HET KOMENDE KONINKRIJK
„Gij, koninkrijken, Gods lof...
Ziehier de roeping die van Godswege tot de koninkrijken der wereld uitging en nog uitgaat. Dit mag de Koning der koningen van de aardse koninkrijken eisen.
Doch de koninkrijken, die zwijgen wanneer het Gods eer betreft, zingen een ander lied. Het lied van eigen voortreffelijkheid, van aardse macht en heerlijkheid, van eigen kunnen en kennen. In één woord, ze zingen het lied van de rebellie. Ze weigeren pertinent zich te buigen voor de Vorst der vorsten en stellen zich liever bewust of onbewust onder de leiding en in dienst van de overste dezer wereld, van de vorst der duisternis, van de anti-christ.
Doch de Heere regeert.
Tegenover het verloren paradijs stelt God in het vooruitzicht een nieuw en hemels paradijs.
En temidden van de koninkrijken dezer aarde, die weigerachtig zijn om Gode toe te brengen datgene wat Hem toekomt, formeert de Heere Zichzelf een Koninkrijk. Een Koninkrijk dat thans reeds aanwezig is. Weliswaar is het een verborgen Koninkrijk, doch niettemin zijn er de tekenen van zijn aanwezigheid. Eens, aan het einde der historie, zal het zich in volkomen heerlijkheid openbaren. Dan zullen de liederen van de koninkrijken der aarde voor eeuwig verstommen. En in schone harmonie zal dan oprijzen het lied ter ere Gods vanuit het Koninkrijk der hemelen, dat de gehele aarde zal vervullen.
Het is bij dit komende Koninkrijk, dat we elkander willen bepalen.
Worden we er eigenlijk niet iedere dag bij bepaald ? We bidden immers dagelijks, wanneer we de woorden van het „Onze Vader" gebruiken : , , Uw Koninkrijk kome" en we belijden tevens in datzelfde gebed : , , want Uw is het Koninkrijk en de kracht en de heerlijkheid tot in eeuwigheid".
Dit is toch wel een bewijs dat het Koninkrijk Gods voor de levende gemeente van Jezus Christus niet iets is, dat aan de buitenkant van de geestelijke gezichtskring ligt. Integendeel, dit Koninkrijk neemt een voorname plaats in het leven des geloofs in. Zoals van Abraham geschreven staat, dat hij verwachtte de stad die fundamenten heeft, welker Kunstenaar en Bouwmeester God de Heere is, zo kan er ook getuigd worden dat de ware gelovigen verwachten de openbaring in heerlijkheid van het Koninkrijk der hemelen, waarvan God de Grondlegger is.
Het komende Koninkrijk. In gedachten begeven we, ons naar het Heilige Land, naar de oever der Jordaan. De volheid des tijds is aangebroken. En ziet, terwijl het reeds eeuwen geleden is dat een profeet des Heeren zijn profetenwoord in Israël deed uitgaan, daar aanschouwen we thans een opvallende figuur, zich ophoudende in de woestijn. Om zijn schouders hangt een profetenmantel. Ditmaal is het niet de figuur van een valse profeet, doch hij wordt gedreven door de Geest des Heeren. Het is Johannes de Doper, Hij heeft een ernstige en blijde Boodschap tevens. Het gerucht van zijn prediking gaat door het gehele omliggende land. En uit de landstreken van Judea, uit Jeruzalem en uit heel de streek van de Jordaan, komt het volk tot Johannes.
En het volk, dat eeuwenlang geen profetenstem meer beluisterd heeft, hoort thans uit de mond van Johannes de Doper de boeteprediking : , , Bekeert u " Maar daarop volgt een aankondiging van zulk een allesomvattende betekenis in de geschiedenis des heils, dat mensen en duivelen er door bewogen worden. Welke was dan die aankondiging ? Ze was deze : , , het Koninkrijk der hemelen is nabij gekomen". Het grote keerpunt in de geschiedenis was aangebroken. Het uur van de volheid des tijds had geslagen. Dit was het centrale thema van Johannes' prediking. Het Rijk van God zou zich door de komst van Christus gaan verwerkelijken. Waar de koninkrijken der wereld weigeren het lied van Gods glorie te zingen, waar de enkeling, ieder voor zich, niet van zijn troon wil om boetvaardig neder te knielen voor de troon van Gods genade, daar gaat God in Christus Zijn koninklijke majesteit kracht en recht openbaren, enerzijds tot een val, anderzijds tot een opstanding.
