Van onze Studie-Commissie
De Leer aangaande de Heilige Schrift
Merkwaardig is ook dat dit geschrift direct begint met de Heilige Schrift en met het Verbond der genade als dé inhoud daarvan, maar dat er niét gerept wordt over de verhouding tussen de Openbaring Gods in wijdere zin en de Heilige Schrift, en evenmin over de Openbaring Gods in de schepping, en over de verhouding van die en de Openbaring Gods in de Schrift.
Het lijkt mij, dat deze belangrijke punten in dit geschrift niet hadden mogen ontbreken. De Openbaring Gods in de Heilige Schrift staat toch ook in dié verbanden. De Heere heeft ons Zijn Woord, de Heilige Schrift, gegeven, en er voor zorg gedragen, dat wij die Schrift zouden hebben (opmerkelijk, dat in dit geschrift over die zorg ook niet gesproken wordt, in paragraaf 6, die handelt over de Kanon !), opdat wij Hem, Die onze Schepper, Wetgever en onze Verlosser en Rechter is, recht zouden kennen. Maar daarom mag men toch in een geschrift, dat handelt over de Schrift, niet nalaten, eerst ook het punt van de Openbaring Gods in wijdere zin en van de schepping aan de orde te stellen.
De Ned. Geloofsbelijdenis doet dit ook en een dergelijke gang van zaken vindt men eveneens in de dogmatische werken van Calvijn en Bavinck.
Intussen, dit geschrift handelt dus eerst over het Verbond der genade. Reeds werd door ons andere lid der commissie opgemerkl; , dat over de schepping en over datgene wat wij aanduiden als het werkverbond, de verhouding, waarin de Heere Zich plaatste tot de mens vóór de val, en over de val en de gevolgen daarvan, niet gesproken wordt. Waarom ontbreekt dit? Komt hier soms om de hoek kijken het gevolg van het feit, dat men, terwijl men uit een verschillende theologisch kamp komt en verschillende theologische opvattingen huldigt, samen dit geschrift wilde opstellen en nu bepaalde dingen, waar 'men verschillend over dacht, heeft weggelaten? Zijn er immers niet, die het historisch karakter van de eerste hoofdstukken van de Heilige Schrift in twijfel trekken ? En zijn er óok niet, die aan deze hoofdstukken een wonderlijke, typologische uitleg geven, als zou alles hier teken van Christus zijn en als zou de schepping haar grond en rechtvaardiging in Christus hebben en ook alleen vanuit Christus gekend kunnen worden?
In elk geval mogen wij hier ook déze, vraag stellen, n.l. hoe men over het Verbond der genade recht spreken kan, als men eerst niet spreekt over de schepping, met name van de mens, over de verhouding, waarin God Zich tot de mens stelde, de wijze, waarop Hij met hem wilde omgaan, en over de zondeval en haar gevolgen. Begint de Heilige Schrift zelf daar ook niet mee en komt ze daar niet meer dan eens op, terug? En de betekenis en inhoud van het genadeverbond zijn toch niet recht te vatten, als men eerst niet let op dat andere, — het genadeverbond staat in nauw verband daarmede ! Men kan zelfs wel zeggen, dat dit Verbond een bepaalde vorm is van het oorspronkelijke Verbond, dat God met de mens heeft opgericht. Het heeft die vorm gekregen, in verband met de zondeval.
Gaat men! over het genadeverbond spreken, zonder iets te zeggen over de schepping, de val, de zonde en het rechtvaardig oordeel Gods daarover, dan doet men allicht aan de betekenis en rijkdom van dat Verbond tekort. De diepere noties er van ontbreken, en ook al bedoelt men het niet — het heil Gods, de genade, blijft dan iets, dat boven het leven blijft zweven.
Ook met het oog op het bijzonder karakter van het gezag van de Heilige Schrift in het leven van de mens, is het niet juist, in het geheel niet van de zonde van de mens te spreken. Er is blindheid en vijandschap bij de mens tegen het Woord Gods en beide moeten worden weggenomen. Handhaaft de mens zich in beide, dan is hij daarin nooit te verontschuldigen, reeds vanwege de verhouding waarin hij krachtens de schepping tot God staat.
