Van onze Studie-Commissie
De Leer aangaande de Heilige Schrift
In het Nieuwe Verbond ligt duidelijk de gave der schuldvergeving door Christus' werk, — en van het nieuwe hart, door de Heilige Geest, opgesloten. Tevens, dat die gave ook aan anderen, dan alleen aan Israël, geschonken wordt. Zo staat het Nieuwe Verbond tegenover het Oude, — en dat is het Verbond van de Sinaï, met Israël gesloten, tenminste, in zoverre als het Oude Veïbond dit alles nog niet zo duidelijk openbaarde en het de Wet gaf op stenen tafelen en het Verbond nog tot Israël beperkte. Doch zo loopt anderzijds het Nieuwe Verbond als een gouden draad door de bedeling van het Oude heen en ligt het reeds in kiem verborgen in Genesis 3 vs. 15 en in het Verbond, met Abraham gesloten. *)
In alinea 2 van deze paragraaf staat dus, dat Christus door Zijn kruis de gemeente uit Israël en de volkeren verzoent. Natuurlijk kan dit zo naar Eféze 2 VS. 11—22, gezegd worden. Alleen vragen wij, als in dit geschrift hier zo terecht van de verzoening gesproken wordt, of er dan toch ook niet iets in had moeten staan over de wijze waarop die verzoening nu verder 't deel wordt van de gemeente? Wij vragen iiit vooral hierom, omdat in deze paragraaf en in de volgende over het Woord van God, niets staat over de noodzakelijkheid van persoonlijk geloof en bekering. Aan het einde van paragraaf 4 staat, wat dit betreft, een eigenaardige uitdrukking, waarop wij bij de behandeling van die paragraaf terugkomen.
Men kan zeggen, waarom over dit punt hier gevallen? Moet alles gezegd in dit geschrdft, dat toch niet handelt uiteindelijk over de verzoening en ook niet over het Verbond als zodanig, maar over de Heilige Schrift? Doch wij vallen vooral over dit punt, omdat immers verderop in deze paragraaf staat, dat al wat de profeten schreven, dienstbaar wordt aan het onderricht en aan de vertroosting van de gemeente van het Nieuwe Verbond en dat de prediking van de apostelen de toepassing is van de beloften van het Oude Verbond op de gemeente van het Nieuwe Verbond. Hier valt toch wel wat eenzijdig de nadruk op de vertroosting, op de beloften, — en klinkt niets door van de eis tot persoonlijk geloof en bekering en van de aanzegging van het oordeel voor wie ongehoorzaam blijven.
Wat de Schrift ons van het Verbond openbaart, heeft stellig ook dié kanten. Er is het licht —, en wij doen daar niets vanaf, — van het heil des Heeren, doch er is óok het donker van het oordeel Gods. Wij zeggen niet, dat het de bedoeling is, maar zoals het er nu staat in het einde van paragraaf 3, doet het ons aan wat vals optimisme denken.
In dit verband valt het ook op, dat in de laatste alinea van paragraaf 3 gesproken wordt van de wederkomst van Christus, zonder meer, zonder dat daar b.v. iets staat over het eindoordeel, dat Hij dan zal houden.
Het viel mij op, dat in deze paragraaf ook het woord van Jezus uit Joh. 5 wordt aangehaald : , , Onderzoekt de Schriften", dus in de imperatief, gebiedende wijs. Dat kan, dan zou Jezus dit als een bevel aan de Joden, tot wie Hij sprak, hebben voorgehouden.
't Is echter óok mogelijk, dat dit woord van Jezus in de indicatief, stellende wijs, genomen moet worden en dan zou Hij dus gezegd hebben : , , gij onderzoekt de Schriften". Dat geeft in het venband, waarin dit woord in Joh. 5 staat, ook een goede zin. Jezus verwijt de Joden hun ongeloof tegenover Hem. En nu zegt Hij : , ; Gij onderzoekt de Schriften en gij meent daarin het eeuwige leven te hebben".... Welnu, die getuigen ook van Mij. Des te erger is uw ongeloof ! Wat van de Joden ook gezegd kan worden, niét, dat zij de Schriften niet onderzochten, maar zij lazen die niet goed, er lag een bedekking op hun ogen en op hun hart, waardoor zij er niet in vonden, dat Jezus de beloofde Christus was. Zij stonden schuldig, omdat zij niet goed lazen.
