Het ontvangen van de Geest
» Dit alleen wil ik van u leren : hebt gij de Geest ontvangen uit de werken der Wet, of uit de prediking des geloofs ? Gal. 3 : 2.
't Gaat Paulus aan het hart, wanneer de gemeente afwijkt van de leer, die naar de godzaligheid is. In de eerste plaats wordt de Zaligmaker er door onteerd en vervolgens verderft de gemeente haar eigen vrede. De dwaalleraars, die na Paulus' vertrek komen, zeggen immiers — want daar komt het op neer — dat wij zélf, door het volbrengen van verschillende, wetsbepalingen, een stukje van onze zaligheid moeten werken. Wij wat en Christus wat. In de practijk wordt dat : wij ongeveer alles en Christus ongeveer niets. De Galatiërs hebben zich mee laten voeren. Ze hebben zich laten bepraten. En Paulus vraagt met ontsteltenis en verbazing : Uitzinnige Galatiërs, hoe is 't mogelijk. Ge lijkt wel betoverd. Hij legt hen enkele vragen voor. Vragen, die bedoeld zijn als puntige pijlen, afgeschoten op hun dwalende ziel, niet om hen te doden, maar om hen te behouden. Dit was een smartelijke zaak. Want het betrof hier geen wereldlingen meer, neen, 't ging over mensen, die de Geest hadden ontvangen. Ja zelfs zijn er onder hen nog wel bizondere krachten des Geestes; openbaar geworden.
't Is dus Pinksteren geworden bij deze Galatiërs. Welnu, zegt Paulus : zeg me nu eens, hoe zijt ge aan die Geest gekomen ? Hoe hebt ge die ontvangen ? Üit de werken der wet of uit de prediking des geloofs ? De apostel neemt de Galaten mee naar het verleden, merkt ge dat? En hij zegt als 't ware : hoe kwam de heilsgenieting in uw leven ? Hoe werd de liefde Gods in uw hart uitgestort? Hebt ge u in de Heere leren verheugen? Door het antwoord hierop wil hij ze de dwaasheid van wat ze nu doen, laten zien. De apostel geeft het antwoord niet eens. Want dat is èn voor hemzelf èn voor de Galaten zo duidelijk mogelijk. Ze zullen nooit kunnen zeggen : 't Is bij ons Pinksteren geworden, doordat wij zelf zo hard werkten en allerlei inzettingen volbrachten. Ze zullen ook niet kunnen zeggen : We hebben zelf wat gedaan en de Heere wat en nu zijn we er zó in geslaagd om de Heilige Geest te verkrijgen, 't Is alleen gegaan uit de prediking des geloofs. De betekenis hiervan is duidelijk. In de prediking was het hen voorgesteld, dat er alleen ver zoening met God was door het bloed van Christus, uit louter genade. Door deze prediking had de Heere met Zijn Geest wonderlijk gewerkt in hun hart, ze hadden de gave des geloofs ontvangen en als arme, schuldige zondaren hadden ze zich leren verlaten op dat verzoenend bloed alleen, 't Was met hen gegaan zoals de Heidelb. Catechismus het zegt, dat ze de hun toegerekende, gerechtigheid alleen door het geloof konden aannemen. En in die weg des geloofs was nu de Geest hun ziel binnengestroomd om hen met volle teugen te doen drinken uit de beek van de liefde en de ontferming des Heeren. Alles uit genade.
