UIT HET VERSLAG
van de vergadering van de Generale Synode van 28 Juni tot en met 2 Juli 1954
II.
Het schoonste verwijt van de Commissie komt een weinig verder, als zij zich richt tot degenen, die menen, dat „het ambt niet primair uit de gemeente opkomt, maar van de andere kant". (Cursivering van mij, S.)
Ten éérste komt hier de eigenlijke geest voor de dag, die de Commissie inspireert, , , Niet primair uit de gemeente". De Commissie stelt dus het ambt wel als primair uit de gemeente opkomende, dus van deze, van de aardse kant. Dat mogen wij zo zeggen, want de Commissie zet immers daartegenover : van de andere kant, welke uitdrukking 'in het verband van het rapport in de plaats is getreden voor de uitdrukking van Christuswege.
, , Primair uit de gemeente" wil er dus op wijzen, dat het ambt eigenlijk zijn oorsprong in de gemeente heeft. Op die wijze zou het derhalve helemaal niet van Christuswege zijn, doch een in beginsel menselijke instelling.
Dit zou wel kunnen verklaren, dat men dan ook met het ambt in de gemeente handelt als met een zuiver menselijke aangelegenheid, een kerkelijke huishouding van de mens — en dat in strijd met de door de apostel bevolen orde, hoe men in het huis Gods moet verkeren.
Het ligt echter niet voor de hand, hoe de commissie zich richtende tot hen, die van oordeel zijn, dat het ambt van Christuswege is bevolen, kan vragen, of de man beter Christus zou kunnen representeren dan de vrouw. Het gaat n.l. niet om de waardering beter of niet beter, maar om de erkenning van een door Christus geboden orde.
Vooral bij mensen, die zo gaarne eschatologisch denken is het onbegrijpelijk, dat zij de orde der schepping voor de gemeente in deze bedeling willen opheffen, alsof de Christus, die alle dingen gemaakt heeft, en tot een Hoofd der gemeente is gezet, een Christus van verwarring zou zijn, gelijk zij schijnen te onderstellen. Zo willen zij een orde van genade en een orde der natuur onderscheiden om hun eigen wijsheid te laten heersen over de door Christus bevolen orde en om ons in de schoenen te kunnen schuiven, dat wij de orde der genade zouden laten wortelen in de orde der natuur.
Geen leidende en regerende functie der vrouw ten opzichte der gemeente. Dat volgt n.l. uit de door God gestelde gezagsverhouding: de man het hoofd der vrouw. De commissie werkt hierbij ook al weer met het begrip natuurlijke, als zij zegt, , , dat er een natuurlijke, van God gewilde onderschikking, van de vrouw onder de man bestaat".
En dan komen de volgende Schriftplaatsen aan de orde : 1 Cor. 11 : 2—16, 1 Cor. 14 : 34—36, 1 Tim. 2 : 9—15 en Efeze 5 : 22—33, waaromtrent de commissie opmerkt, dat deze plaatsen „in ieder geval niet onmiddellijk op de ambten slaan".
Wij zijn echter van oordeel, dat de apostel Paulus in deze plaatsen niet een college in een natuurlijke moraal heeft gegeven, welke buiten de Christus en het leven Zijner kerk zou omgaan. Wij zijn ook van oordeel, dat alles, wat hij op deze plaatsen zegt, volgt uit de gezagsverhouding, welke uitdrukking krijgt in de woorden het hoofd der vrouw. Dat zulks ook betekenis heeft voor het ambt, is wel heel duidelijk op te merken in het meer genoemde hoofdstuk 1 Tim. 3, waar de apostel mannen aanwijst voor het ambt.
De commissie is ook van oordeel, dat men meergenoemde Schriftgedeelten niet een algeheel zwijgverbod voor de vrouw in de gemeente anag baseren. Bedoeld zijn de woorden van 1 Corinthe 14 : 34 en 1 Timotheüs 2:12.
