Ik zal Israël zijn als de dauw
Hosea 14 vs. 6a.
Het is de Heere, Die in ons tekstwoord spreekt tot Zijn volk. Jehova, de Zijnde, de Eeuwige, de Levende, Heilige, Vrijmachtige, Onveranderlijke God des Verbonds. Die Zijn werk niet laat varen, maar Zijn Verbond gedenkt van geslacht tot geslacht.
I 't Is een woord, gesproken door de God des Verbonds tot het volk des Verbonds. Gesproken door Hem, Die het goede voor heeft met Zijn volk.
Maar, helaas, wat heeft Israël vaak geleefd op een wijze, volkomen in strijd met de, van God ontvangen onderwijzing, geleefd in opstand tegen zijn God. Het gaf zich over aan de dienst van vreemde goden van de Baals en de Astaroth en de ontuchtigheden, die daarmee gepaard gingen. Talloos waren in Hosea's dagen de zonden bij overheid en volk. Hoovaardij had hen blind gemaakt. Zij staken hun hart aan als een bakoven met hun arglist. Zij vloekteii en stalen en deden overspel, en bloedbad volgde op bloedbad.
Was dat dat volk, dat eens beloofd had altijd naar Gods wil te zullen vragen? En geldt dat volk de belofte van 1 ontfermende genade?
Zij zijn niet allen Israël, die uit Israël zijn. Maar het woord van de tekst geldt allen, die door de Heilige Geest gedreven, tot de Heere wederkeren met verlating van hun afgoden. Allen, die hun uitvluchten laten varen om vluchtende hun toevlucht te zoeken bij God. Wat zien we daarvan veelvuldig in Gods Woord. Als Naomi gaat naar het vreemde land, naar de velden Moabs en daar de Heere God vergeet, dan ervaart ze op bittere wijze dat wie God verlaat, smart op smart te vrezen heeft. Maar als ze dan, van man en kinderen beroofd, in de diepste armoede weerkeert tot der vaderen God, dan mag ze later ondervinden dat de Heere ook haar is als de dauw.
We lezen van de verloren zoon, die alles vergadert om weg te reizen naar een ver land. Ver weg van des vaders huis ! Totdat hij, als alles doorgebracht is, tot zichzelf komt. En opstaat en naar zijn vader gaat en het openlijk uitspreekt, dat hij gezondigd heeft tegen God en tegen zijn vader en het niet waardig is des vaders zoon genaamd te worden.
Maar dan ook smaakt hij de blijdschap dat hem genade geschiedt.
God de Heere wordt niet veranderd en nog altoos geldt de belofte, dat Hij Israël zal zijn als de dauw, voor alle harten, die. boetvaardig tot Hem naderen.
Alleen voor zulken is dit woord van kracht. Er zijn zovelen die als de massa van Israël, Gods Woord verwerpen. Zovelen, die God en wereld beide willen dienen, levend naar het goeddunken van hun zondaarshart.
Voor dezulken geldt de belofte van de tekst niet. Niet voor de geveinsden, die Jezus zo raak typeert in Matth. 23.
De belofte geldt u, als ge bekommert over uw zonde weerkeert tot de Heere.
God zal Israël zijn als de dauw.
Israël, de man, die in de nacht worstelde met God en weende en Hem smeekte, zoals er staat in Hosea 12. De man, die het uitriep : Ontneem mij alles, o Heere, en werp mij terug in de diepte, maar U kan ik niet missen.
Israël het kent zichzelf als Jacob, maar het ontving in de donkerste nacht des levens de naam van Israël. In de nacht des doods, als alles in het vlees verloren gaat, breekt voor het volk van Israël het morgenrood van de dag des levens aan.
En voor dat volk zal de Heere zijn als de dauw.
Dat beeld van de dauw komt in de bijbel veelvuldig voor. In het Oosten had dat beeld rijker betekenis dan bij ons. Alles zou daar verbranden, als niet juist de dauw bijzondere zegen bereidde.
Zegen schenkt de gave der dauw. Als Isaac Jacob zegent, gebruikt hij het beeld van de dauw om met stoffe, lijke zegen te begiftigen.
Mozes zegent eer hij sterft het volk Israël, en de geestelijke zegen komt over Israël met deze woorden : , , Zijn hemel zal van dauw druipen welgelukzalig zijt gij, o Israël, wie is u gelijk? "
Zegen schenkt de gave der dauw. Maar als de dauw achterblijft dan is er de vloek ! Daarom is het woord, door Elia gesproken tot Achab, zo ontzettend : , , Zo waarachtig als de Heere, de God Israels leeft, voor Wiens aangezicht ik sta indien deze jaren daUw of regen zijn zal, tenzij dan naar mijn woord !"
Daar is dus wel grote zegen in dat woord des Heeren voor Israël. Hij wil voor Zijn volk een bron van krachtvernieuwing zijn. In de schepping ontspruit nieuw leven als de dauw neerzijgt. Zo ook, als genade aan de ziel wordt gegund. En dat heeft Israël voortdurend nodig.
