De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Studie-Commissie

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Studie-Commissie

De Leer aangaande de Heilige Schrift

9 minuten leestijd

9. DE SCHOOL VAN DE HEILIGE GEEST.

De schrijvers der Bijbelboeken geven geen schools-wetenschappelijke kennis aangaande de geschiedenis van Israël en de volkeren en aangaande de wording en de bouw van de wereld. Wij lezen de Heilige Schrift in de school van de Heilige Geest. Ook als zij geschiedenis verhaalt ol de schepping beschrijit, is zij profetie aangaande Christus.

De hervormer Calvijn, in wiens geest de Nederlandse Geloofsbelijdenis is opgesteld, heelt daarop in zijn verklaring van de Bijbelboeken veelvuldig gewezen. Bij zijn uitleg liet hij zich door dit inzicht leiden. (Vgl. bijv. de inleiding, die Calvijn geelt op zijn verklaring van Genesis en zijn uitleg van Genesis 1).

Deze uitleg laat ons zien, dat de waarheid Gods, het gezag der Schrift, de openbaring van het heil, de vertroosting van het verbond, in het minst niet daardoor geschaad wordt, dat de Bijbel naar schools-wetenschappelijke maatstaf onvolledig, onnauwkeurig en ook wel onjuist is.

De belijdenis inzake de onfeilbaarheid der Heilige Schrift heeft betrekking op hetgeen de Heilige Geest door haar leer aangaande de wil van God en aangaande hetgeen nodig is voor de dienst van God en voor ons heil (vgl. Ned. Geloofsbelijdenis, art. 7).

Met par. 9 wagen de opstellers van de leer aangaande de Heilige Schrift zich op het buitengewoon moeilijke terrein van de verhouding van geloof en wetenschap. Dat hier de dingen met grote klaarheid worden geformuleerd kan niet bepaald gezegd worden. Als ik het opschrift lees : de school van de Heilige Geest, dan ben ik een beetje huiverig voor deze titel : Men kan vluchten in de geest, omdat men de letter niet wil aanvaarden. In de geschiedenis van de Kerk zijn vele voorbeelden, die dit bewijzen. Bovendien, als wij geroepen worden om ons te laten onderwijzen in de school van de Heilige Geest, dan gaat dit onderwijs niet buiten het Woord om. Woord en Geest zijn onafscheidelijk met elkaar verbonden. — Zie Calvijn Inst. I — 9, 3 : De apostel noemt in dezelfde plaats zijn prediking een dienst des Geestes, gevende, daarmede te verstaan, dat de Heilige Geest alzo kleeft aan zijn waarheid, dat Hij in de Schriftuur heeft uitgedrukt, dat Hij alleen dan Zijn kracht voortbrengt en uitvoert, als het Woord zijn gepaste eerbied en aanzien verkrijgt." De geestdrijverij ligt hier om de hoek van de deur.

Par. 9 van het Syn. geschrift is terecht door velen aan critiek onderworpen. In de eerste plaats ontbreekt een enigszins nauwkeurige begripsbepaling van schools-wetenschappelijke kennis. Men, krijgt de indruk, dat de volgende tegenstelling gemaakt wordt: de Bijbelschrijvers geven geen sohools-wetenschappelijke kennis, maar profetie aangaande Christus. Dit is ten enenmale te verwerpen ! Wil men bedoelen, dat de Bijbel geen handboek van kosmologie of geografie is, dan zijn wij het daarmee volkomen eens. Het Woord des Heeren is gegeven met een bijzonder doel. (2 Tim. 3 : 16. Joh. 20 : 31 : deze dingen zijn geschreven, opdat gij gelooft, dat Jezus is de Christus, de Zone Gods, en opdat gij gelovende, het leven zoudt hebben in Zijn naam). De Bijbelschrijvers krijgen van de opstellers van het Syn. geschrift een onvoldoende voor hun kermis van de geschiedenis van Israël en de volkeren ; ik kan het tenminste niet anders begrijpen. Dit accepteren wij niet. Bij alle soms zeer grote moeilijkheden, waarvoor ons de uitleg van de Bijbel stelt, blijft voor ons waar, wat in art. 5 Ned. Geloofsbelijdenis staat over het gezag van de Heilige Schrift: wij geloven zonder enige twijfel al wat daarin begrepen is. Nu lezen wij in de Syn. publicatie : „De belijdenis inzake de onfeilbaarheid der Heilige Schrift heeft betrekking op hetgeen de Heilige Geest door haar leert aangaande hetgeen nodig is voor de dienst van God en voor ons heil (vgl. Ned. Geloofsbelijdenis, art. 7)". Maar het is onjuist te menen, dat art. 7 hier een vereniging bedoelt van de onfeilbaarheid der Schrift. Dan zou de Kerk in art. 7 ten dele terug komen op wat in art. 5 staat.

