DE NIEUWE WEG
Feuilleton
Feuilleton door J. W. Ooms
Een uur later was Freek Boelhouwer al bij Bart Kooijman,
De boer zette uiteen, waarom hij zijn dochter gestuurd had met het verzoek aan Freek om eens te komen praten. En toen Bart Kooijman hem vroeg, of hij als daggelder in zijn dienst wilde komen, was Freek Boelhouwer zó ontroerd, dat hij er tranen van in de ogen kreeg.
„Kooijman, ik ben zo dankbaar, dat je mij vraagt, bij jou te komen werken !" zei hij bewogen. „O, man, als je eens wist, hoeveel verdriet ik heb In de fabriek ! Voor mij is dat fabriekswerk niks waard, ik moet buitenlucht en de polder om mij heen hebben !"
, , Je kunt bij mij aan de slag, " herhaalde Bart Kooijman. Ze spraken over het loon en daar waren ze 't spoedig over eens. Besloten werd, dat de daggelder reeds de volgende week aan de slag zou gaan. Freek Boelhouwer had liever de volgende morgen al bij Kooijman aan 't werk gegaan, maar hij moest bij de fabriek een opzegtermijn in acht nemen.
Toen alles besproken was, zei Bart Kooijman :
„Ik versta best, dat jij geen man bent voor de fabriek. Maar hoe ter wereld heb je destijds op de protestvergadering je zo'n voorstander van die nieuwe verkeersweg kunnen tonen ? Ik geloof, dat daardoor voor jou de narigheden een aanvang genomen hebben, want toen wilde Botermans van je af."
Freek Boelhouwer beaamde dat.
, , Toch kon ik niet zwijgen, Kooijman, " zei hij deemoedig. „Want het is mijn overtuiging, dat deze tijd verkeerswegen, fabrieken en snelverkeer vraagt. De mensen moeten werk hebben om te kunnen leven, om hun brood te kunnen verdienen. Maar wij zijn van een oudere generatie en wij houden het liever bij het oude. Dat is ook de oorzaak, dat ik geen fabrieksarbeider kan zijn. Ik ben daggelder en jij bent boer, het valt niet mee om dat te veranderen. Maar er komen nieuwe geslachten en het zielental van ons land neemt jaarlijks toe.... en daardoor gaat er in ons land ook zo veel veranderen. Er moét veel veranderen, Kooijman. Ook op het platteland, ook hier."
Bart Kooijman knikte.
„Het valt voor ons niet mee om met de veranderingen accoord te kunnen gaan, " zei hij nadenkend. „Het kost strijd. De nieuwe tijd kost mij goed grasland en dat is een hard gelag."
„Wij hebben hier geen blijvende stad, Kooijman, " zei Freek daarop welgemeend en bemoedigend. Ja, dat was het, besefte Bart Kooijman plotseling. Wij hebben hier geen blijvende stad en alles is hier op de wereld onderhevig aan verandering. Daar behoorde hij meer rekening mee te houden in zijn bedrijf en in al zijn doen en laten.
Het grote werk vorderde, de nieuwe weg strekte zich al vele kilometers ver uit door het weiland van de Lage Waard. De kerkeraad, die zich eerst volkomen afzijdig gehouden had van het vreemde werkvolk, deed thans hetgeen haar hand vond om te doen. Elke week werd de consistoriekamer een avond beschikbaar gesteld voor de grondwerkers. De dominee en opzichter Mienema hadden meestal tezamen de leiding van deze avonden. Eerst, bij het begin, hadden ze slechts met vijf en zes man gezeten, doch geleidelijk was het aantal toegenomen en de laatste tijd kwamen wel twintig grondwerkers de bijeenkomsten bezoeken.
Hoewel Bart Kooijman ouderling was, liet hij zich niet op die vergaderingen zien. Hij was het volkomen eens met het werk van de dominee en hij steunde het ook naar vermogen, maar hij kon er niet toe besluiten om een bijeenkomst bij te wonen.
Er kwam een dag, dat hij een moeilijke beslissing kreeg te nemen.
„Vader, " vroeg Martijntje op een avond, „Siebren en ik lopen met elkaar, het is nu al weer heel wat maanden mag hij nu binnenkomen, vader ? "
Bart had te eniger tijd dit verzoek verwacht, doch nu overviel het hem toch nog. Hij gaf niet terstond antwoord op Martijntje's vraag. Hij deed, alsof hij in zijn krant bleef lezen, hoewel de letters voor zijn ogen begonnen te dansen en de zin van het gelezene hem ontging.
Het was doodstil in de woonkamer. De hangklok tikte, doch daardoor scheen de stilte nog dieper en gespannener te worden. Bart begreep, dat zijn dochter een antwoord verlangde. En toen hij na vijf minuten nog altijd niets gezegd had, herhaalde Martijntje haar vraag.
Daarop zei Bart, hoewel zijn vrouw er bij zat:
, , Daar zullen je moeder en ik het nog eens over hebben, Martijntje".
Maar er viel eigenlijk niet veel meer over te praten. Het was duidelijk gebleken, dat Mienema een degelijke jongeman was. De inlichtingen, die Kooijman een tijdje terug reeds over hem ingewonnen had, waren zonder uitzondering loffelijk. Vrouw Kooijman zei, dat Martijntje en Siebren verbazend op elkaar gesteld waren, het was stellig geen voorbijgaand wissewasje, die liefde van die twee. Het was wel een grote tegenslag, dat Martijntje niet met een boerenzoon was komen opdagen, maar liefde liet zich niet dwingen en dringen en het geluk van Martijntje ging haar bijzonder ter harte.
Bart kon er niets tegenin brengen, zijn vrouw sprak verstandige woorden. Todh kon hij nog niet terstond een beslissing nemen. De hele nacht lag hij er nog over na te denken. Hij begreep, dat hij Martijntjes verzoek niet weigeren mocht. Toch viel het hem zwaar om het goed te keuren, want zijn droombeeld viel in scherven. Wie zou er nu na hem op deze boerderij komen ? Wij hebben hier geen blijvende stad had Freek Boelhouwer gezegd. Ja, zo was het. Toch was het moeilijk om te beslissen. Doch de volgende morgen zei hij tot Martijntje :
, , Er komt een nieuwe weg en hier moet dan ook maar een nieuwe weg komen. Mijn uitgestippelde weg gaat niet in vervulling. Je moet Mienema dan maar mee naar binnen brengen "
No. 68
(Slot volgt).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 juni 1954
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 juni 1954
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's