Van onze Studie-Commissie
De Leer aangaande de Heilige Schrift
V. HET VERBOND.
En dan het Verbond met de nakomelingschap van Aaron. In Jer. 33 wordt de naam Aaron niet genoemd. Dit gedeelte van Jeremia komt in de Septuagint niet voor. Tekstkritisch is het dus niet zo vast een deel der H. Schrift, dat men er een zuil van de boeken van het Oude Verbond zonder tegenspraak op kan funderen. Prof. Aalders spreekt in zijn boek Het Verbond over een Verbond met Levi en de priesters. Hij oordeelt dat van dit Verbond gesproken wordt in Num. 18 vs. 19, Jer. 33 vs. 21, Neh. 13 vs. 29, Mal. 2 vs. 4. Zijn conclusie is, dat er nog in de woestijn een Verbond met Levi is gesloten, met ais inhoud, dat alleen uit die stam priesters zouden worden genomen. Ik beveel dit gaarne ter nadere bestudering aan van onze, Oud-Testamentici. Voorlopig vind ik de naam van Aaron tamelijk willekeurig gekozen, misschien omdat hij zo aardig de priester kon vertegenwoordigen in dit schema. M.i. moet zowel de naam van Mozes als die van Aaron er uit vallen. En dan is het voor mij toch ook de vraag, hoe men het construeren wil, dat de belofte aan Aaron, in Christus is vervuld, dat uit het nageslacht van Aaron altijd een priester zou dienen. Is Jezus Christus uit het nageslacht van Aaron? Is dat een geoorloofde toepassing? Zo'n stuk van de Synode moet toch zó wezen, dat het onaanvechtbaar is. Een commissie van de allerbesten uit de kerk, zonder dat er naar richting of vrienden is gekeken, heeft het opgesteld en daarna is het in de Synode alleen maar verbeterd. Zo is het toch?
Als we dan tot het slot naderen van deze paragraaf, is de vraag wel gewettigd of de boeken van het Oude Testament niet meer bevatten dan verhalen over de ongehoorzaamheid van Israël? De commissie, die deze paragraaf opstelde, was zo blij dat zij niet behoefde te zeggen, welke boeken gezag hebben — dat zou zijn in formele zin over het gezag handelen — maar dat zij mocht opnoemen welke inhoud der Schrift gezag heeft. Doch is dat nu alleen wat over het ongeloof van Israël verhaald is? Door geloof zijn de muren van Jericho gevallen, door het geloof heeft Abraham geleefd en zijn geloof is niet beschaamd geworden. Daar zijn boeken vol psalmen en spreukenwijsheid, daar is het leven van David, toen hij nog geen koning was, met al de uitreddingen Gods. Daar is zo'n rijkdom in de boeken van het Oude Verbond, waaruit de kerk Gods in de nieuwe bedeling getroost en bemoedigd wordt, ziende deze wolk van getuigen. Maar 't schijnt alsof de Synode van dit alles niets weet. De paragraaf spreekt alleen van ongehoorzaamheid. De Synode moest eens in de gereformeerde geloofsleer bladeren en eens wat lezen over de verkiezing, waardoor God in Israël in ieder geslacht Zijn gemeente had, van welke gemeente Hebreen 11 roemt.
Het is goed, dat er van de trouw Gods gesproken wordt, doch ook deze wordt beperkt tot een herhaling der beloften. God heeft blijkbaar geen volk gehad onder Israël, dat met een ernstig voornemen naar de geboden Gods begeerde te leven. Daar was alleen maar een ongehoorzaam volk, en dan zweefden de beloften ergens in de lucht. Want als er alleen maar een ongehoorzaam volk is, is er ook niemand die de beloften Gods gelooft.