, , De hervormer Calvijn, in wiens geest de Nederlandse Geloofsbelijdenis is opgesteld, heeft daarop in zijn verklaring van de Bijbelboeken veelvuldig gewezen. Bij zijn uitleg liet hij zich door dit inzicht leiden. (Vgl. bijv. de inleiding, die Calvijn geeft op zijn verklaring van Genesis en zijn uitleg van Gen. 1)." Ook dit stuk mist de zo nodige klaarheid. Waarop heeft Calvijn gewezen ? Op het feit, dat als de Schrift geschiedenis verhaalt of de schepping beschrijft zij profetie is aangaande Christus ? Of op het reeds eerder genoemde over de schools-wetenschappelijke kennis ? , , Deze uitleg laat ons zien, dat de waarheid Gods, het gezag der Schrift, de openbaring van het heil, de vertroosting van het verbond, in het minst niet daardoor geschaad wordt, dat de Bijbel naar schools-wetenschappelijke maatstaf onvolledig, onnauwkeurig en ook wel onjuist is, " Deze uitleg, ook, hier vragen wij, welke ? Die van Calvijn ? Och waarom moet toch Calvijn voor een wetenschappelijk-critisch karretje worden gespannen ? Reeds meer dan eens is daarop gewezen, tegen bijv, prof. Cramer : De Heilige Schrift bij Calvijn. Is verkorting van de onfeilbaarheid van de Heilige Schrift te verwachten van de man, die zo dikwijls de Heilige Geest noemt in plaats van de Bijbelschrijvers ? Het valt niet te ontkennen, dat Calvijn's Schriftopvatting later bij velen in het vergeetboek is geraakt en dat men vergat dat de Schrift niet ten doel heeft wetenschappelijke voorstellingen te geven, maar zich bijvoorbeeld in Gen. 1 aansluit bij wat voor ogen is, bij' de dingen die door allen kunnen worden waargenomen. Het gaat om het doel de openbaring van de heerlijkheid Gods.

Naar schools-wetenschappelijke maatstaf gemeten zou de Bijbel ook wel onjuist zijn, (— de Bijbel is onjuist — een allerwonderlijkste generalisering en welk een formulering !). Ook de schoolse wetenschap is verre van onbevooroordeeld, kan ook niet onbevooroordeeld tot de Schrift naderen. Op schoolswetenschappelijke gronden heeft de een de geboorte uit de maagd Maria afgewezen, de ander de lichamelijke opstanding des Heeren geloochend. Dat de waarheid Gods niet daardoor geschaad wordt, dat de Bijbel naar schoolswetenschappelijke maatstaf onvolledig, onnauwkeurig en ook wel onjuist is moeten wij beslist ontkennen. Barth zegt het zo : Wij stoten op veronderstellingen, die de onze niet zijn, op oordelen, die we ons niet eigen kunnen maken ; de Bijbel maakt geen onderscheid tussen historie aan de ene, sage en legende aan de andere kant. Feilbare mensen spreken in feilbare mensenwoorden Gods Woord. Zeggen wij het anders, dan betekent dit opstand tegen de souvereiniteit van de genade. Wij mogen 'het Woord Gods niet omvormen in een onfeilbaar Bijbels mensenwoord. God schaamt Zich de feilbaarheid van al de menselijke woorden van de Bijbel niet, van de historische en natuurwetenschappelijke tegenspraken, maar heeft zich van deze woorden bediend in hun ganse feilbaarheid." Tot zover Barth. Deze beschouwingen liggen in de grond der zaak achter par. 9.

