De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

WAT IS NU EIGENLIJK GEREFORMEERD?

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

WAT IS NU EIGENLIJK GEREFORMEERD?

7 minuten leestijd

Wat de kerkelijke pers biedt, geeft terdege aanleiding tot deze vraag. Het is met deze zaak, als met zovele in onze dagen van verwarring, dat velen weinig waarde hechten aan het objectieve, met het gevolg, dat zij ook de kennis van het objectieve verliezen of niet meer kunnen vinden, en daaruit volgt weer, dat zij in een hopeloos subjectivisme wegzinken, naar zichzelf meten en oordelen, als waren zij de maat aller dingen.

Velen weten ook niet meer, dat dit een volkomen heidense dwaling is, welke in verband met het moderne individualisme minstens zo gevaarlijk is als in haar klassieke wijsgerige vorm, omdat zij louter willekeur betekent. Wie in deze dwaling wordt medegesleurd, loopt gevaar een iegelijk te veroordelen, die over enige zaak anders denkt dan hij zelf, tenzij hij wordt bloot­ gesteld aan een alle energie en draagkracht ondermijnende scepsis, of als een schip zonder roer heen en weder wordt geslingerd door de mode van deze dag, welke een onbepaalde , , men" voorschrijft.

Het is begrijpelijk, dat dit subjectivisme met name ten aanzien van de grote levensvragen en in de kringen van ongeloof zich wijsgerig zoekt te rechtvaardigen. In die zin n.l., dat een iegelijk de vrijheid wordt toegestaan, om daarover te denken, zoals hij wil. Maar het ligt dan ook voor de hand, dat degenen, die zulk een standpunt voor zich zelf opeisen, ook anderen niet mogen lastig vallen, omdat zij er anders over denken.

Zulk een mate van verdraagzaamheid is echter dikwijls zoek juist bij degenen, die zulk een vrijheid opeisen. De beroemde wijsgeer Jaspers, die voor de „gewone" dingen aan de objectieve dingen vasthoudt, predikt verdraagzaamheid ten aanzien van wat men meent omtrent de dingen, die boven deze wereld uitgaan, doch hij schiet zelf zeer tekort jegens de leer van Calvijn, tegenover welke hij onverdraagzaamheid geboden acht.

Ziedaar een merkwaardig voorbeeld van de afkeer van de gereformeerde geloofsbelijdenis, met name van de leer der prasdestinatie, want daar knelt de schoen. Men kan n.l. niet onderstellen dat prof. Jaspers veel in Calvijn heeft gestudeerd, want dan zou hij beter begrip hebben van de Christelijke religie, dan uit zijn philosophie blijkt.

Helaas is het onder de , , Hervormde" dominees, die zo op de naam Hervormd zonder meer gesteld zijn, een enkele uitzondering daargelaten, niet anders. Zij hebben veelal in het feit, dat zij zich voorbereiden om predikant te worden in de Hervormde Kerk, zelfs geen aanleiding gevonden om zich op de hoogte te stellen van de belijdenis der kerk. Indien iemand hen aanzocht om lid te worden van enige vereniging, zouden zij wellicht naar de statuten vragen, doch, als zij dominee in de Hervormde Kerk willen worden, vinden zij het volmaakt overbodig kennis te nemen van de Confessie.

Het is een droevig feit, maar het is zo, dat vele predikanten, die niets van die Hervormd-Gereformeerden, of gelijk men dat pleegt te noemen , , Gereformeerde bonders" moeten hebben, geen of slechts zeer oppervlakkige kennis dragen van de Catechismus en van de Nederlandse Geloofsbelijdenis — om maar te zwijgen van de Dordtse canones, .

Van Calvijn weten zij weinig meer dan zijn naam en deze is voor hen een soort schrikbeeld. Praedestinatie heeft voor hen iets benauwends en tegelijk wekt het woord gevoelens van nijd en zelfs iets van afgunst.

Zulke mensen nu ageren het felst tegen de gereformeerde prediking en verwerpen de gereformeerde belijdenis op grond van het argument „ouderwets", zoals men dat ten aanzien van allerlei gewoonten en gebruiken der ouderen ook bij opgroeiende jongens kan waarnemen, hoewel zij belang en betekenis van een en ander niet kunnen waarderen.

Dergelijke theologische pubers, die mogelijk nooit de tijd vinden om tot wasdom te komen, omdat zij het zo druk hebben met de bestrijding van wat zij niet kennen, praten over gereformeerd. En het ongelukkigste is, dat zij gesterkt worden in het kwaad door heel de kerkelijke situatie en ook door de leiding.

Wij houden ons niettemin overtuigd, dat het bij de leiding niet ontbreekt aan mannen, die uit kracht van hun studie zeer wel op de hoogte zijn met de belijdenisgeschriften, terwijl zij ook de geestelijke diepte en theologische klaarheid van de gereformeerde religie weten te waarderen, ook al kunnen zij haar niet omhelzen.