Nu schijnt daarvan de laatste alinea te spreken. Ik heb er enige moeite mee gehad om te begrijpen, wat er mee bedoeld wordt. Eerst dacht ik dat er sprake was van een belofte, dat er een rest zou overblijven. Maar nu neig ik tot de gedachte, dat de Synode bedoelt, dat de Schriften van het Oude Testament verhalen van de hoop van een rest, die zich bekeert. Als dit laatste bedoeld is, was het misschien duidelijker geweest, wanneer er gestaan had dat God, temidden van veel ongehoorzaamheid, . een volk had in Israël, dat zich verheugde in Gods verlossingen en dat uitzag naar verdere vervulling der belofte. Daar waren toch de stillen in den lande, die niet alleen hoopten, doch die ook Gods nabijheid ondervonden. Abraham heeft de dag van Christus niet alleen gehoopt, doch ook gezien. Het onderscheid tussen het Oude en Nieuwe Verbond wordt scherp aangegeven. Het was onder Israël schijnbaar alleen ontrouw, belofte en hoop, meer niet. M.i. is er een veel grotere eenheid tussen de twee Verbonden. Het was dezelfde God en hetzelfde geloof en dezelfde vergeving van zonden. Beide, de vrome van het Oude en de vrome van het Nieuwe Verbond verheugden zich in de weldaad van de verzoenende gemeenschap met God. Het licht in de tijd van het Oude Verbond is zwakker dan in de tijd van het Nieuwe Verbond. Maar wat de vromen van het Oude Verbond bij het licht van hun tijd lazen in Gods Woord, was niet minder rijk. Luther zei eens, dat men in de psalmen de heiligen in het hart zag. In de psalmen kan men zien wat de vromen van het Oude Verbond in hun God hadden. Vergelijk dat eens met de gezangen van de Hervormde Kerk ! Ik acht de psalmen veel rijker. Als men tot op de grond der dingen wil gaan, moet men de psalmen zingen. En als men op de toppen van Gods bergen w'il ademhalen moet men de psalmen zingen. Maar van dit alles schijnt de commissie, die deze paragraaf opstelde, en de Synode, die haar voor haar rekening nam, zich niet genoeg rekenschap te hebben gegeven.
Nu heb ik nog één opmerking. Het slot van paragraaf 2 spreekt van een beslissende vernieuwing van Gods Verbond. Daar wordt Jer. 31 vs. 31 bij aangehaald. Vergeet men niet, als men deze vernieuwing ten volle geschied laat zijn met de eerste komst van de Heere Jezus, dat er iets niet klopt?
In de profetie van Jeremia wordt nadrukkelijk uitgesproken, dat er geen predikers van het evangelie meer nodig zullen zijn in de tijd van het Nieuwe Verbond. Ook zal de wet Gods niet meer tegenover de mens staan, doch in zijn binnenste geschreven zijn. 't Komt mij voor, dat de eerste komst van Christus slechts een gedeeltelijke vervulling van deze profetie heeft gebracht. Wij zijn nog in veel gelijk met de kerk onder het Oude Verbond. Ook wij zijn in hope zalig, verwachtende de tijd, dat we zonder zonde Gode zullen leven. Vandaar dat m.i. de boeken van het Oude Verbond in alles nog grote betekenis voor ons hebben. Doch dan hebben wij het voorrecht, dat wij ze mogen lezen in het licht van de openbaring, die in Christus Jezus is gegeven. De wijze waarop alzo deze paragraaf de inhoud van de boeken van het Oude Testament weergeeft, doet tekort aan de rijke betekenis daarvan. De Ned. Geloofsbelijdenis zegt ook van deze geschriften : Alle deze boeken alleen ontvangen wij voor heilig en kanonlek, om ons geloof daarnaar te reguleren, daarop te gronden en daarmee te bevestigen. En wij geloven zonder enige twijfeling al wat daarin begrepen is.
L. V.
P.S. De emanatie-theorie, die uit het woord , , uitvloeisel" spreekt, lijkt mij meer gnostisch dan bijbels.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 juni 1954
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 juni 1954
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's