koning, hoewel hij, niet gekroond is.

Bedoelt men in die laatste zinsnede van het voorwoord, dat de Schrift formeel geen gezag heeft, omdat het maar een menselijk getuigenis is? Of bedoelt men wat anders? Als de Synode in gemeenschap met de vaderen wil belijden, zal zij zich toch moeten aanwennen duidelijk te spreken.

Als ik verder paragraaf 1 goed begrijp, wil de Synode zeggen, dat de naam , , boeken van het Oude Verbond" betekent, dat deze boeken alleen over het Verbond der genade spreken. Die indruk wordt hierdoor bevestigd, dat par. 2 en 3 ook van geen andere inhoud schijnen te weten dan het Verbond der genade. Het komt mij voor, dat de uitdrukking , , boeken van het Oude Verbond" nog wel iets anders zou kunnen betekenen. Afgezien daarvan, dat de N.G.B, in artikel IV spreekt van boeken des Ouden en des Nieuwen Testaments, lijkt het mij toe dat deze boeken meer bevatten dan alleen wat op het Verbond der genade betrekking heeft. De naam , , boeken van het Oude Verbond" zou ik dan ook zó willen opvatten, dat in deze boeken beschreven staat wat God in de tijd van het Oude Verbond geopenbaard heeft. Wij spreken immers ook wel van de tijd van het Oude Verbond en de tijd van het Nieuwe Verbond. De termen Oud en Nieuw Verbond zien dus niet alleen op een gesloten Verbond der genade, maar ook op een tijd, waarin dit Verbond gold. De boeken van die tijd bevatten meer dan Verbondsbepalingen en wat daarmee samenhangt.

Ik zou hierover nog graag iets meer horen. Waarom heeft men eigenlijk dat Verbond der genade als centrale gedachte gekozen? Was het om over de schepping en de val, werkverbond en Verbond met Noach, te kunnen zwijgen ?

De boeken uit de tijd van het Oude Verbond bevatten niet alleen de zaken die op het Verbond met Abraham betrekking hebben. Het hele Nieuwe Verbond is ook reeds in het Oude. Immers „het Nieuwe Verbond is in het Oude verborgen en het Oude Verbond is in het Nieuwe openbaar". Het is één Verbond wat betreft het wezen. , , In beide wordt de vergeving der zonden, de zaligheid en het eeuwige leven beloofd, op voorwaarde van in de Middelaar te geloven". (Voorrede N.T.).

Wij lezen ook nog dat God dit Verbond der genade sluit met en van geslacht tot geslacht bevestigt aan het volk, dat Hij verkiest en roept".

Hoe moeten we dit denken?

Er staat niet dat God het gesloten heeft met Israël, maar sluit. Is dat een dagelijkse handeling? Sluit God met elk geslacht een Verbond? Met elk geslacht in de gemeente? Met wie dan? Met de Synode van de Kerk? Met de Wereldraad van Kerken? Ik kom er niet uit.

Ik kan verstaan, dat God een Verbond met Abraham heeft gesloten en dat wij daartoe behoren. Dit Verbond bevestigt Hij van kind tot kind. Maar wat ik 'denken moet bij een Verbond, dat God altijd door sluit, weet ik niet. Misschien is het echter erg eenvoudig. Elk Synodelid op een Classicale Vergadering zal het kunnen verklaren. God sluit een Verbond der genade met het volk, dat Hij verkiest en roept. Roept God volken gelijk? Of roept Hij enkelingen? Welke verkiezing is hier bedoeld en welke roeping?

Ik kan geen zin vinden in de laatste regels van paragraaf 1. Het lijkt mij toe, dat het ondoordacht is of dat hier een heel andere denkwijze achter verborgen is, dan die van de Bijbel en van de belijdenis der vaderen. Dat er staat verkiest inplaats van verkoren heeft, zal misschien iets met de Barthiaanse misvatting van de verkiezing Gods te maken hebben.

Verder zou ik willen vragen of het niet goed is in een belangrijk stuk als het onderhavige een zekere eenheid van zegswijze te gebruiken. Par. 1 spreekt van een Verbond met Israël. Par. 2 weet alleen van een Verbond met de aartsvaders, met Mozes, met David en met het nageslacht van Aaron. Waar is Israël ineens gebleven ? Want de beloften voor Israël geschonken, zijn toch geen Verbond met Israël ? Zo ja, dan is er in de gedachtengang van de Synode ook een Verbond met de volkeren. Rammelt dit stuk der Synode hier niet een beetje heel erg ?

En nu voor ditmaal nog één ding, opdat men op de classicale vergaderingen enige! gespreksstof hebbe aangaande vragen, die weloverwogen zijn.

Ligt achter de keuze van het Verbond der genade als centrale gedachte soms ook dit, dat er tenslotte maar een gedeelte van de Bijbel voor ons van werkelijk belang is ? Wil men de gedachte ingang doen vinden, dat de H. Schrift alleen maar gezaghebbend is in de heilsopenbaring en niet als zij spreekt over de oordelen Gods ? Of anders, dat de H. Schrift alleen maar zonder leugen en zonder dwaling of onjuistheid is in de dingen, die onze zaligheid betreffen. We komen dan uit bij de stelling die indertijd prof. J. A. Cramer ingang heeft willen doen vinden, dat de heilsverkondiging van Jezus Christus in de Schrift het wezenlijke en eeuwige is. Volgens hem was dat ook reeds Calvijns mening. Ik meen echter dat Calvijn hetzelfde heeft geleerd als de N. G. B. in art. II. Het bewijs vinde men in Institutie IV, 8, 7 : „Maar als nu ten laatste de wijsheid Gods in het vlees geopenbaard was, zo heeft Hij ons met volle mond verkondigd al datgene wat met het menselijk verstand van de hemelse Vader kan begrepen en moet bedacht worden".

Deze leer der Heilige Schrift belijdt niet in gemeenschap met de belijdenis der vaderen op dit aangelegen punt.

Het zou mij niet verwonderen als op de classicale vergadering een ouderling of een diaken vroeg, wat voor inhoud de Synode aan het Verbond der genade wil geven. Als men een centrale gedachte naar voren brengt, en daaromheen de Leer der Heilige Schrift wil opbouwen, had men toch minstens moeten formuleren, wat men bedoelt met het Verbond der genade.

Op de tweede paragraaf wil ik nog terugkomen. Nu reeds breng ik onder de aandacht de magerheid van deze paragraaf, die een catechese wil geven over de inhoud van het Oude Testament en het zonderlinge, dat men een Verbond met David en met het nage­ slacht van Aaron construeert dat op z'n hoogst persoonlijke beloften betreft, In Exodus lees ik wel van een Verbond met Israël, doch waar moet ik een Verbond met Mozes zoeken in Exodus 24 ? En hoe merkwaardig is Jeremia 33 er met de haren bijgesleept, terwijl de naam Abraham evenmin genoemd wordt als Adam en Noach. Die eerste, hoofdstukken van Genesis wil de Synode toch niet onder de apocriefe aanhangsels van dit bijbelboek rekenen ? Zo niet, waarom dan over schepping en val gezwegen ? Weliswaar wordt in par. 12 het woord schepping genoemd, doch dat is niet de schepping van Genesis 1 en 2, want de laatste ligt voor het Verbond der genade en de schepping van de Synode ligt in het Verbond der genade. De Synode schijnt van geen werkelijke zondeval te weten. Bij haar loopt de geschiedenis gewoon door. Daar is op de classicale vergaderingen veel te bespreken. Men mag er in September nog wel op terug komen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 juni 1954

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

van onze Studie-Commissie

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 juni 1954

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's