Wie deze plaatsen leest en er op let, dat Paulus alleen mannen voor het ambt aanwijst, gelijk ook Christus twaalf mannen tot Zijn discipelen koos en in de wereld zond, kan toch bezwaarlijk aannemen, dat hij de vrouw in de gemeente zou toelaten om te leren of te regeren. Hij zegt toch letterlijk, dat hij het niet toelaat en wel op grond van het feit, dat Adam eerst geschapen werd. De commissie zou zeggen op grond van de „natuurlijke orde".
Wij zijn van oordeel, dat de door de coonmissie bestreden mening, de vrouw niet in de kerkeraad (en dus ook niet in de meerdere vergadering) volkomen Schriftuurlijk is. Niet in de kerkeraad en ook niet op de kansel.
De bespreking van het rapport vond in de Synode plaats op 30 Juni j.l., waarin ook de radicale beslissing viel. Toch spreekt het verslag ook van aarzelingen.
Het meest indrukwekkende staaltje van een moderne opvatting van Schriftgezag en apostolische autoriteit, gaf dr. de Beus, die volgens het verslag beweerde, dat Paulus in Gal. 3 : 28 (in Christus is noch man, noch vrouw) principieel spreekt over de verhouding van man en vrouw in het licht van het Evangelie.
Het principiële schijnt dan te zijn, dat er in Christus geen verhouding manvrouw is ; hetgeen intussen- schijnt overeen te komen met wat Christus leert op de vraag van de Sadduceërs (vgl. Matth. 22 : 30). Maar hier gaat het over de opstanding ! Als dr. de Beus hierop gelet had, zou hij wat bedachtzamer zijn geweest en over de woorden in Christus ernstiger nagedacht höbben. In Christus is noch man, noch vrouw. Dat kan hier door het geloof worden gezien op grond van het onderwijs van Woord en Geest, maar deze nieuwe orde zal eerst in de opstanding werkelijkheid zijn. In deze bedeling zal dr. de Beus zich tevreden moeten stellen rnet de voor deze eeuwen bevolen orde. Het is ook zeer instructief, wat dr. de Beus ons mededeelt omtrent de apostel Paulus, die het hem aangewreven principiële standpunt niet doorvoert. Paulus trekt „nog niet consequent de lijn van de eenheid van man en vrouw" door. Wat met die eenheid van man en vrouw hier wordt bedoeld, is ook niet duidelijk, maar het zal wel zijn „noch man, noch vrouw". In de grondtekst staat: noch mannelijk noch vrouwelijk. Er staat bovendien nog meer : geen. Jood en geen Griek, geen slaaf en geen vrije. Nog eens, die Christus heeft aangedaan, kan dat in het geloof zien, en de nieuwe mens moge uit de kracht van Christus' opstanding leven, maar de Schrift leert, dat de nieuwe eeuw in de toekomst des Heeren ook die nieuwe mens zal zien. (Vgl. 1 Cor. 15 : 42 v.v.)
De apostel Paulus leert deze dingen en heeft niet bevolen in de kerk te gaan doen, alsof die nieuwe orde er reeds ware. Dat behoeft geenszins verklaring, en ook de apostel Johannes zegt: Het is nog niet geopenbaard, wat wij zijn zullen. (1 Joh. 3:2). Volgens dr. de Beus heeft Paulus het niet goed gedaan. Hij werd geremd door , , de Joodse depreciatie van de vrouw'' en dat maakt voor ons de indruk, „dat hij de gelijkstelling in het burgerlijk leven niet erkent".
Ziedaar met wat een gestalte van een Paulus wij te doen hébben, volgens deze zegsman.
Een andere woordvoerder betreurt het, dat de emancipatie-beweging niet uit de Christelijke kerk is gekomen en vindt het helemaal niet „wezensnoodwendig", dat alleen mannen ambten vervullen. Overigens praat hij van een adat, waarmede hij wellicht de kerkelijke (en burgerlijke) traditie bedoelt, die de leidende en regerende ambten voor de man bestemd acht.