Als gevolg van 'het feit, dat niet gesproken wordt over de schepping, de val en de zonde, wordt in paragraaf 2 van het geschrift ook niet, of weinig, gerept van de plaats en de functie van de Wet in het genadeverbond. Er staat alleen, dat „ God in het Verbond met Mozes van Zijn volk dankbare gehoorzaamheid aan Zijn Wet vraagt en verderop wordt nog wel gesproken van de voortdurende ongehoorzaamheid van Israël tegenover die Wet van God, doch dat de Wet ook een ontdekkende betekenis heeft en een , , tuchtmeester" is tot Christus, daarover vinden wij hier niets. En dat mag toch, dunkt ons, in een uiteenzetting over het Oude Verbond, al is die nog zo summier, niet ontbreken. En dit kan niet ontbreken, als het genadeverbond gesteld wordt in de verbonden, waarin het staat, n.l. de schepping, het werkverbond, de zondeval en de gevolgen van die.
Wat nu paragraaf 3 van het geschrift betreft, die handelt dus over het Nieuwe Verbond. In deze paragraaf wordt dat dan aldus onder woorden gebracht, dat de Schriften van het Nieuwe Testament ervan getuigen, hoe God Zijn Verbond vernieuwt. Jezus Christus de hoogste Profeet, de enige Hogepriester, de eeuwige Koning, verschijnt, en nu schenkt God Zijn heil aan de gemeente uit Israël en uit de volkeren. Door Zijn kruis breekt Christus de tussenmuur tussen Israël en de volkeren weg, verzoent Hij de gemeente uit Israël en de volkeren met God. Door Zijn opstanding en verhoging aanvaardt Hij de heerschappij over alle macht in de hemel en op de aarde en wordt Hij de koninklijke Herder van het volk van het Nieuwe Verbond. Door de uitstorting van de Heilige Geest legt Hij Zijn woorden in de mond en in het hart van de apostelen en Hij draagt hun op de prediking van Zijn Koninkrijk en de bediening der verzoening. Jezus zelf zeide : „Onderzoekt de Schriften, die getuigen van Mij", en de apostelen, door de Heilige Geest geleerd, betuigen uit de Schriften van Mozes en de profeten, dat Jezus is de Christus. Al wat de profeten hebben geschreven wordt dienstbaar aan het onderricht en aan de vertroosting van de gemeente van het Nieuwe Verbond. De prediking van de apostelen is de toepassing van de beloften van het Oude Verbond op de gemeente van het Nieuwe Verbond. En deze prediking, die de bevestiging is van de prediking der profeten, is van kracht, totdat Christus, de verborgen Herder en Koning, komt en de hemel en de aarde voorbijgaan.
In het begin van deze paragraaf wordt dus gezegd, dat het Nieuwe Testament ervan getuigt, dat God Zijn Verbond vernieuwt en dat deze vernieuwing dus bestaat in het feit, dat Christus komt en het heil des Heeren geschonken wordt niet alleen aan Israël, maar ook aan de volkeren. Bij de bespreking van paragraaf 1 en 2 is reeds gewezen op de kwestie van Oud en Nieuw Verbond. Men kan het natuurlijk niet zó stellen, alsof het Verbond, waarin sprake is in het Nieuwe Testament, het Nieuwe Verbond is, en dat in het Oude Testament het Oude Verbond voorkomt.
Het Nieuwe Verbond laat immers duidelijk de rijkdom van het genadeverbond zien, n.l. dat er in dat Verbond beloften liggen, maar ook verplichtingen, de eis van vertrouwen aan het Woord Gods en van gehoorzaamheid aan de Wet Gods, en dat de mens aan die verplichtingen nooit kan voldoen, dat de mens zo nog meer ligt onder het oordeel des doods en zeker geen recht heeft op de verkrijiging der beloften, doch dat de Heere Zelf hem geven wil, wat Hij van hem eist, en daartoe Christus en Zijn Heilige Geest geeft, en dat er zó in die weg nog af-wending van het oordeel des doods en een verkrijgen van het recht op het eeuwige leven voor de mens mogelijk is.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 juli 1954
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 juli 1954
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's