Van onze Studie-Commissie
De Leer aangaande de Heilige Schrift
IV.
2. HET OUDE VERBOND.
De schriiten van het Oude Testament geven uitdrukking aan het Verbond, dat God met de aartsvaders sloot; God schonk daarin Zijn beloften aangaande Zijn heil aan Israël en aan de volkeren., , (Gen. 17 vs. 1—8). Als een uitvloeisel van dit Verbond sloot God het Verbond met Mozes, de profeet; daarin vraagt Hij van Zijn volk dankbare gehoorzaamheid aan Zijn wet. (Ex. 24 vs. 1-11). En God sloot een Verbond met David, de koning; daarin beloofde Hij aan David, dat het hem nimmer zou ontbreken aan een man, die op de troon Israels gezeten is. (2 Sam. 7 vs. 16; 1 Kon. 2 vs. 4; Jer. 33 vs. 17 vlg.). Ook sloot God een Verbond met het nageslacht van Aaron, de hogepriester voor Zijn aangezicht. (Jer. 33 : 18 vlg).
De schriften van het Oude Testament verhalen van de voortdurende ongehoorzaamheid van Israël aan de wet van God en van zijn herhaald breken van het Verbond. Maar ook van de trouw van God, die telkens Zijn eenmaal gegeven beloften herhaalt en bevestigt. En van de hóóp van een rest, die zich bekeert en die verwacht de vertroosting van Israël, welke God zal schenken door een beslissende vernieuwing van Zijn Verbond. (Jer. 31 vs. 31 vlg.; Jes. 59 vs. 20 vlg. - , Luc. 2 vs. 25).
In deze paragraaf ge.eft de Synode een catechisatieles over de inhoud van het Oude Testament. Zij maakt daartoe eerst melding van een Verbond dat God met de aartsvaders sloot. Doch waarom is het Verbond met Noach weggelaten? Met welk recht maakte de Synode een bloemlezing uit hetgeen de H. Schrift openbaart over het Verbond der genade? Was dat Verbond der genade vóór de Verbondssluiting met de eerste aartsvader Abraham niet bekend ?
Heeft God niet op Verbondsmatige wijze met Adam en met Noach gehandeld? Is het misschien de bedoeling van de Synode, dat we voortaan Genesis 1— 11 onder de apocriefe aanhangsels van 't boek Genesis rekenen? Is dit niet het geval, waarom is er dan geen melding gemaakt van het Verbond met Adam, waarvan Hosea 6 vs. 7 spreekt en waarvan de elementen in Genesis 2 voorhanden zijn? En waarom is Genesis 3 VS. 15 niet vermeld als minstens zakelijk wijzend op een handelen Gods dat Verbondsmatig is? Maar als men alleen van Verbond wil spreken als de Schrift die naam gebruikt, waarom heeft men dan niet Genesis 1 vs. 18 en Genesis 9 VS. 9 tot z'n recht laten komen? Het was toch een genadeverbond als God zegt: , , Maar zie, Ik richt Mijn Verbond op met u en met uw zaak na u.... dat niet meer alle vlees door de wateren des vloeds zal worden uitgeroeid". Als men eens begonnen was waar artikel XVII van de Confessio Belgica begint: , , Wij geloven, dat onze goede God, door Zijn wonderlijke wijsheid en goedheid, ziende dat zich de mens alzo in de lichamelijke en geestelijke dood geworpen, en geheel ellendig gemaakt had, zichzelven begeven heeft om hem te zoeken, toen hij al bevende voor Hem vlood, en heeft hem getroost, belovende hem Zijn Zoon te geven".
Het komt mij voor, dat van hieruit het genadeverbond met al zijn vormen en bedelingen als een zeer groot en wezenlijk stuk van de openbaring Gods kan worden gezien. Maar nu begaat de Synode twee boosheden. Eerst beperkt zij de H. Schrift tot het Verbond der genade. En dan laat zij dit Verbond der genade niet bij de aartsvaders beginnen. Misschien moeten we zelfs van een derde boosheid spreken, dat de Synode de rijke inhoud van de Verbondsgeschiedenis zodanig schematiseert en styleert, dat er een mager figuurtje overblijft. Paragraaf 2 spreekt van het Verbond, dat God met de aartsvaders sloot. In Genesis 15 en 17 lezen we van het Verbond met Abraham. In Psalm 105 VS. 8, 9 heet dit „het Verbond, dat Hij met Abraham heeft gemaakt". Daar wordt bijgevoegd , , en Zijn eed aan Isaak." In Gen. 26 vs. 3 zegt de Heere tot Isaak : , , Ik zal de eed bevestigen, dien Ik Abraham uwen vader gezworen heb". In Gen. 35 vs. 12 lezen we : , , En dit land, dat Ik Abraham en Isaak gegeven heb, dat zal Ik u geven". Zou het' niet beter zijn van een Verbond te spreken dat God met Abraham sloot.