Doch juist dit laatste maakt het in de practijk niet gemakkelijk, omdat ook bij deze heren de ware sympathie ontbreekt. Het enige is, dat zij de onderhouding van de gereformeerde religie ook in de volkskerkelijke saamleving, die zij zich voorstellen, wel van belang achten, maar toch weer niet verstaan, dat het karakter der gereformeerde religie niet gedoogt, dat zij zich schikt in de positie van een modaliteit onder de modaliteiten, hetgeen men zou willen.

Eiï als men daarvan al iets verstaat, wil men haar toch niet de ruimte en de vrijheid geven, die zij krachtens haar wezen behoeft.

Een en ander verklaart enigszins de moeilijke positie, waarin de Hervormdgereformeerden kerkelijk verkeren.

Wij hebben het nu over de afkeer van de gereformeerde belijdenis en van haar belijders, en men schijnt deze voor een soort weinig geliefde en ongewenste mensen te houden.

Ja, men schijnt ook de afkeer van de belijdenis op de belijders over te planten, alsof het alleen maar aan die mensen ware te wijten, dat men ze zo onsympathiek vindt.

Want merkwaardig is het verschijnsel, dat velen, die zich niet bij dat gereformeerde volk voegen, en niet gaarne daarbij, gerekend zouden willen worden, bogen op hun eigen , , gereformeerdheid" en het óok durven zeggen, dat zij meer en beter gereformeerd zijn dan het volk, dat zij verachten.

Het valt heus erg moeilijk om dat meer en beter te verstaan, want zij ontzien zich niet principieel gereformeerde geloofsstukken te verwerpen. In Schriftbeschouwingen volgen zij de leringen en beschouwingen van de Schriftcritiek, van de leer der praedestinatie willen zij niet weten, in kerkrechtelijk denken volgen zij veeleer de geest des tijds, dan de leer der apostelen. Men denke aan , , de vrouw en het ambt".

Wat men dan met gereformeerd bedoelt, is derhalve vrijwel een zwevend begrip, dat zich laat verenigen met vreemde inmengselen van buiten. Soms krijgt men de indruk, dat met name dat zwevende door dergelijke woordvoerders voor het echt gereformeerde wordt gehouden.

Het niet gereformeerde van de belijders der gereformeerde religie schijnt dan volgens die zwevende mensen juist daarin te schuilen, dat zij aan die belijdenis vasthouden.

Het doet dan wel héél simpel aan, als wij het zo zeggen, maar zij geven er zelf aanleiding toe om het zo te stellen. Zij, die de confessie der vaderen loslaten, het Schriftgezag der reformatie laten varen, zijn de echte gereformeerden, maar zij, die vasthouden aan de belijdenis der vaderen, omdat zij dat zelfde Schriftgeloof hebben, dat zijn de mensen, die de gereformeerde lijn in de weg staan.

Hoe simpel ook gesteld, hierop komt het in de practijk neer vooral bij een zeker soort Kerkbodeschrijvers en nieuwe-koersdrijvers. Het bepaalt ook hun kerkpolitiek. Men reformeert. Het moet alles nieuw worden en in overeenstemming met de eisen des tijds.

Vanzelfsprekend, dat er een grote afstand moet ontstaan tussen dergelijke „reformerende, vooruitstrevende" geessten en de belijders van de traditionele gereformeerde confessie. De eerstgenoemden hebben de neiging om het traditionele bij voorbaat reeds te verwerpen, terwijl de laatsten veelal sterk aan de traditie hangen.

Dat heeft echter zijn oorzaak, zowel het een als het ander. Traditie is niet hol. Er is in de traditie een blijvende kracht, waardoor zij traditie werd en zich handhaaft als zodanig. Zo wordt de gereformeerde traditie gedragen door de waarheid van het reformatorisch geloof en in die traditie openbaart zich ook de gemeenschap met het geloof der vaderen.

Het is juist dat aan zich zelf gelijk blijvende van het Bijbels geloof, dat ook de waardering van de confessie bepaalt.

Daarin gaan dan ook gereformeerd en niet gereformeerd uiteen, dat zij anders staan tegenover de Heilige Schrift en daarom ook tegenover de gereformeerde belijdenis.

Niemand heeft het recht zich gereformeerd te noemen, omdat hij meent bezig te zijn kerk en theologie te reformeren.

Gereformeerd is historisch en theologisch, wat overeenkomt met de gereformeerde geloofsbelijdenis der kerk en geenszins, wat daarmede gebroken heeft.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 augustus 1954

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

WAT IS NU EIGENLIJK GEREFORMEERD?

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 augustus 1954

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's