Johannes' prediking was een prediking van gericht en van verlossing.
Van gericht : God handhaaft Zijn koninklijke wil- tegenover een ieder, die Gods wil wederstaat.
Van verlossing : God vervult Zijn beloften. Hij houdt trouw en doet Zijn gerechtigheid gestand aan degenen, die op Hem hun betrouwen stellen.
In de prediking van Johannes, de boetprediker, had de aankondiging van het gericht echter een overwegende plaats. Eerste eis was : bekering.
Johannes was de heraut van het komende Koninkrijk en van de komende Christus. Deze beide zijn immers nauw en onlosmakelijk aan elkander verbonden ? Want Christus is de Koning van dat Rijk. En Koning en Koninkrijk zijn één.
Straks treedt Christus Zelf op en de heraut treedt terzijde.
Maar dan beluisteren we in Christus' prediking ook weer de boodschap van het gekomen Koninkrijk der hemelen. In de prediking van Johannes de Doper en van Christus was niet het opvallende, dat ze van het Koninkrijk der hemelen spraken. Dit was echter het opzienbarende, dat zij aan Israël verkondigden dat de komst van dat Koninkrijk nabij was, ja, in Christus gekomen.
Neen, een prediking over het Koninkrijk der hemelen zonder meer, was voor de Joden niet iets nieuws. Want al is het waar, dat in het Oude Testament de uitdrukking „Koninkrijk der hemelen" niet voorkomt, toch was deze •uitdrukking voor de Joden in Jezus' dagen niet onbekend. Immers in de tijd, kort voorafgaande aan de komst van de Messias, komt deze uitdrukking in -de geschriften van het Jodendom herhaaldelijk voor.
Bovendien, ofschoon de naam , , Koninkrijk der hemelen" in het Oude Testament niet voorkomt, toch ligt deze •diep in de Oud-Testamentische Godsopenbaring en geloofsverwachting verborgen. Zonder deze Oud-Testamentische achtergrond zou noch het latere Joodse geloof in het Koninkrijk der hemelen, noch de Nieuw-Testamentische verkondiging daarvan te verklaren zijn.
Wordt in het 0ude Testament Jehovah niet als Koning aangeduid ? Telkens weer spreken de profeten en de psalmdichters over het koningschap des Heeren.
Allereerst in algemene zin. Want alles is aan God, als Schepper van hemel en aarde, onderworpen. God heeft absolute heerschappij. Alles heeft aan Hem zijn bestaan te danken. Niet alleen tijdens de schepping-zelf, maar ook daarna, ook nu. En dit is juist de zonde van de gevallen mens, dat men datgene wat zijn bestaan aan God te danken heeft, zelfstandig denkt te kunnen maken, los van God. Zo komt men tot afgoderij. Zo gaaf men aan het schepsel of aan het maaksel van het schepsel de plaats geven, die aan God alleen toekomt. Onze tijd, óok al buigt men dan niet voor houten of stenen afgoden, is vol van zulk een moderne afgoderij. Men waant zich in alles schier van Gods koninklijke heerschappij los te zijn. Men erkent die heerschappij niet meer.
Dwaze mens ! Want wat is de menselijke heerschappij betrekkelijk, zich slechts uitstrekkend over een zeer beperkt gebied. Door de wijde vlucht van zijn denken, door de macht van zijn wapens.en door zijn vernuftige instrumenten, gevoelt hij zich als een god op de troon en wil niet erkennen dat hem grenzen gesteld zijn. En tóch, wat is de kennis en de heerschappij van de mens stukwerk. De waarlijk geleerde en de werkelijke heerser erkent dit trouwens. De grenzen van het heelal kan hij niet overschrijden.
God, de Schepper van hemel en aarde daarentegen, heerst over alles. Zijn heerschappij kent geen grenzen, wordt door niets gebroken of beperkt. Hij regeert de wereld. 'De ordeningen van hemel en aarde zijn door Hem in de schepping gelegd. Hij houdt deze in stand en gebruikt ze bij de uitvoering Zijner heerschappij. Daarbij regeert Hij naar de aard en de natuur van het schepsel : sterren als sterren, planten als planten, dieren als dieren en de mens als mens. God is niet de grote Toeschouwer vanuit de verte, doch Zijn koninklijke scepter gaat over schepping en wereldleven.