Het is immers vernieuwd met Isaak en Jacob? Ik meen, dat wij dan meer in de geestj van de H. Schrift spreken, want ook 't Nieuwe Testament spreekt van Abraham, aan wie de belofte geschied is. Als ik dan verder lees over een Verbond met Mozes, David en het nageslacht van Aaron, prijs ik wel het vernuft van de opstellers van dit schema, doch dan mag ik niet verhelen, dat dit een maakwerk is, waarvoor de H. Schrift verwrongen moest worden. Het is mij niet bekend, om hiermee te beginnen, dat God het Verbond bij de Sinaï met Mozes heeft gemaakt. Waar spreekt de 'Schrift er zó over? In de aangehaalde pericoop Ex. 24 vs. 1—11 lees ik alleen maar over een Verbond met Israël. Mozes neemt in vers 3 de Verbondsvo'orwaarden niet voor zijn rekening, doch al het volk. Mozes is de middelaar van het Verbond, gelijk dat in Galaten 3 heet, doch niet partij. Ex. 24 VS. 7 spreekt de taal van vers 3 en in Ex. 24 vs. 8 zegt Mozes niet: dit is het Verbond, dat de Heere met mij gemaakt heeft, doch Mozes zegt: , , Zie, dit is het bloed des Verbonds, 't welk de Heere met ulieden gemaakt heeft". Ik begrijp niet, hoe een hele Synode met al zijn raadslieden, terwille van een schema, zó. de Schrift anders willen laten spreken dan zij doet.
In , , Hervormd Utrecht" van 12 Maart 1954 schrijft dr. C. Brouwer over het Verbond met David. , , Vooral dit laatste is allerzonderlingst, dat de belofte aan David, dat uit hem de Messias zou voortkomen, hier eenvoudig als een Verbondssluiting naast het Verbond met Mozes wordt genoemd. Tussen die twee is net zoveel soortgelijkheid als tussen een schildersladder en een toonladder. Datzelfde geldt trouwens van het , , Verbond met het nageslacht van Aaron". Dat alles rammelt verschrikkelijk en doet ons bijna twijfelen of de samenstellers het wel ernstig meenden, toen zij in art. 1 beloofden de Schrift te laten zien als , , getuigenis, gave en instrument van het Verbond". Want nu lijkt het of zij voor het Oude Testament alleen maar interesse hebben, voorzover het heenwijzing en voorspelling is van Christus. Mozes schijnt alleen van belang als „profeet", niet als , , wetgever" en naast hem worden dan de , , koning" en de , , priester" geplaatst om het drievoudig ambt van Christus duidelijk te doen uitkomen. Maar is dat de énige waarde van het Oude Testament? Of hebben we hier te doen met de christologische kramp van vele dogmatici, die het Oude Testament alleen maar kunnen zien als het boek der mislukking, als het boek, dat moet aantonen hoe erg de zonde wel gewoed heeft ? "
Ik geef dit lange citaat even om te laten zien, dat wij niet de enigen zijn, die kritiek hebben. Overigens verwondert het mij, dat dr. Brouwer niet heeft opgemerkt, dat reeds het uitgaan van het Verbond alles scheef moet trekken. Wat hij opmerkt over die schildersladder, zou ik zo niet voor mijn rekening nemen. Het Verbond met David heeft wel enig verband met het Verbond met Abraham en het Verbond met Israël, doch dat Verbond met David is ook m.i. niet van zo grote betekenis en invloed, dat het één der drie zuilen van het gehele Oude Testament kan worden geacht. Het is een zijtakje. Daarom kan ik zijn kritiek op het schema m.et instemming vermelden. Alleen begrijp ik niet, dat hij ook van een Verbond met Mozes spreekt.
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 juni 1954
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 juni 1954
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's