De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Onderwijs

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Onderwijs

7 minuten leestijd

In Frankrijk

We weten allen, vermoed ik, wel zó veel van de Geschiedenis, dat Frankrijk voor ons bekend staat als een R.- Katholiek land. En ongetwijfeld denken we dan aan de zware strijd, die de Protestanten daar (Hugenoten) ook in vreselijke burgeroorlogen hebben moeten voeren tegen de Roomse Staatsmacht. Namen als De Coligny, Navarre, maar ook De Guise, Catharina de Medici e.a., zeggen ons genoeg. En later, omstreeks 1685, heeft Lodewijk XIV er het zijne toe bijgedragen om aan het Franse Protestantisme zoveel mogelijk het beste bloed af te tappen. De Parijse bloedbruiloft (1572) en de herroeping van het Edict van Nantes (1685) staan met een zwarte kool in de geschiedenis van het Franse Protestantisme opgetekend.

Geen wonder, dat het onderwijs hoofdzakelijk in handen was van de kerk en dat was de Rooms Katholieke , kerk. Dus in handen van de geestelijkheid. Zo zou het jonge Frankrijk geheel voor de Roomse kerk behouden kunnen blijven of met geweld weer tot de kerk worden teruggebracht. Want dwang om de kinderen der Hugenoten op de Roomse scholen te plaatsen, was aan de orde van de dag, in de 16e en 17e eeuw vooral.

Dit grote gevaar hebben de Hugenoten wel gezien en het is hun streven geweest, zowel persoonlijk als van hun gemeenten, om de kinderen ander onderwijs te doen geven. Naar hun oordeel was het onderwijs niet allereerst en zeker niet uitsluitend een taak van de kerk, maar veeleer van de ouders. Wilde men vasthouden aan het idee, dat alleen de priester met deze taak was belast, of tenminste hij, die rechtstreeks in het geestelijk ambt met de kerk was verbonden, welnu, het Protestantisme leerde het priesterschap van alle gelovigen. Dan was er dus dubbele, reden om het onderwijs te doen uitgaan van de ouders.

Toen kwamen de , , lekenscholen", uitgaande van de Protestantse ouders, waar niet-geestelijken voor onderwijs en opvoeding zorg droegen, krachtens tweeërlei opdracht; ten eerste namens de ouders en op hun last, en ten tweede krachtens het algemeen priesterschap der gelovigen.

Er zijn tijden geweest dat deze scholen rechtens niet werden vervolgd (1598—1685). Ik zeg rechtens, want als we werkelijk iets weten van de toestanden in Frankrijk in die jaren en van de fanatieke wijze, waarop de Protestanten werden vervolgd en gehaat, dan begrijpen we wel dat óok in de tijd van de godsdienstvrede de toestand der lekenscholen nu niet bepaald benijdenswaardig was. Maar inzonderheid in de jaren van de heftige godsdienst- en burgerstrijd was de schoolstrijd evenzeer als de kerkstrijd, er een van bloed en tranen. Van ondergaan en weer herleven. Want wat Da Costa een paar eeuwen later dichtte :

Bouwt scholen, waai het Evangeliezout van on- en bijgeloof een dierbre jeugd behoudt,

werd reeds toen door de Franse Protestanten verstaan, niet alleen theoretisch, maar ook practisch.

In de tweede helft van de 19e eeuw bleken in Frankrijk nog meer dan 2000 lekenscholen te bestaan.

Helaas kon toen niet meer gezegd worden, dat al deze scholen er op uit waren om de jeugd te bewaren voor on- en bijgeloof. Ja, voor bijgeloof nog wel, want wat deze scholen ook waren. Rooms waren ze niet, integendeel, scherp anti-Rooms.

Maar tegen het ongeloof?

Naast de strijd Reformatorisch— Rooms Katholiek treedt overal, maar toch wel in Frankrijk op het steeds meer loslaten van alle religie en ook van de Reformatorische beginselen. We zouden ook kunnen spreken van de doorgaande ontkerstening van het volk in z'n grote massa.

Het Reformatorische leven verzwakte innerlijk door de liberale theologie en dreigde onder te gaan in een fel anti-clericalisme, terwijl de moderne theologie in zijn midden zijn triumfen vierde. Zó sterk, dat toen omstreeks 1880 bij de nieuwe regeling van het onderwijs in Frankrijk, die in het teken stond van afweer tegen en vernietiging van de heerschappij der Roomse kerk in het onderwijs, de Protestanten hun scholen hebben uitgeleverd aan de Staat. Ze werden nu Staatsscholen. Dus neutraal, die neutraliteit dan aldus opgevat van niet-Rooms. De Protestanten zijn tot deze stap overgegaan in vol vertrouwen op de toenmalige Minister van Onderwijs (in 1882), die Protestant was.