'De profeten en psalmdichters spraken in het Oude Testament echter niet alleen over Gods koningschap in algemene zin, doch ook in bijzondere zin.
Daar was toch de betrekking tussen de Heere en Israël. Getuigde daarvan niet Gods Verbond ? Israël was immers een Theocratie, dat God als Koning boven zich wist ? En. dit was de heilsverwachting van het volk der Joden, dat God Zijn koningschap eens voor ieders oog over de gehele wereld zou openbaren, tot heil van Zijn volk en tot nederwerping van allen, die niet wensten dat Hij Koning over hen zou zijn.
Israël beleed dus : God is Koning. Maar daarnaast- beleed het óok, met 't oog op 's Heeren koningschap die eens universeel tot openbaring zou komen : God zal Koning worden. Dit betrof Gods toekomstige koningschap.
Nauw was deze verwachting met het nationale leven van Israël verweven. Juist hierom laat het zich begrijpen, dat er geweldige sparmingen gaan optreden in tijden, dat Israels volksbestaan al meer inzinkt en het bedreigd wordt door de wereldmachten te worden verpletterd. De werkelijkheid schijnt dan inuners zo geheel anders te zijn, dan men zich had voorgesteld. Van de koninklijke heerschappij Gods valt voor het oog zo bitter weinig te aanschouwen.
Maar tegen de donkere werkelijkheid gingen dan weer lichten de woorden der profeten, die van het toekomstige koningschap Gods getuigden. Het was deze toekomstverwachting, die zulk een vooraanstaande plaats in de profetische Godsopenbaring had, dat men haar wel het middelpunt kan beschouwen van de Oud-Testamentische heilsbelofte.
Veelzijdig was deze toekomstverwachting.
Als volk zal Israël worden hersteld, de Heere zal te Jeruzalem tronen en de vijanden zullen worden ten onder gebracht. Deze verwachting hult zich dus in een nationale vorm.
Bij nauwkeurige beschouwing treedt echter aan het licht, dat hetgeen de profeten in 's Heeren Naam aankondigden, diepere perspectieven had. Want in de beschrijving, die zij gaven, kwamen trekken voor die niet toegepast konden worden op een aardse en tijdelijke werkelijkheid. Trekken van hogere, geestelijke betekenis en van onvergankelijk karakter.
'Spreken de profeten niet van onvergankelijk heil ? Van een bovenaardse werkelijkheid, die zal aanbreken ? Het komende Koninkrijk Gods zal immers worden ingeleid door de Grote Dag des Heeren. Een Dag des Heeren, zowel voor het afvallige Israël als voor de volken in het algemeen. Maar óok een Dag van volkomen verlossing voor het volk Gods.
Een nieuwe bedeling zal aanbreken. Een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. Graven zullen geopend worden. Doden zullen opstaan. Wereldmachten zullen ten onder gaan en de Heere alleen zal Koning zijn over gans de wereld.
In nauw verband met de'ze verwachting van het komende rijk Gods, staat de verwachting van de komst van de Messias, die het Vrederijk zal stichten. "
Blijkt dit o. a. niet duidelijk uit de profetieën van Daniël ? Daarin staat toch wereldrijk en Godsrijk tegenover elkander. Lezen we daar niet, hoe God tenslotte het koninkrijk aan de wereldgroten zal ontnemen en het zal geven aan Hem, Die in het nachtgezicht van Daniël als eens mensen zoon tot Gods vlammende troon naderde ? , , En Hem", zo staat er, , , werd gegeven heerschappij en eer en het koninkrijk, dat Hem alle volken, natiën en tongen eren zouden j Zijn heerschappij is een eeuwige heerschappij, die niet vergaan zal en Zijn koninkrijk zal niet verdorven worden".
De doorlopende gedachtengang in 't Oude Testament is deze : de uiteindelijke koninklijke heerschappij Gods zal in en door de komst van de Messias worden vervuld. Hij zal in de eeuwige heerlijkheid van het Messiaanse rijk Gods koninklijke rechten tot erkenning brengen. Zijn Rijk valt met het Koninkrijk der hemelen samen.
(Wordt voortgezet).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 augustus 1954
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 augustus 1954
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's