Gereformeerd en Luthers
Wij hebben altijd geleerd, dat de Reformatoren het in de centrale stukken eens waren. En dat is ook zo. Op het stuk der praedestinatie b.v. werd op een geheel eigen manier door Zwingli, Luther en Calvijn de nadruk gelegd. Dit kan reeds worden vermoed, als men bedenkt, dat Zwingli schreef over de voorzienigheid Gods, dat Luther tegenover het humanisme van Erasmus over , , de slaafse wil" schreef en van Calvijn weet ieder wel, dat hij grote ernst maakte met het stuk der praedestinatie.
In dit licht kan men dus zeggen, dat de Reformatie met grote beslistheid partij heeft gekozen in het conflict, dat sedert Augustinus en Pelagius in de Roomse Kerk door een soort compromis van semi-pelagianisme zijn scherpste kanten scheen verloren te hebben. Dat was echter slechts schijn, want Augustinus' praedestinatieleer werd niet gedoogd. Dit is ten duidelijkste gebleken uit de bejegening van Gottschalk, die, deswege vervolgd, na 20 jaar in de gevangenis te hebben doorgebracht, overleed. Verschillende synoden hebben de leer van Augustinus over de praedestinatie verworpen.
Uit de aard der zaak stond dit conflict niet op zich zelf, als ging het alleen over de praedestinatie of ?
Wat moet hier nu worden ingevuld ? Praedestinatie of ? Het conflict tussen Luther en Erasmus over de vrije wil geeft althans een goede aanwijzing: Praedestinatie of vrije wil.
Dat is ten minste één zijde van de zaak. Het geloof, de zaligheid, een kwestie van vrije wilsbeslissing van de mens, ja, of neen !
En — wanneer het accent zó wordt gelegd, heeft men tevens een herkenningsteken van de strijd, die niet slechts in de Roomse Kerk kon worden geconstateerd, maar die in de kerken der Reformatie — ondanks de principiële beslissing, welke het Reformatorisch geloof kenmerkt, de eeuwen door zijn zuiverhouding heeft bedreigd.
Zelfs werd die zuiverhouding niet slechts bedreigd. Neen het oude pelagianisme stak reeds spoedig na de reformatie het hoofd op en verraadt zich ook in onze dagen bij een iegelijk, die van de reformatorische praedestinatieleer niet wil weten en zich daartegen verzet.
Men kan inderdaad met recht beweren, dat de gezindheid jegens de gereformeerde praedestinatie-leer een symptoom is. Wie haar afwijst, wijst in de grond der zaak ook het hart van de reformatorische beslissing en belijdenis af. Hij zoekt een Christelijk geloof te verenigen met de pelagiaanse leer, evenals de Roomse Kerk.
Een iegelijk onder ons weet, dat dit conflict ook de vaderlandse kerk bewogen heeft, reeds in het eind van de zestiende en het begin van de zeventiende eeuw, hetwelk door de Dordtse Synode van 1618/'19 in overeenstemming met de gereformeerde belijdenis werd beslist. Daar werd inderdaad het pelagianisme veroordeeld, dat blijkens de feiten bij vele leraren aanhang vond.
Merkwaardig is ook, dat de Luthersen toen reeds zozeer van het oorspronkelijk reformatorische geloof waren afgedoold, dat zij hun leer evenzeer als de repionstrantse te Dordrecht veroordeeld achtten.
En sedert Dordt is het ook in de Nederlandse kerk niet beter geworden. De gereformeerde theologie heeft waarlijk nog tal van bekwame en godzalige verdedigers gevonden en het staat ook buiten twijfel, dat het aan gereformeerde belijders niet heeft ontbroken, zelfs niet, als de pelagiaanse geest de kerkelijke machthebbers bezielde. Immers als de officiële prediking in gereformeerde zin ontbrak, zocht men zijn toevlucht in conventikel en gezelschap.
Naar het aanzien der reformatorische kerken en voor dat van de gereformeerde theologie in het algemeen kon het geen voordeel zijn, dat ook vele theologen, die zich niet gaarne onder de volgelingen van Pelagius zouden geteld zien, niet bestand geweest zijn tegen de invloeden van de humanistische geest, welke van de wijsbegeerte uitging.
Want hoewel pelagianisme en humanisme nog niet hetzelfde zijn, bestaat er tussen deze twee toch een onmiskenbare verwantschap.
Het is die verwantschap, welke voor de oorzaak moet worden gehouden van het bovengenoemd conflict niet alleen, maar ook van het feit, dat dit zich in de kerken der Reformatie voordoet en zelfs op een veel meer aan de dag tredende wijze dan in de Roomse kerk.
Zelfs kan men met recht zeggen, dat de. tekenen van verroomsing in de kerken der Reformatie op de doorwerking van die verwantschap op kerkelijk terrein wijzen.
Niemand zal toch willen ontkennen, dat de mens van nature humanist is, en de ervaring leert, dat het humanisme zijn grondstellingen gaarne op het erf der theologie zoekt te. importeren, hoewel humanisme en godgeleerdheid in de enig ware, dat is Schriftuurlijke zin, door onverzoenlijke tegenstellingen wórden gescheiden.
Op die wijze raakt men verzeild in de redeneringen van de philosophie en komt men terecht in de dwalingen van Pelagius.
