RAPPORT van de Vereniging van Vrijzinnige Hervormden in Nederland
PROF. DR. J. SEVERIJN
II.
, , Wij verheugen ons over het feit, ", zo vervolgt het Rapport, „dat de Synode de waarde van het wetenschappelijk Bijbelonderzoek erkent".
Daarna worden enkele voordelen van dat onderzoek opgesomd. Tot dusver een vrij onschuldige opimefking, waarmede iedereen het eens kan zijn. Het Is waarlijk heel wat anders, als een gelovige Israëliet een offerande brengt dan wanneer een heiden zulks doet, hoewel de uitwendige handelingen grote gelijkenis vertonen.
En nu zegt het rapport o.a., dat het wetenschappelijk onderzoek onderscheld en overeenkomst nagaat in godsdienst en cultuur van Israël en de na apostolische, gemeente met die van de volkeren rondom.
Die wetenschap echter kan toch niet verder gaan dan de dingen, die voor ogen zijn, m.aar zij kan over het inwendige leven van de offeraar niet oordelen.
Het onschuldige van de zoeven gememoreerde opmerking gaat enigermate verloren in de volgende zinsnede : , , Wij begrijpen, dat het voor de Synode wat moeilijk is om uit te spreken, dat onder de letterkundige vormen, hier bedoeld, ook sage en legende behoren, maar zijn toch dankbaar, dat hier te verstaan wordt gegeven, dat de rationalistische, letterlijke opvatting van de Bijbel, zoals die in brede kringen v^an onze kerk in zwang is geweest eij nog wel is, aan de Schrift onrecht doet". (Wij cursiveren. S.).
Ook sage en legende ! Naar de Vrijzinnige Commissie begrijpt, is het voor de Synode wat moeilijk is om dat zo te zeggen. Dat onderstelt dus, dat de Synode wel sagen en legenden in de Bijbel vindt, maar aanleiding heeft om dat zo duidelijk niet uit te drukken, dat iedereen het begrijpt. Het schijnt vooralsnog vooreerst voldoende te zijn als de Vrijzinnig'heid het begrijpt.
Voor wie laat de Synode dat dan ?
Mogelijk om de orthodoxie een weinig te ontzien? Het lijkt waarlijk op een soort insinuatie en de Synode zal dit o.i. ook zo gevoelen. Zo niet, dan staan wij voor een geval van opzettelijke onklaarheid, om geen erger woord te gebruiken.
Wat voor belang heeft de Commissie der Vrijzinnige Vereniging er bij, om sagen en legenden in de Heilige Schrift te vinden en welk belang onderstelt zij bij de Synode om zulk een standpunt te bewimpelen?
Wat de eerste vraag betreft, daarop geeft zij zelf het antwoord. Zij betuigt immers haar dankbaarheid, „dat de Synode te verstaan heeft gegeven, dat de rationalistische, letterlijke opvatting van de Bijbel aan de Schrift onrecht doet".
Heel erg duidelijk is 't niet, wat hier met een rationalistische, letterlijke opvatting is bedoeld, maar wij vrezen, dat zij het geloofsstandpunt der Nederlandsche Geloofsbelijdenis bedoelt. Indien dat zo is, mogen wij concluderen, dat de kwalificatie rationalistisch dan wel ten zeerste 'misplaatst is.
En als de Synode dat heeft te verstaan gegeven, zoals de Commissie onderstelt, zou zij derhalve de Nederlandsche Geloofsbelijdenis op het meest fundamentele stuk, dat de kerk van Christus belijdt, gewraakt hebben. Zulk een standpunt zou met meer recht als rationalisme kunnen worden aangemerkt, aangezien alleen rationalistische overwegingen er toe kunnen leiden het geloofsstandpunt te verwerpen.
Het eigen standpunt van de Commissie is dat van een vaart tussen Scylla en Chargbdis, hetwelk zij, zoals wij gezien hebben, ook aan de Synode toeschrijft.