Dit is van geweldige betekenis voor het persoonlijke leven en voor de prediking van het Woord des Heeren. Hier wordt immers ook een antwoord gegeven op de vraag : hoe, in welke weg ontvang ik de Heilige Geest? In welke weg wordt het voor mij Pinksteren ? Hoe leer ik roemen in Christus en hoe overstroomt mij Gods liefde zo, dat ik Hem mijn Vader mag noemen en Hem ken als mijn deel en mijn hoogste goed? Ontelbaren zijn over deze levensvragen niet druk. Met allerlei zoekt men de ziel te vullen. Ook op Pinksteren. Vandaar zullen we met deze vraag beginnen : Wat doet de Geest Gods om een zondaar werkelijk heilbegerig te doen vragen : hoe wordt het in mij Pinksteren? Dat ziet ge duidelijk op de Pinksterdag en ook hier in de brief aan de Galaten. Die Geest laat ons het Woord prediken. En in die prediking wordt het ons allen gezegd, dat wij niet van God af zijn. Daar is God, de Heilige, de Rechtvaardige, voor Hem zullen wij moeten verschijnen. Daar komen de zonden, heimelijke en openbare en wie zal dan zijn ziel redden van het verderf? Alles is naakt en geopend voor de ogen Desgenen, met wien wij te doen hebben. Dan komt de prediking en zegt : nu is er niemand, die door het volbrengen van enige wet bij de Heere iets kan verdienen. Het is juist onze verblinding wanneer wij menen door eigen inspanning nog wat te vermogen. Maar Gods Geest slaat met Zijn zwaard, het Woord, deze mening aan gruis. Als 't waar was dat wij door wetswerken de Geest konden verwerven, dan zou nienige Protestant heel wat van de Geest moeten hebben. Maar nu is het juist andersom. Wie door eigen werk er wil komen, weerstaat des Heeren Geest en leeft naar het vlees. In deze weg komt Gods heil nooit in het leven. Wanneer dan ook Gods Geest waarlijk plaats gaat maken in ons hart voor de vraag : hoe wordt het bij mij Pinksterfeest, dan leert Hij ons bevinden, dat wij geen enkele weg hebben van onszelf om tot God te naderen. Onwederstandelijk worden we dan overtuigd van het feit, dat wij niet van God af zijn, dat we niets hebben om onze schuld te betalen, dat we arm zijn en schuldig, dat we verloren, goddeloze mensen zijn die de Heilige Geest niet kunnen kopen. En toch, onze ziel dorst dan naar God ! Hoe zal nu die Geest mijn deel worden, die Geest in mij komen wonen, die Geest, die mij doet smaken het heil des Heeren in Christus Jezus?
Hierop geeft de Geest des Heeren in het Woord een antwoord. Want nu komt de Heere met de prediking des geloofs. Dat wil dit zeggen. Verkondigd wordt, dat de Heilige Geest verworven is, verdiend en betaald. Door wie? Nu wijst de Geest op de Christus. Lees maar die eerste Pinksterpreek van Petrus. Daarin gaat het over de Christus. En Paulus zegt tot de Galatiërs, dat Christus onder hen gepredikt is. De Geest wil dat dat nog steeds geschiede.
Dat is naar de Schrift. De Christus staat daar in het middelpunt als de openbaring des Vaders en als Degene, uit Wien de Geest het neemt om het aan de Kerk te verkondigen. De lijn van de Vader en de Geest tot de zondaar loopt altijd door dé Christus en ook omgekeerd. De Geest roept het daarom de gemeente in de prediking toe : Zie eens wat Christus heeft gedaan ! Hij ging in de dood. Overwon de dood. Is door God aan Zijn Rechterhand gezet en Hij heeft de Geest uitgestort onder de tekenen van wind en vuur. En een iegelijk, die nu die Christus wordt ingeplant, een iegelijk, die nu in die Christus leert geloven, die ontvangt de zalving des Geestes, in diens hart gaat de Geest wonen om het daar feest te maken in de liefdesgemeenschap met de Vader. Als er dus reeds verbrokenheid des harten is, maar nog geen toeeigenend igeloof, dan is het nog geen Pinksterfeest. Als er reeds een vluchten tot Hem, maar nog niet een gelovig omhelzen van de Verlosser is, dan is het nog geen Pinksterfeest. En dat komt er óók niet door kracht of geweld van ons, door werk van ons, rnaar alleen door de Geest des Heeren. Die Geest houdt namelijk onrustig en doet u de Heere achterna klagen. Die Geest gaat in het hart indragen de prediking des gelo'ofs. Die Geest gaat daar de Schriften openen over Jezus. Als die Geest dat doet, dan wekt Hij daardoor de begeerte die Christus te kennen en met die Christus verenigd te worden. Daii komt het bezig zijn met de beloften Gods. Dat vragen en uitzien. Dat hopen op 's Heeren Woord. Maar dan is het nog zo nodig dat die Geest alle bezwaren wegruimt en zó het hart overwint met zijn getuigenis dat ge neervalt aan Jezus' voeten met het toeëlgenende geloof : Mijn Heere en mijn God. Zie, dat is het ogenblik van de doorbraak — om het zo eens te zeggen — des Geestes. Dan is er een vlak veld gemaakt. Dan stroomt de liefde Gods over de ziel uit. Dan komt het lied des geloofs en de stille verheugenis over het heil des Heeren. Dan wordt het eerst recht Pinksterfeest.