Wat de Lutherse Kerk aangaat, wij weten, dat reeds Melanchton dacht aan een combinatie van Christendom en humanisme in zijn streven naar een Christelijk-humanistische ethiek. Dat hij daarmede tegemoet wilde komen aan een wens, welke bij velen leeft, die zich gaarne onder de goede Christenen voegen, en een practische vroomheid beoefenen, welke zij desniettemin willen verenigen met de humanistische geest, is wel mogelijk. Maar principieel is het niet.
In ieder geval moet men in de Lutherse kringen niets hebben van de gereformeerde vroomheid met haar puriteinse inslag noch van de gereformeerde leer. Dat is trouwens in de geschiedenis van de Lutherse Kerk reeds onder de eerste generaties aan het licht gekomen. Zelfs nog bij het leven van Luther.
Hoewel Luther en Calvijn het b.v. op het stuk der rechtvaardigmaking eens waren, en de zo even genoemde Melanchton op sommige punten in onderscheiding weer van de Lutherse leer verwantschap gevoelde met Calvijn, bewijst toch de gang der dingen, dat er diepgaande karakterverschillen zijn tussen de Gereformeerde en de Lutherse Reformatie.
Boven hebben wij reeds opgemerkt, dat afkeer van en weerstand tegen de leer der praedestinatie, niet op zich zelf staan. Integendeel hierbij komt het Christelijk geloof als zodanig in het geding.
Dit verraadt zich reeds in de Avondmaalsleer van Luther en treedt nog duidelijker aan de dag, als de praedestinatie door de Lutheranen in verbinding wordt gebracht met het sacrament en het gebruik daarvan.
Men kan daarover oordelen zoals men wil, doch zeker is, dat deze leer aan de praedestinatie te kort doet en dat het Christelijk geloof aan rein geestelijk karakter inboet.
Juist Calvijn is daarvoor zo sterk opgekomen, en terecht. Maar daarom ligt bij hem zo sterke nadruk op het geloof en de wederbarende. kracht van Gods Woord.
Of dan alleen gereformeerde Christenen de hemel zullen beërven ?
Deze vraag komt ons niet uit het veld slaan. Dat de gereformeerde belijdenis naar de Schriften is, ook de leer der praedestinatie, kan slechts worden ontkend door degenen, die met de gereformeerde leer ook het gereformeerde Schriftgeloof verwerpen en zichzelf daarboven verheffen.
Zuiverheid van leer is echter geenszins waarborg voor de zaligheid, want 't is niet de leer, die zalig maakt, maar de genade Gods door Zijn Woord en Geest. Op diezelfde grond kan men dan ook weten, dat onzuiverheid in leer op zichzelf de zaligheid niet uitsluit, want het is genadegifte.
Maar in geen geval kan een onzuivere leer bevorderlijk zijn aan de zaligheid.
Wij kunnen niet aannemen, dat alle gereformeerde belijders de zaligheid zullen beërven. En wij geloven óok niet dat alleen gereformeerde belijders het eeuwige leven zullen beërven, zodat geen leden van de Lutherse of Roomse kerk zullen gevonden worden in het Koninkrijk der hemelen. Immers wij geloven niet in een zaligmakende kerk. Dat echter terloops en tussen haakjes.
In de Lutherse waardering van de praedestinatie en van het sacrament treedt een halfslachtigheid aan de dag, die het Lutheranisme aankleeft. In verschillend opzicht is het Lutheranisme nog niet los van het Roomse geloof. Dat het altaar in de kerk behouden werd, zij het ook met afschaffing van de Roomse misdienst, is niet zo onschuldig als sommigen schijnen te menen. Wie een Lutherse dienst meemaakt, kan het weten, dat het altaar ook in de liturgie een plaats inneemt. De liturg volbrengt sommige handelingen voor het altaar en preekt van de kansel.
Daarom is het ook niet zo onschuldig, dat velen in ons , , gereformeerde" land er zo op gesteld zijn een tafel in het midden van de kerk, voor de kansel, of in het koor te plaatsen. Deze tafel, Avondmaalstafel, wil toch in wezen niet anders dan het altaar zijn. Men legt daarop ook de gaven der gemeente. Elders vangt men aan deze tafel te versieren met die gaven. Het geval is niet zeldzaam, dat de kansel uit het midden moet wijken.
In dit alles is een afwijking van het gereformeerd protestantisme, welke uiting is van een geest, die verwant is aan het Lutheranisme en zeker niet zonder de jarenlange invloed der Duitse theologie mag worden verklaard.
Deze geest verraadt zich in een geheel andere waardering van het sacrament en de achterstelling van het Woord.
Het sacrament als zodanig wordt een op zichzelf werkzaam heilsmiddel. Het doet wat. Het wordt wat anders en meer dan teken en zegel van een geestelijke werkelijkheid.
Het gevaar is volstrekt niet denkbeeldig, , dat het in de plaats treedt van de betekenende zaak, die geestelijk is, zodat men aan een soort magische kracht kan denken.
En het gevaar is óok niet denkbeeldig, dat men met het Lutheraanse leengoed in een proces van verroomsing wegzinkt.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 augustus 1954
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 augustus 1954
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's