De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

PRAEDESTINATIE EN VERANTWOORDELIJKHEID

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

PRAEDESTINATIE EN VERANTWOORDELIJKHEID

9 minuten leestijd

Reeds de nevenschikking van praedestinatie en verantwoordelijkheid verraadt iets van het bezwaar dat door alle tijden tegen het leerstuk der praedestinatie placht te rijzen en aan hen, die, schoon zij de waarheid van het dogma niet ontkenden of deze op pelagiaanse wijze trachtten te verzachten, het oordeel ontlokte, dat althans de prediking der prasdestinatie gevaarlijk is en men beter doet daarover het stilzwijgen te bewaren. Ziende op de woelingen, door deze leer steeds veroorzaakt, meent men dat de vrede in de kerk daardoor zal worden bevorderd, en dat het goed is voor de zielerust der mensen deze quaestie niet aan te roeren, terwijl men anders gevaar loopt de zwakken twijfelachtig te maken of tot wanhoop te brengen of ook anderen dringt tot onwaarachtige zekerheid des geloofs. ^)

Anderen weer vrezen een onverschilligheid tengevolge van uitslijping en doding van het besef van verantwoordelijkheid en vragen : maakt deze leer geen zorgeloze en goddeloze mensen. Nu schijnt er gewis een vriendelijke zorg voor het zieleheil der mensen in al deze bezwaren te spreken en toch menen wij, dat Turretinus recht heeft als hij opmerkt dat deze redenering meer vriendelijk is dan waar. ^)

Volkomen juist acht deze theoloog de argumenten tegen de prediking der praedestinatie met de waarheid in strijd en schrijft de tegenstribbeling toe aan niet kennen van de vruchten, die uit deze leer, mits goed verstaan, voortkomen. Goed gezien schrijft hij dus de bezwaren toe aan ongeloof en misverstand en hierin heeft hij de catechismus mee, die in het antwoord op de bovengeroerde vraag eveneens op het waarachtig geloof wijst om een verkeerde conclusie te bestrijden. Wij staan nu echter voor het feit, dat de leer van de absolute souvereiniteit Gods voor velen onverenigbaar is met de vrijheid en verantwoordelijkheid van de mens en inderdaad ligt hier een probleem, dat menige denker heeft moeite gebaard zonder tot een bevredigende oplossing te komen. Doch men versta wel, het is een probleem voor het denken en met zich daarin te verdiepen en van de rede uitkomst te verlangen is men afgegleden van het erf der religie op het moeilijke pad der philosophie.

Voor alles dient daarom vastgehouden, dat het leerstuk der praedestinatie is een stuk des geloots, en daarom onderscheiden van de wijsbegeerte, ondanks haar aanrakingspunten met de religie. Daarom verkreeg de leer der eeuwige verkiezing ook een plaats in de belijdenis der kerk. Daarop doelt Calvijn als hij spreekt van het , , hart der kerk" en Turretinus beveelt de prediking der praedestinatie, maar sober en met wijsheid aan in navolging van Christus en de Apostelen, omdat zij is een van de voornaamste hoofdstukken van het Evangelie en van de fundamenten des geloofs dat niet zonder grote schade voor de kerk en de gelovigen kan worden nagelaten. ^)

Uit religieus oogpunt is er dan ook geen sprake van een tegenstrijdigheid. Immers de leer der praedestinatie is geen structuur van het denken, maar gegeven der openbaring, stuk des geloofs en is daardoor onderscheiden van wat bij het z.g. natuurlijk licht van God kan worden gedacht en gekend. Ook de , , natuurlijke" rede maakt zich een Godsidee en verwerft zich een zekere gedachte uit hetgeen van God kennelijk is, doch dit alles weerhoudt haar niet om al wat maar enigszins riekt naar het dogma der Kerk af te schudden en het Absolute, dat zij tracht te benaderen te onderzoeken voor de vierschaar der , , zuivere rede" om te verstaan of het inderdaad naar haar oordeel goddelijk is en als zodanig kan worden begrepen. De wijsgerige speculatie toont dit overvloedig aan.

De religieuse kennis nu, die in de Christelijke geloofsbelijdenis tot uitdrukking kwam, is van gans andere aard, wijl geboren uit de bijzondere werking des H. Geestes in de mens, die hem in een geheel nieuwe levensrelatie stelt tot de Christus en in en door Hem tot God. Hierin openbaart zicht dus een daad Gods, die geen andere grond heeft dan Zijn souvereine wil en, waardoor Hij gekend wordt, zoals Hij zich heeft geopenbaard als de almachtige Schepper en goedertieren Verlosser, zodat de mens zich vindt in de diepste afhankelijkheid van Hem, die te prijzen is in alle eeuwigheid.

Het bijzonder karakter van deze levensverhouding, waaraan ook die nieuwe kennis gepaard gaat, werd door de oude dogmatici der Reformatie zo zeer onderscheiden, dat zij het leerstuk der praedestinatie eenzijdig in het licht van dit geestelijk levensverband hebben uitgewerkt en afzonderlijk stelden van de werken der schepping en de voorzienigheid.

Dr. Kuyper wijst hierop in zijn , , de gemene gratie" en zegt : , , Wie de vele uiteenzettingen van dit leerstuk der voorverordinering, in de geschriften uit de dagen onzer vaderen tot ons gekomen, aandachtig nagaat, kan tot geen andere conclusie komen, dan dat men toentertijd in de praedestinatie uitsluitend zag : „Het raadsbesluit Gods over het eeuwig lot van de met bewustheid begaafde creaturen". Hij laat dan ook niet na dit bij geschrifte van Petrus van Maestricht, a Marck en a Brakel te bevestigen. *) .