Dat wordt ervaren als men verteerd wordt door de stralen van Gods recht, in tijden van biddeloosheid, als het leven kwij'nt en de satan met z'n listen op alle manier werkt om u te maken tot een dorre woestijn.
Ik zal Israël zijn als de dauw, zegt de Heere. Dat , , Ik" des' Heeren gaat altoos voorop. Is dat ook zo bij u? Dan wroet men niet langer in eigen ingewand, want dat alles maakt de dorheid nog dorder, zonder vernieuwing van krachten te schenken.
Niet op de aarde en niet bij het schepsel wordt het nodige gevonden. Maar zoals de dauw een mysterie is des hemels, zo moet ook de genade, waardoor de woestijn zal gaan bloeien, neerdalen van boven.
Dan worden harde harten week gemaakt, dan wordt de stugge wil omgezet, dan raakt de waarschuwing Gods de consciëntie, dan komt een bekommerd hart tot de vrijheid der kinderen Gods.
De dauw brengt nieuw leven. Maar heli beeld van de dauw zegt ons méér.
Het zegt ons óok, dat het Koninkrijk van God niet komt met uiterlijk gelaat, maar inwendig.
Er zijn zovelen, die denken dat zij vroom zijn als ze zich vastklemmen aan vrome uitwendigheden.
De dauw daalt zacht en zwijgend neer. Niemand ziet hem komen. Maar als de dauw er is, dan wordt men dat gewaar door de zegen, die er van uitgaat. Het tere werk van Gods genade gaat dezelfde weg.
Bij de mensen moet vaak veel rumoer de innerlijke leegheid bedekken. Men probeert goed te maken door uiterlijk vertoon wat aan het wezen ontbreekt.
Maar de Heere zal Israël zijn als de dauw. Hij komt met het tedere fluisteren der genade.
Verwacht, neergebogen zielen, maar geen buitengewone dingen. Zeg niet met Naaman : , , ik zeide bij mijzelven". Maar breidt uw ziel uit voor de Heere, als een land, dor en mat, zonder water.
Wij zien er vaak naar uit dat de hemelen mochten scheuren. Dat 's Heeren stem als de donder over ons heen mocht rollen. Maar Zijn weg is meestal
anders. Het is meestal de weg, de onnaspeurlijke weg van de dauw.
En dan verder.
Wij mensen verlangen voor ons leven altijd naar het vele. Veel geld en volle schuren. Het moet alles véél zijn. Daar hebben wij respect voor en daar vinden we onze zekerheid in. Dan zal het ons aan niets ontbreken. Maar dat de weg des Heeren anders is, dat leert Hij ons, zeggende, dat Hij Israël zal zijn als de dauw.
Gesteld eens dat de Heere alle dauw op eenmaal had geschonken. Dan was de zegen veranderd in een vloek.
Maar het is Zijn begeerte te zegenen en daarom schenkt Hij dagelijks nieuwe genade. Zoals het ook met Israël ging in de woestijn. Zij werden dagelijks begenadigd, met manna, hemels brood, verzadigd.
De dorre velden worden bedauwd, juist in die mate, als genoeg is voor één dag.
Gods kind kan de genade niet opdoen bij voorraad of gewicht. Maar het moet leven bij genade van dag tot dag ! Zo houdt de Heere ons klein. En leren we, dat we buiten Hem niets vermogen !
Moogt gij nu zeggen, dat de Heere u is als de dauw?
We zagen, wie die belofte geldt. Ze geldt Israël — de mens, die van genade leven wil en die dus klein is in zichzelf.
In het beeld van de dauw komt dat helder naar voren. Want de dauw, die valt immers het meest in de laagte.
Die wel eens in het bergland geweest zijn, weten dat men op de hoogte der bergen en op de barre rotsen tevergeefs zal zoeken haar dauw.
Maar in de laagte, daar vindt ge de zegen verspreidende dauw.
En als ge nu moet zeggen dat de Heere u niet is als de dauw, dan hebt ge eigenlijk aanstonds uw eigen vonnis geveld. Immers dan is dat omdat ge niet laag genoeg zijt in uzelven. En (misschien in schijn ootmoedig) als een trotse berg de kop naar de hemel beurt.
Ach, wat staan we, als het er op aankomt, allen menigmaal buiten die belofte des Heeren. Dat tonen we door onze woorden. Onze hoogmoed, , onze bitterheid en toornigheid.
Door liefdeloosheid en nijdigheid onder elkander.
God neige onze harten altoos weer en voege ze saam tot de vrees van Zijn Naam.
Ge moogt tot Hem gaan met de bede om Zijn dauw. Zijn zegen. Zijn Geest. En de hemelse Vader zal degenen, die Hem bidden, veel meer de Heilige Geest geven dan gij, die boos zijt, uw kinderen goede gaven weet te geven. De Heere is gebonden, heeft Zichzelf gebonden aan Zijn Woord.
En in uw donkerheid zal het licht doorbreken. •
In uw zwakheid Zijn kracht, in uw ellendigheden Zijn genade, die genoeg zal zijn.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 juni 1954
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 juni 1954
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's