Verstaat ge 't nu, waarom het nog geen Pinksteren werd? Waarom ge er altijd zo vlak vóór blijft staan ? Of waarom de Pinksterblijdschap weer . telkens gaat tanen ? Laat ons met het eerstgevraagde beginnen. Als ge de Geest niet hebt met de daaraan verbonden heilsgoederen, dan komt dat, omdat ge niet wandelt in de weg des geloofs. En dan kunt ge in die weg niet wandelen omdat ge geen verloren zondaar zijt voor God en uzelf. Wat zoudt ge dan met geloof : d.w.z. met een zich alleen verlaten op Gods genade in 't offer van Christus ! Ge leeft dan maar door of ge probeert door wetswerken het in orde te maken. Dan zegt de prediking des geloofs u : bekeert u, wederstaat de Geest niet langer ! Als ge zo voortleeft zal de prediking des geloofs moeten strekken tot een vergunning van uw oordeel.
't Is echter ook mogelijk, dat ge met een dorstige ziel u nog altijd zo voelt staan vóór Pinksteren. Ge kent uzelf enigermate in uw schuld en zonde, maar er is nog geen leven uit de volheid van Christus. Met jaloersheid ziet ge op degenen die dat wèl mogen bezitten. De Heere zegt u thans wat u ontbreekt. En als ge waarlijk hongerig en dorstig zijt zult ge dit ook onmiddellijk toestemmen. U ontbreekt het geloof in Christus zó, dat ge Hem uw Borg moogt noemen. Ja, zegt u, zo is het. Dat kan ik niet, dat durf ik niet geloven. Nu weten we wel dat God doorwerkt en wij de Heere niet vooruit mogen lopen. Maar wij hebben toch ook van onze zijde, naar de oorzaken van dit geloofsgebrek te zoeken. Laat ons nu, in verband met onze tekst op één oorzaak wijzen. Ge wilt zelf zo vaak nog wat meebrengen, nog wat meewerken. Ook als ons hart verbroken en verslagen is. Dat kan.
Net zoals er nog wat water zitten kan in een holle scherf van een gebroken vat. Hier of daar schuilt in dat verbroken hart nog een stukje goed werk — zoals wij denken althans. Gebedsgave b.v. of een bepaalde ondervinding. Hoe kostelijk dit op zichzelf ook wezen kan, als verdienste moet het onherroepelijk wegvallen. Dan moeten wij komen als gans hulpelozen. Als we zó komen kunnen we het in onze nooddruft niet uithouden en roepen we tot de Koning, totdat Hij ook óns genadig zij. Daarom roept de prediking des geloofs u toe : Bid de Heere, recht klein en arm te mogen worden. Maar dan ook anderzijds : Als ge zo zijt, denkt ge dat de Christus voor u dan te klein is, dat Hij u niet hebben wil ? Zie eens naar het schilderij dat de Heere u in Zijn Woord van de Christus geeft. Hij komt om zondaren zalig te maken. Werp u met uw ongeloof en kleingeloof voor Zijn Aangezicht neer om de Geest, die Hem verheerlijkt. En als die Geest op het gebed dat doet, 't geloof werkt in uw hart, dan wordt het eerst recht Pinksteren in uw leven, dan komt de volle Geestesstroom, dan wordt de liefde Gods gesmaakt.
Waar dit zo is, bedroef dan de Geest Gods niet door met de Galatiërs af te wijken van de weg des geloofs. De satan wil dat gaarne en deze zegt: Doe dit of dat zelf er nog bij, dan zult ge eens zien. En het hart wil daarnaar nog zo graag eens luisteren. Als ge het doet zult ge voor uw ervaring armer worden. Het geestelijke leven zinkt in. Daarom : laat u niet betoveren, 't Blijft Pinksteren in uw leven en 't wordt steeds meer Pinksteren in de weg des geloofs. In de weg van 't afsterven aan de oude mens en het steeds meer uitslaan van de wortelen des geloofs in Christus. Dat is de weg des Geestes, waardoor Hij steeds dieper u doet graven in de goudmijn van de Verlosser. Dan kan Hij u voeren in Gods binnenkameren waar de liefde des Vaders u kostelijk wordt en de Vadernaam u over de lippen komt.
Gods Kerk heeft daarnaar te staan in de middellijke weg. Opdat 't geloof versterkt worde. En de gemeente meer Pinkstergemeente zij.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 juni 1954
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 juni 1954
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's