De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

„EEN SECTE, DIE WEERSPROKEN WORDT”

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

„EEN SECTE, DIE WEERSPROKEN WORDT”

8 minuten leestijd

Een en andermaal hebben wij over de betekenis van het woord „Gereformeerd" gesproken. Het onderscheid met de Lutheranen werd genoemd, afgewezen werd de titel gereformeerd voor degenen, die menen daarop recht te hebben, omdat zij op een eigen wijze de kerk bezig zijn te reformeren, naar zij ons willen doen geloven.

Gewezen werd ook op de afkeer, die velen van de Gereformeerden en van hun belijdenis koesteren en imoeilijk bedekken of met zekere onbeschaamdheid bij iedere gelegenheid laten blijken. , , Een secte, die overal weersproken wordt", zo wordt van de jeugdige kerk gezegd. (Hand. 28 vs. 22), en men zou dat van. de gereformeerden ook kunnen zeggen : , , Een secte, die overal weersproken wordt".

Da is in zekere zin 'benijdenswaardig, indien de gereformeerden delen mogen in het lot van de oude Christenen, omdat zij hetzelfde geloof deelachtig zijn en zich alzo openbaren in de wereld.

Inderdaad geloven de levende gereformeerden, dat zij uit hebzelfde geloof leven, waaruit de oude kerk heeft geleefd. Dat was immers ook het streven der Reformatoren : terug naar het geloof der oude kerk.

Giji vindt deze pretentie nogal gewaagd ?

Waarom eigenlijk ? Als gij het voorrecht hebt Christen te zijn, is het dan een ongeoorloofde pretentie te geloven, dat gij gemeenschap oefent met de ware kerk van Christus ?

Of is die gemeenschap niet met het geloof gegeven ? Gij hebt een geloof •—• misschien een geloof, dat zich daat verenigen met de bovengenoemde afkeer van gereformeerden —, vertel mij, houdt gij het er dan niet voor, dat gij hetzelfde geloof hebt als de oude Christenen ?

Voert gij dan niet dezelfde pretentie als de gereformeerde ?

En zo niet. Zoudt gij menen, dat gij behouden zult worden door een ander geloof dan dat de apostelen en profeten ? Er staat toch geschreven : één geloof, één Doop, één Heere. (Vgl. Efeze 4 VS. 5).

Mij dunkt, als gij meent, dat gij door een ander geloof behouden zult worden, moet het u aan de zekerheid ontbreken ener levende hope, die niet beschamen zal in eeuwigheid.

Waartoe, al deze vragen ? zult gij zeggen.

Dat kan duidelijk zijn. . Van tweeën één.

Of er is één zaligmakend geloof, gelijk daar is óén Middelaar, of er is een veelheid van geloven, zodat een iegelijk op zijn eigen wijze zou kunnen zalig worden.

Indien gij het eerste omhelst — en dat lijkt mij toch Schriftuurlijk — dan is in dat éne geloof ook de gemeenschap der heiligen gegeven.

En zo gij mocht menen dat het geloof verschillend is en zich richt naar rang en stand, naar tijdsomstandigheden en culture situatie, dan zou het gevolg zijn, dat Christus, de Weg, de Waarheid en het Leven, naar al deze zijden als een veranderlijke grootheid wordt voorgesteld en derhalve gedeeld wordt.

Dit is ten enenmale in strijd met de duidelijke uitspraak der Schrift, welke zegt, dat Christus gisteren en heden Dezelfde is en in der eeuwigheid. (Hebr. 13 VS. 8).

Welke er ook op wijst, dat buiten Hem geen zaligheid te zoeken of te vinden is, terwijl zij ook met nadruk zegt, dat Christus niet is gedeeld. (Vgl. 1 Cor. 12 VS. 12 V.).

Geen veranderlijk geloof dus en zo gij dat toch begeert, vindt gij de Heilige Schrift tegen u.

Blijft gij daarop staan, dan zijt gij wel spoedig gereed met uw oordeel ten aanzien van gereformeerde mensen, want die houden volgens uw mening vast aan een verouderde geloofstraditie. .

Dat argument is bekend, veel gebruikelijk, doch daarom nog niet steekhoudend.

Immers het maakt het voornaamste punt niet krachteloos : Gij hebt de Schrift tegen u.

De bovenaangehaalde plaatsen vragen geen discussie, omdat zij zó bekend en zó duidelijk zijn, dat ook de wederpartij wel weet, dat het alzo geschreven staat.

Het staat er ! Maar, als het er dan staat, valt er een eigenaardig licht over de afkeer van de gereformeerden, voorzover die althans ook afkeer van de gereformeerde belijdenis betekent. Want nu zijn wij bij het gereformeerd geloof aangeland.

En, luister nu eens goed, het is ons geenszins te doen om de naam gereformeerd. Als u die naam in de weg zit, weet dan, dat wij die gaarne prijs geven, indien wij u voor het geloof in de Christus der Schriften mogen winnen.