Paragraaf 4 van het geschrift draagt als titel :
HET WOORD VAN GOD
en luidt als volgt:
De apostelen hebben de woorden van de profeten ontvangen als de woorden Gods (Rom. 3 vs. 2 ; Hebr. 1 vs. 1), en
zij brengen hun eigen prediking als liet woord van God (1 Tliess. 2 vs. 13 - , 1 Petr. 1 VS. 25).
De apostelen gaven aan hun opvolgers de opdracht zich te houden aan wat zij leerden en overeenkomstig hun leer te onderrichten en de vertroosting der schriften te prediken (2 Thess. 2 vs. 15 ; Hand. 2 vs. 42 ; 2 Tim. 4 vs. 2 ; Titus 1 vs. 9 ; 2 Joh. 9).
De Kerk predikt het nieuwe verbond als de heerlijke vervulling van het oude, zij predikt het oude verbond als de voorafschaduwing van het nieuwe (Ned. Geloofsbelijdenis, art. 25).
Zij predikt de woorden, die God eertijds veelvuldig en op velerlei wijze sprak in de profeten en die Hij in de laatste dagen sprak in de Zoon (Hebr. 1 VS. 1, 2 ; vgl. Heid. Catechismus Z. 6, 19 ! Z. 12, 31).
Door de prediking wordt het ieder, die haar hoort, uit Israël en de volkeren aangezegd : wat God spreekt in de profeten en in de Zoon, dat geldt U !
In deze paragraaf staat dan, dat de apostelen de woorden van de profeten ontvangen hebben als de woorden van God en dat wij hun eigen prediking als het Woord Gods brengen. Aan hun opvolgers gayan zij de opdracht zich te houden aan wat zij leerden en overeenkomstig hun leer te onderrichten en de vertroosting der Schriften te prediken.
De Kerk predikt het Nieuwe Verbond als de heerlijke vervulling van het Oude, zij predikt het Oude Verbond als de voorafschaduwing van het Nieuwe. Zij predikt de woorden, die God eertijds veelvuldig en op velerlei wijze sprak in de profeten en die Hij in de laatste dagen sprak in de Zoon. En door de prediking wordt het ieder, die haar hoort, uit Israël en de volkeren aangezegd : wat God spreekt in de profeten en in de Zoon, dat geldt u !
Als wij het goed begrijpen, is paragraaf 4 dus bedoeld als een soort tussenschakel tussen paragraaf 1 — 3 en paragraaf 5. De paragrafen 1 — 3 handelen over het Verbond, paragraaf 4 over de prediking van het Verbond door de apostelen en door de Kerk, paragraaf 5 gaat over de teboekstelling van de prediking der profeten en apostelen en over de inspiratie en verlichting door de Heilige Geest.
Naar aanleiding van de inhoud van paragraaf 4 vragen wij : is het wel juist en op zijn plaats, om in deze paragraaf te spreken over de prediking der Kerk, terwijl dan in de volgende paragraaf gehandeld wordt over de teboekstelling van de prediking der apostelen en profeten? Is het niet beter in één lijn eerst te spreken van de prediking der apostelen en profeten en dan van de teboekstelling daarvan en daarna pas te spreken over de Kerk? Hoe de Kerk het woord der profeten en apostelen ontving en aanvaardde als het Woord Gods, omdat het als zodanig tot haar kwam?
Wij hebben het gevoel, dat achter de formulering van paragraaf 4 een stuk van de Barthiaanse theologie ligt, n.l. de gedachte van het Woord Gods in zijn drieërlei gestalte, als geopenbaard Woord Gods, — identiek met Jezus Christus en met het gebeuren in Hem —, als geschreven Woord Gods, — of wel de Heilige Schrift, maar dan zó, dat die niet zonder meer identiek zijn, immers de Heilige Schrift kan Woord Gods worden, als God dat wil, —• en als verkondigd Woord Gods, —• of wel de prediking van de Kerk, in zoverre daarin het apostolisch en profetisch getuigenis van het Woord Gods doorklinkt en zo, als God het wil, zelf ook Woord Gods wordt.
Reeds werd over deze gedachte het een en ander opgemerkt door het lid onzer commissie, die ook de inleiding op het geschrift besprak.
