Doopspractijk
In het veertiendaagse Enigheid des Geloofs schrijft ds. Kret over de Doopspractijk. Hij heeft nogal bezwaren tegen de wijze, waarop maar gedoopt wordt in de Hervormde gemeenten. Men heeft de stellige indruk dat de ouders met stalen gezicht staan te liegen, als ze hun ja-woord geven. Moeten we maar dopen al wat zich in het Doophuis aanmeldt ? Moet er niet een tucht geoefend worden rondom het sacrament van de Doop ? Wanneer er tucht geoefend werd, zou dit vanzelf ook de Doop beschermen, dunkt me.
Maar wat moeten en mogen we van onze ouders verlangen ? Kerkgang ? Moet een van beiden lidmaat zijn of minstens dooplid ? Moet er op een of andere manier een redelijke garantie zijn, dat de ouders werkelijk hun kinderen enigermate christelijk en godzalig grootbrengen ? Allemaal vragen. Ik heb ook wel eens gedacht, precies als ds. Kret, dat we wat serieuser moeten optreden in de toelating tot de Heilige Doop. Ik meen zelfs in de artikelen te lezen dat ds. Kret zijn zienswijze in practijk brengt in zijn gemeente. De benauwende gedachte bekruipt ons, dat we met een alles dopen, wat in het Doophuis komt, de paarlen werpen voor de zwijnen. Toch aan de andere kant moeten we niet te vlug er bij zijn om de palen te verzetten. Er zijn zovele ernstige en heilige mannen ons in dezen voorgegaan, dat we met onze jeugdige voortvarendheid niet te snel moeten optreden.
Ik voor mij denk vaak aan de besnijdenis, waarvoor de Doop in de stee kwam. Aan de besnijdenis als teken onder het oude verbond. God bevestigt Zijn verbond van kind tot kind. Dat wil niet zeggen, dat soms niet schakels uitvallen. Het duidelijkst kunnen we dat waarnemen aan het heilige geslacht, de heilige linie, waaruit onze Heere is voortgekomen. Vele goddeloze koningen komen voor in de lange lijst. Al ontbreken de gegevens toch heb ik voor mij de indruk dat, toen het eenmaal ingeburgerd was, de besnijdenis steeds is toegepast ook in de tijden van het diepste verval en de grootste afgoderij. Gebruiken als besnijdenis en de Doop blijven lang gehandhaafd ondanks de verachtering en geesteloosheid. Het teken wordt niet eens verstaan. Maar gedurende de dieptepunten van Israels geschiedenis heeft het afkerige, afhoererende volk als het ware gehangen aan dit zinledig geworden teken van het verbond, waaraan de Heere nochtans gedacht. Wellicht was de besnijdenis sommige perioden het enige wat het volk nog verbond met zijn God.
Ja al zou zijn aan te tonen, dat er eeuwen in Israels bestaan geweest zijn, dat de besnijdenis niet werd verricht, dan blijft toch de vraag of dit niet een eigenmachtigheid van het goddeloze volk was of een inderdaad juiste beslissing om het verbond heilig te houden.
De doop is in de plaats van de besnijdenis. Ik geloof niet, dat een enghartige doopspractijk geboden is. Ten dezen ligt het naar mijn besef ook niet gelijk voor doop en avondmaal. De tucht rondom het avondmaal moet strenger zijn. Zelfs het veelal belachelijk gemaakte en met verontwaardiging van de hand gewezen argument: , , opoe wil het zo graag" heeft mij toch iets te zeggen. Het geldt hier immers het verbond. Het is me ook wel eens opgevallen in gesprekken en bij lectuur, dat God Zijn genade verheerlijkte in harten van zondaren, die in het geloof niet werden opgevoed of nauwelijks. Ik denk nu ds. Kievit dezer dagen ontslapen is — aan een voorrede van zijn hand in het boekske : Pelgrimszangen.
„In de waarheid werd zij! (Jansje Zondag) helaas niet opgevoed, hoewel zij een godzalige grootvader had, die haar als jong meisje vaak meenam in het verborgene, om met haar te bidden". Doet u dat wel grootouders, die wel eens uw droeve zorg uitspreekt, dat uw kleinkinderen zo weinig horen thuis ? Neemt u ze wel eens mee naar de lieflijk geurende troon der genade in het verborgene ? „Opoe staat er op, en wij willen het oude mens niet voor het hoofd stoten". Wat een onverschilligheid. Dat is onze eerste reactie. Maar, zo vragen we ons af, wat kan daar achter zitten. Misschien weet opoe ook van Gods "verborgen omgang, die zielen vinden waar Zijn vrees in woont". Zouden wij goed gedaan hebben, dat wij het teken van het verbond weigerden aan iemand in wiens hart de Heere straks genade verheerlijken wil ? Het kan toch. Moeten wij met het doopwater de Geest achteraan lopen, waar Die werkt, of komt de Heere met het teken Zijn Verbondsgenade voor ?
Natuurlijk moeten we de ouders, die de doop begeren, vermanen. Dat moeten we zeer ernstig doen en dringend, zonder echter vleselijke affecten na te jagen. Vermanen zonder ophouden. Maar voorzichtig met het stellen van kenmerken. Dat is een glibberig pad. Wie daar een stap op zet glijdt snel verder. Eerst uiterlijke garantie als kerkgang etc. Straks uiterlijke blijken van genade. Ik zie het eind niet van die weg. Iets anders is — ik herhaal dit duidelijkheidshalve — dat de tucht moet geoefend worden in de gemeente. Voor de Doop zal dat gevolgen hebben. Maar ds. Kret moet me niet kwalijk nemen, dat ik voorstander ben van een ruime doopspractijk. Tenzij hij mij overtuige van .zijn visie. Maar mogelijk geeft dit artikeltje hem ook te denken.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 juni 1954
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 juni 1954
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's