Als nu de Bijbel volgens dit geschrift onvolledig, onnauwkeurig en ook wel onjuist is, naar schools-wetenschappelijke norm, dan vragen wij wanneer zou dan de Bijbel volledig zijn ? Wij weten zeer wel, dat in de Bijbel niet , , alles" staat, de Bijbel is geen encyclopaedie, maar daarom moet de volkomenheid van de Schrift nog niet ontkend. Als de oud-prot. theologie de volkomenheid, en genoegzaamheid van de Heilige Schrift erkende, dan wist men zeer wel, dat Christus en de apostelen meer hebben gesproken en hebben gedaan, dan in de Bijbel is geschreven ! Nu zoekt men voor de beperking van de onfeilbaarheid van de Bijbel zich te beroepen op art. 7, maar afgedacht van het hierboven opgemerkte, dat dan art. 7 in strijd zou komen met art. 5, in art. 7 gaat het over de volkomenheid der Heilige Schrift om alleen te zijn regel des geloofs tegenover de leer van de R.-K. kerk, die ook de traditie als bron van openbaring erkent. Maar het is waar : art. 7 is wel meer zo uitgelegd : Doedes (de Ned. Geloofsbelijdenis, Utrecht 1880 pag 55 en 58) schrijft dat bij dit alles niet aan de inhoud der Heilige Schriften in het algemeen, dat Is ook de geschiedenis, welke daarin verhaald wordt, meegerekend, maar alleen aan het daarin beschreven geopenbaarde woord van God moet gedacht worden. Derhalve niet al wat in de Heilige Schriften te vinden is, maar Gods Woord in de Heilige Schriften is volgejis art. 7 de onfeilbare regel.

Als in par. 17 van het Syn. geschrift staat, dat de Heilige Schrift het Woord is der waarheid zonder leugen en zonder dwaling, dan moet deze opmerking gelezen worden bij het licht van wat hier in par. 9 staat: zónder leugen en zonder dwaling ten aanzien van de Wil van God en hetgeen nodig is voor de dienst van God en ons heil. Hoe wij het ook keren of wenden, het is er bij ons verre vandaan, dat wij het met deze beschouwingen eens kunnen en mogen zijn.

Na gewezen te hebben op een gnostische verschraling in de geforceerde christologische vereniging van het getuigenis van de Heilige Schrift in deze paragraaf, zegt dr. C. Brouwer in Herv. Utrecht pag. 756 : , , In de tweede plaats ligt hierin een al te sterke depreciatie van het eerlijke en verstandige denken van deze bijbelschrijvers. Hun kennis was evengoed kennis als de onze, ik zou zelfs willen zeggen, evenzeer wetenschappelijke kennis als de onze. Maar het meest gevaarlijke in deze redenering is wel de hautaine overschatting van het moderne denken, alsof dat nu de vaste grond is, waaraan elk vroeger stadium van wetenschap gemeten en waardoor elke vroegere kennis als kinderlijk en ontoereikend mag afgewezen worden".

Na deze algemene uiteenzettingen gaat par. 10 een stukje historie van de wetenschappelijke arbeid aan de Heilige Schrift geven. Hier worden geen namen genoemd en de izaken worden behoorlijk vaag gehouden. Terecht spreekt de studiecommissie van de Ver. voor Vrijz. Hervormden van verwarring stichtende algemeenheden, waarin de Syn. publicatie is blijven hangen. Als het rationalisme bestreden wordt en daarna gezegd : het verloor de vertroosting Israels, dan kunnen wij beter schrijven : het verloor zijn Bijbel, omdat het geen bijzondere openbaring meer nodig had. Ook tegen rechts heeft het Syn. geschrift bezwaren : de uitleg van de Schrift kreeg een eenzijdig, verstandelijk karakter en allerlei Bijbelwoorden werden op gewrongen wijze verklaard. Dit is zo algemeen gezegd, dat het niets zegt; hier worden geen feiten gesteld, waarop we kunnen ingaan. Het geheel maakt een excerptachtig karakter, dat generlei verheldering brengt.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 september 1954

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Studie-Commissie

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 september 1954

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's