Het lijkt mij, dat wij hier inderdaad aan deze gedachte moeten denken, omdat immers de prediking der Kerk hier behandeld wordt onder het hoofd : Het Woord van God.
Echter, dan merken wij daartegenover op, dat dat toch maar niet zó op één lijn te stellen is, het woord van de apostelen en de prediking van de Kerk. In het woord der apostelen hebben wij direct met het Woord Gods te maken, de prediking der Kerk is bediening, uitleg, verklaring en toepassing van dit Woord Gods en daaraan gebonden, onderworpen.
Ook in paragraaf 5 wordt wel gesproken van de inspiratie der profeten en apostelen, waardoor wij de woorden, die God openbaarde, hoorden en verkondigden als het Woord van God, en van de verlichting van de Heilige Geest, waardoor de kerk de woorden der profeten en apostelen hoorde en predikte als de woorden Gods, — en daar vinden wij wel onderscheiding in de formulering, doch daar vinden wij eveneens niet duidelijk genoeg aangegeven 't principiële onderscheid tussen de inspiratie door de Heilige Geest, en de verkondiging van de apostelen enerzijds, en de illuminatie, de verlichting door de Heilige Geest, en de prediking van de kerk anderzijds. Hierdoor komt het alles toch nog teveel op één vlak te liggen. Afgezien nog van het feit, dat in deze paragraaf de inspiratie beperkt wordt tot een gave aan de apostelen en profeten en niet ook gezien wordt blijkbaar als een eigenschap van de Schrift zelf. Maar dit is een punt voor degene die paragraaf 5 zal bespreken.
Naar aanleiding van paragraaf 4 kunnen wij verder nog opmerken, dat in het begin van deze paragraaf dus staat, dat de apostelen de woorden van de profeten hebben ontvangen als de woorden Gods. Het woord , , ontvangen" lijkt mij wat zwak, is , , aanvaard" niet beter, en had dan niet duidelijker gezegd moeten worden, Waarom ? Omdat die woorden, te boek gesteld, zelf als Woord Gods zich aandienden aan hen en aan de gemeente van Israël en als zodanig ook door Christus zelf werden aanvaard.
Aan het begin van paragraaf 6 — die handelt over de kanon, komt men in het geschrift hier nog wel op terug, hoewel ook daar de formulering zwak blijft.
Dat er in het begin van paragraaf 4 staat, dat de apostelen de woorden van de profeten ontvangen hebben als de woorden Gods, is op zichzelf zo wel te zeggen, gezien ook Rom. 3 : 2 en Hebr. 1:1, echter, het lijkt mij, wanneer men hier gezet had, , , als het Woord Gods", de zaak scherper gesteld was en dat dan duidelijker was uitgekomen de éénheid van de woorden der profeten en van de openbaring Gods in die woorden. In de aanvang van paragraaf 6 staat wel dat Jezus en de apostelen spraken van de Oud-Testamentische geschriften als van dé Schrift.
Naar aanleiding van de zin, dat de kerk van het Nieuwe Verbond spreekt als de heerlijke vervulling van het Oude en het Oude als de voorafschaduwing van het Nieuwe, kan weer de vraag gesteld worden : wat wordt dan verstaan onder Oud en Nieuw Verbond ? Vallen die samen met Oud en Nieuw Testament in de Heilige Schrift?
De slotzin van paragraaf 4 luidt dus ; door de prediking wordt het ieder, die haar hoort, uit Israël en de volkeren aangezegd : Wat God spreekt in de profeten en in de Zoon, dat geldt u ! Reeds bij de bespreking van paragraaf 3 wezen wij op deze uitdrukking. Wat geldt ieder, die de prediking hoort ? Alleen de beloften en de vertroosting, waarvan gesproken wordt in paragraaf 3 en 4 of ook het oordeel, als men ongehoorzaam blijft ? En hoe gelden die beloften, die vertroosting ? Waarom ook hier niet er van gezegd, hoé die dan gelden. ? Waarom ook, hier niet gerept van de noodzakelijkheid van persoonlijk geloof en bekering ?
*) In verband hiermede kan ook gevraagd worden of in paragraaf 2 en 3 van dit geschrift de éénheid en het onderscheid van Oud en Nieuw Verbond èn van het Oude en Nieuwe Testament in de Schrift, welke niet samenr vallen, niet veel te onduidelijk uitkomen !
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 juli 1954
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 juli 1954
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's