Dit standpunt onderstelt alzo een onderscheidingsmaatstaf tussen het goddelijke en het menselijke, welke bij de mens zou moeten liggen. De mens zou over het al of niet goddelijk karakter van het getuigenis beslissen. Bedoelt men dit niet, dan valt de klove tussen Heilige Schrift en openbaring. De Heilige Schrift is geen Godsopenbaring, maar de openbaring bedient zich van de Bijbel en de Schrift zou alleen daarom heilig heten, omdat God zich er van bedient, niet, omdat zij goddelijke Schriftuur is.
Wij zijn geen bewonderaars van de door het rapport göbruikte uitdrukkingen goddeliike en menselijke factor. Wie zal de beide onderscheiden? Waar begint en waar eindigt het goddelijk doen, daar ook de mens in alles afhankelijk is van zijn Schepper?
Maar in de opvatting, dat de openbaring zich van de Bijbel bedient, kan deze overigens als een geheel menselijk boek gelden en waarom zou de openbaring zich ook niet van enig ander, menselijk boek bedienen? Van een goddelijke iactoi komt dan wel heel weinig terecht.
En als men dat toch ook niet wil, waarom dan toch getornd aan de confessie der kerk op dit fundamentele stuk ?
Na de inleiding ontwikkelt het rapport 6 hoofdbezwaren.
1. Over de doelstelling.
, , Het is onjuist bannen de Hervormde Kerk te spreken van DE leer aangaande de Heilige Schrift".
Het woord leer wordt volkomen rationalistisch opgevat als theorie over de Bijbel.
De Ned. Geloofsbelijdenis geeft dus naar deze beschouwing een theorie over de Bijbel.
Dit bevestigt al weer de indruk, die men telkens in de discussie over de belijdenis der kerk met vrijzinnigen krijgt, dat men langs elkander heen praat.
Geen gelovige, die de belijdenis aangaande de Heilige Schrift van harte onderschrijft, heeft daarin met een theorie van doen. Wat de belijdenis omtrent de Heilige Schrift getuigt, is niet anders dan geloofsgetuigenis op grond van geloofsbeleving. Maar dat is geen theorie ! Theorieën, gelukkige en ongelukkige, vindt men in de theologische beschouwingen daaromtrent. Het geloof zegt, dat het zo is, terwijl theorieën trachten te verstaan (theorie heeft iets met zien te maken), hoe dat in zijn werk gaat. De theorie wil van buiten af indringen in het wezen, naar het voorbeeld der Grieken. Het geloof, dank zij de openbaring, is geestelijk en wordt bij wijze van spreken , , van binnen uit" bij de waarheid bepaald.
Daarom kan men de leer der Schriften niet vertalen met de uitdrukking theorie der Schriften. Dat is een dooréénhaspelen van het geheel eigene, der openbaring, het voorrecht van het Ouden Nieuw-Testamentische Israël, en het wijsgerig intellectualisme van de Griek.
Het is dan ook zó, dat de belijdenis aangaande de Schrift, wel een leer, een leer des geloofs, maar geen theorie mag genoemd worden.
Overigens behoort men in de Hervormde Kerk aangaande de Heilige Schrift te leren in overeenstemming met het geloof der Kerk.
Er is geen enkel geloofsstuk, waarin de kerk zo algemene eenstemmigheid kan en moet eisen dan juist aangaande de Heilige Schrift.
Het geloof van de Kerk der eeuwen zegt, dat de Heilige Schrift Gods Woord is. Dit is een feit des geloofs en niemand, die zich bij de Kerk van de Christus der Schriften wil voegen, heeft het recht de erkenning van dit feit uit de belijdenis te verwijderen.
De leer in dit verband is derhalve een actueel en levend geloofsstuk. Haar vertaling is niet theorie, maar geloof. Het geloof aangaande de Heilige Schrift en het is de Heilige Schrift als het levende Woord Gods, die dat geloof werkt. , , Zo is dan het geloof uit het gehoor en het gehoor door het Woord
Gods". (Rom. 10 vs. 17).
S.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 juni 1954
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 juni 1954
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's