Het is mogelijk, dat deze inderdaad bedoelde, dat de lekenscholen, nu Staatsscholen geworden, zich wat de religie betreft vrij zouden kunnen uitleven, maar de rechtzinnige Protestanten hadden toch moeten begrijpen, dat hun scholen nu voortaan zouden behoren tot de grote groep gelijkgeschakelde scholen, die voor elke overtuiging toegankelijk zouden zijn en waar voor hun rechtzinnig Protestantisme weinig plaats zou zijn. Wel verklaarde de minister, dat het nooit de bedoeling van de regering was geweest om een antigodsdienstige school te krijgen ; wel een anti-clericale, maar géén anti-godsdienstige. Wel voerde ze strijd tegen het politieke Rooms Katholicisme, maar niet tegen het religieuse.

Nu moeten we ons goed voorstellen, dat ook de term religieus in de loop der jaren geweldig was gedevalueerd.

Wat was nog religieus? Wat betekende het nog? Wat was de inhoud? De regering sprak er zelf van : , , De ware moraal is die van de plicht, de moraal van Kant en van het Christendom !"

Religieus, dat was van ultra vrijzinnig tot uiterst rechts. En dat alles in één school. Dat lijkt toch wel erg op alles wat met de neutrale school ten onzent samenhangt in diezelfde 19de eeuw.

Sinds 1850 was er in de wetgeving een bepaling, die sprak van , , zedelijke en godsdienstige opvoeding" in de scholen. (Vergelijk dat met onze christelijke en maatschappelijke deugden).

Deze term was al buitengewoon ruim, gezien de opvattingen betreffende het woord , , godsdienstige" in al zijn aspecten. Toch was dit nog te zwaar voor het ontkerstende Frankrijk; in 1882 werd deze term vervangen door een andere, die moeilijk te vertalen is, maar die zo ongeveer luidt: zedelijke opvoeding tot een goed Staatsburger.

Nochtans hebben de mannen der Protestantse lekenscholen hun inrichtingen aan de Staat overgedaan. Zó ver waren ze over 't algemeen van de basis afgeschoven, de basis waarop hun scholen oorspronkelijk waren gebouwd.

Nu zijn de vrije scholen de Rooms Katholieke scholen eii de Staatsscholen zijn neutraal, dat is in elk geval anticlericaal. Maar verder?

In de voorschriften voor de lagere scholen in Frankrijk stond, dat de kinderen op de school moesten opgevoed worden in eerbied voor God en de godsdienstige idee.

Welke God? Welke gedachte? Want daarnaast was er de bepaling, dat de onderwijzer alles moest vermijden wat de religieuze geloofsvoorstellingen zou kwetsen en verwarring in hun geest zou brengen. Hoe dit alles zou moeten gebeuren en men toch de jeugd „de plichten tegenover God moest leren", blijft voor ons altijd het grote raadsel.

Toch hebben vele Protestanten in Frankrijk geloofd dat dit alles mogelijk is. Zij hebben het ideaal — en ze blijven daaraan trouw —dat de Staatsschool, waarin ze hun scholen hebben opgelost, kan zijn anti-clericaal en toch religieus.

Dit moge het ideaal geweest zijn van de Franse Minister van Onderwijs in 1882 en nog het ideaal zijn van vele Protestanten in Frankrijk, een feit is het dat er zich nog iets anders afspeelt, n.l. bij een groot deel van het Franse volk is opgekomen een toenemende vijandschap niet alleen tegen het Rooms- Katholicisme, maar tegen elke openbaring, van welke religie dan ook, een vijandschap tegen God en Zijn Woord en Zijn dienst. En wel zo aanvallend mogelijk.

En deze vijandschap van het ongeloof heeft zich nu opgeworpen om de Staatsschool te maken tot een ongeloofsinstrument. Om deze te maken tot een school, die de oorlog verklaart aan alles wat religie heet en die daarmee de oorlog verklaart aan God.

Is het niet duidelijk genoeg, als ronduit in 1944 geschreven wordt: Het doei van de Staatsschool is de kinderen te leren te twijfelen aan de Catechismus.

De Rooms Katholieken verwerpen deze Staatsschool. De Protestanten aanvaarden ze, niet zoals het ongeloof dat doet, maar naar de bedoeling, die in 1882 bij de toenmalige Minister van Onderwijs voorzat. Toch is ook bij hen enige bezinning gekomen, toen in 1951 de onderwijsregeling opnieuw aan de orde kwam. Er is toen een subsidieregeling aangenomen voor het vrije onderwijs, van 3000 francs voor elk kind op een , , école libre".

Dat komt dus hoofdzakelijk ten goede aan de bijzondere Katholieke school. Maar ook Protestanten zijn zich af gaan vragen of ook zij vrede kunnen blijven hebben met de Staatsschool, zoals deze zich thans manifesteert. Met het voorbeeld van Nederland voor ogen begint men ook in het Protestantse kamp het pleit te voeren voor vrije Protestantse, door de Staat gesubsidieerde scholen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 juni 1954

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Onderwijs

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 juni 1954

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's