De naam gereformeerd kan ons niet zalig maken, evenmin als de naam van Calvijn of Luther, want de Schrift zegt, dat er onder de hemel geen andere naam is gegeven, door welke wij moeten zalig worden, als die van de Heere Jezus Christus. (Hand. 4 vs. 12).

Daarmede is echter het gerefoirmeerd gelooi nog niet veroordeeld, als het pretendeert met het waarachtig geloof naar de Schriften overeen te komen.

Dat nu blijkt men ook wel te gevoelen in kringen, die niet vreemd zijn aan meergenoemde afkeer. Er gaan althans stemmen op van twijfel aangaande die overeenkomst, voornamelijk op het stuk der praedestinatie en dan met name omtrent de verwerping. De één praat Van philosophie en de ander beweert, dat de verwerping van de zondaar met zovele woorden niet in de Heilige Schrift staat, doch beiden gaan klaarblijkelijk aan de vermaningen voorbij van het Evangelie — om van andere plaatsen niet te spreken — waar het woord van de Christus reeds genoegzaam behoorde te zijn om hun mond te stoppen. Als zulk getuigenis niet genoeg is, wat zullen wij dan nog moeite doen om op hun theologische spitsvondigheden in te gaan ? 

Wij halen ten bewijze slechts een enkele plaats uit het evangelie aan : „Alle plant, die Mijn hemelse Vader niet geplant heeft, zal uitgeroeid worden". (Matth. 15 VS. 13). „Alzo zal het in de voleinding der eeuwen wezen : de Engelen zullen uitgaan en de bozen, uit het midden der rechtvaardigen afscheiden, en zullen dezelven in een vurige oven werpen ; daar zal wening zijn en knersing der tanden". (Matth. 25 vs. 31 v.v.) En wanneer de Zoon des mensen komen zal in Zijn heerlijkheid, en alle de heilige Engelen met Hem, dan zal Hij zitten op de troon Zijner heerlijkheid ; en vóór Hem zullen alle de volkeren vergaderd worden, en Hij zal ze van elkander scheiden, gelijk de heider de schapen van de bokken scheidt, en Hij zal de schapen tot Zijn rechterhand zetten, maar de bokken tot Zijn linkerhand.

Zij, die deze en dergelijke Schriftplaatsen niet ernstig nemen en Christus alleen tot leermeester willen hebben in de dingen, die met hun eigen gedachten schijnen overeen te komen, mogen zich wel onderzoeken op de vraag, of zij Hem mogelijk wel als Middelaar der verzoening van een in zonde verloren volk met een rechtvaardig God erkennen en nodig hebben.

Want nóg eens, niet om de naam van gereformeerd is het ons te doen, maar oon het waarachtig geloof, dat door Christus onderricht wil zijn. En nog altoos vinden wij, dat het geloof, dat in de gereformeerde confessie getuigenis aan zich geeft, overeenkomt met wat de Heilige Schrift ons leert.

Hoe het dan komt, dat zovelen, die zich gaarne Christenen noemen, zich met de gereformeerden niet vinden in die belijdenis ? Ja, deze zelfs verachten en niet kennen ?

Lezen zij dan de Schrift niet ? Hebben zij er eigenlijk in het geheel geen belang bij, de confessie aan de Schrift te toetsen ? Of lezen zij de Schrift anders ?

Dit laatste moet wel het geval zijn, en dat is trouwens ook zo. Zij lezen de Schrift door eigen bril en maken zelf uit wat al of niet goddelijk gezag mag hebben, wat geldt voor alle tijden en wat alleen maar voor een tijd van toepassing is, zodat ook de eenheid der Schrift veribroken wordt. Zij spreken altijid over het voorbeeld van Christus en over de liefde, maar in het stuk der Schriftwaardering volgen zij het voorbeeld van Christus niet, die de geboden Gods geboden noemt. (Matth. 15 vs. 3 en 6) en de Heilige Schrift als Gods Woord eert, van de Schrift getuigt, dat zij niet gebroken kan worden en die zich in de ure der verzoeking wapent met Gods Woord. (Vgl. Joh. 14 vs. 35, Matth. 4 VS. 1—11).

Hoe wil men nu de Christus als overste Leidsman des geloofs erkennen en gehoorzamen, Hem eren als de hoogste Profeet en Leraar en de hemelse Hogepriester, als men Hem in het stuk der Schrift niet volgt en zich aan Zijn Woord niet onderwerpt ?

Op die wijze kent men aan zijn eigen geweten of aan zijn verstand meer gezag toe dan aan de Heilige Schrift.

Dat is niet in overeenstemming ook met het voorbeeld van de apostelen en profeten, waarvan Petrus een klaar getuigenis geeft : , , Wij hebben het profetische woord, en gij doet wèl dat gij daarop acht hebt". (2 Petr. 1 vs. 19).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 september 1954

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

„EEN SECTE, DIE WEERSPROKEN WORDT”

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 september 1954

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's