Ongetwijfeld gaat dit reeds terug op de scolastiek overeenkomstig het karakter der middeleeuwse theologie, die uitsluitend de verhouding van de mens tot God niet zonder verwaarlozing van de belangstelling voor het kosmische léven op het oog had.' Evenzeer is het duidelijk, dat het Reformatorisch bewustzijn deze zijde van het leerstuk der praedestinatie op de voorgrond schoof, wijl de innerlijke betrekking des geloofs als het ware bij vernieuwing werd ontdekt. Niemand zal dan ook het goed recht van zulk een behandeling ontkennen, schoon het gevaar dezer eenzijdig­ heid niet naliet zich te openbaren, .toen de Gereformeerde theologie na 1618— '19 vrijwel op het dode punt kwam te staan. De scherpe onderscheiding van het werk der schepping en onderhouding der wereld en het werk der verlossing, van het licht der natuur en het licht der openbaring stelde het organisch verband der praedestinatie met alle dingen min of meer in de schaduw, zoals dit ook uit het overwegend infralapsarisch standpunt der Gereformeerde theologen kan blijken.

Daar wij hierop nader terug komen, laten wij de verdere ontwikkeling thans rusten. Het was er ons slechts om te doen de aandacht er op te vestigen, dat de Gereformeerde theologie er zich van bewust is, zich bij de behandeling van het dogma te bewegen op het terrein van een bijzondere kennis, die voor de natuurlijke rede verborgen is.

Religie is geen speculatie omtrent God, maar wordt geboren uit het gevoelen en beseffen van Zijn deugden °). Dien overeenkomstig onderscheidde men dan ook de wijsbegeerte van de theologie hierin, dat in deze laatste bovennatuurlijke verborgenheden worden geleerd, waaraan nooit enige menselijke wetenschap heeft geraakt. °) Bij de philosophen is de meest abstracte wetenschap, n.l. de metapsysica de ' hoogste, doch zij beweegt zich slechts omtrent algemene zaken, die van natuurlijke orde zijn, zegt Turretinus. Zij kan niet op één lijn gesteld worden met de theologie, die zich geen voorwerp al denkende maakt, maar dit in duidelijke gestalte ontvangt uit de openbaring ').

In de hoogste zin is theologie de zelfkennis Gods. Deze goddelijke zelfkennis wordt dan onderscheiden in die kennis, die niet tot openbaring kwam en dus de verborgenheid van Zijn wezen bewaart en de kennis van Zijn wezen en werken, waaromtrent God besloot tot openbaring.

Alle theologie is dus „theologie revelationis", theologie der openbaring, zodat deze gewoonlijk werd verdeeld in natuurlijke en bovennatuurlijke in zoverre de eerste betrekking heeft op het kennelijke Gods, waarvan de apostel spreekt in Rom. 1 : 18vv. als openbaring door de schepping, onderhouding en regering der wereld (Art. II Ned. Geloofsbelijdenis) en de tweede, op de profetische openbaring en de openbaring in Christus.

Persoonlijk spreek ik liever niet van natuurlijk en bovennatuurlijk, juist, omdat alle theologie haar beginsel in de openbarende daad Gods vindt. Beter acht ik het om van algemene openbaring en algemene Godskennis te spreken, naast en onderscheiden van de bijzondere openbaring en bijzondere Godskennis.

De kennis van. God wordt naar haar aard en wezen en naar de staat van het kennend subject in drieërlei onderscheiden : Ie. die uit de algemene, openbaring, dus van de mens in de wereld, 2e.

die van het licht des geloofs, dus van de gelovigen in de Kerk en 3e. die in het licht der heerlijkheid, welke het deel is van kinderen Gods in de hemel ®).

Het ligt voor de hand, dat ook de wijsbegeerte voor zover zij omtrent God en de goddelijke dingen spreekt en meent te spreken; als natuurlijke Godskennis moest gelden, zij 't ook als valse Godskennis voorzover zij niet in overeenstemming kan worden geacht met de theologie des Woords. Naar een belangrijk deel is de wijsgerige Godskennis echter in het geheel geen Godskennis, maar structuur van de wijsgeer, een zaak, die in zijn hersenen rondzweeft, een idee, welke verder geen betrekking met de ware God heeft, dan een algemeen religieus besef.

De kennis des geloofs is dus van andere aard dan de natuurlijke, objectief gegeven in het Woord Gods en subjectief gekend door de werking van de H. Geest. Sprekende over de praedestinatie heeft men zich dus hierop te bezinnen, dat wij uit de rede niet putten als uit een bron der kennis, doch uit de openbaring en het licht des geloofs. De natuurlijke rede verstaat niet de dingen, die des Geestes Gods zijn, haar kennis is ook blijkens de historie armelijk en wordt door de Schrift onwetendheid genoemd ten opzichte van de geopenbaarde kennis ").

Inderdaad heeft dit pogen zeker recht en vertolkt nog in de matte schijn des doods, waarin de gevallen mens verkeert. De nood is hem opgelegd om te vragen naar zijn oorsprong en bestemming, doch in de verloren staat kan de mens zonder hulp van God niet tot Hem genaken.


1) Cf. Turretinus Inst. Theol. I. § 362.

1.1. § 362.

1.1. i. 363.

II. blz. 101 v.v.

Cf. Calv. Inst. I. 2.

Turr. 1.1. I. § 4.

Cf. 1.1. I. § 4.

8) Cf. 1.1. § 5 vegg.

8) Acta 17 : 30.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 augustus 1954

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

PRAEDESTINATIE EN VERANTWOORDELIJKHEID

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 augustus 1954

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's