Bij de repliek deelt de voorzitter mede, dat de commissie van oordeel was, dat in de Heilige Schrift niets aan de openstelling van het ambt voor de vrouw in de weg staat.
Na al het voofafgaande zal dat niemand verwonderen. Eerst wordt het ambt van zijn goddelijke instelling ontdaan, dan wordt gezegd, dat de uitspraken der Schrift aangaande de verhouding van man en vrouw het ambt niet onmiddellijk raken en dat het zwijggebod geen basis is voor het zwijgen der vrouw in de gemeente. Op die wijze zijn alle beletselen eerst opgeruimd en dan constateert de commissie, dat er geen beletselen meer zijn.
Ziedaar een methode van Schriftuitleg om zich van de Schrift te ontdoen.
De voorzitter der commissie gaat nog verder. Hij zegt zelfs sterk overtuigd te zijn, , , dat het thans ongehoorzaamheid aan de H. Schritt zou zijn, als het ambt niet voor de vrouw opgesteld werd". (Cursivering van mij, S.).
Gehoorzaamheid aan de Heilige Schrift schijnt dus volgens hem van het ogenblik af te hangen, zodat het mogelijk kan zijn, dat wat naar de letter gehoorzaamheid is, onder zekere omstandigheden, thans, ongehoorzaamheid is. Geen orde, geen wet, geen regel, maar ogenblik en omstandigheid. Dat deze man geen gezicht heeft op de Schriftuurlijke symboliek van het huwelijk en de gemeenschap van Christus en Zijn gemeente, kan men dan ook niet zo vreemd vinden.
Nog meer vreemde dingen zijn er volgens het officëel verslag in de vergadering der Synode gezegd. Over het schema der schepping, dat door de gaven van de Heilige Geest doorbroken wordt en van een eschatologische grootheid, die eerst in de kerk tot geldigheid dient te komen. Zelfs spreekt ook iemand naar aanleiding van Galaten 3 VS. 28 van opheffing van de „religieuse minderwaardigheid" van de vrouw. Indien de gezagsverhouding al van minderwaardigheid zou kunnen doen spreken, wat wij ontkennen, veel minder nog kan van religieuse minderwaardigheid der vrouw worden gerept. Het woord religieus moet erg oppervlakkig genomen worden, maar bijbels gezien lijkt mij religieus minderwaardig een tegenstrijdige combinatie.
Conclusie : Dank zij de Schriftuurplaatsen, die over de verhouding van man en vrouw en over het ambt spreken, moest een en ander in de commissie en in haar rapport passeren en getracht worden dit van zijn kracht van argument te beroven, doch wat het positieve standpunt van het rapport aangaat, kan men rustig zeggen, dat het meer wordt bepaald door de geest destijds, dan door de eis der gehoorzaamheid aan de Heilige Schrift.
Gelijk reeds is gebleken in , , Fundamenten en Perspectieven" en niet minder in , , De Leer aangaande de Heilige Schrift", is het ook in dit verslag van de handelingen der Synode duidelijk geworden, dat men het Schriftgeloof der Reformatoren niet alleen heeft losgelaten, maar zelfs opzettelijk wederstreeft.
Het rapport gewaagt van een gezag van de ambtsdrager, dat geen ander gezag is dan uitsluitend en alleen het gezag van Gods Woord. Door welk gezag van de ambtsdragers, die dit besluit hebben genomen om de vrouw in alle ambten toe te laten, wordt dit besluit gedragen ? Is het uitsluitend en alleen Gods Woord ? Welk is dat Woord, opdat de kerk het wete en zich bezinne, want het Woord Gods, dat de kerk heeft ontvangen door de hand der profeten en der apostelen, zegt het anders?
Is er nog een ander Woord Gods dan hetwelk de kerk heeft ontvangen : n.l. de Heilige Schrift, waarvan zij in haar belijdenis spreekt ?
Wij houden de Synode aan haar eigen rapport. Naar de eigen woorden van het rapport is het gezag der ambtsdragers, dus óok der Synode, uitsluitend en alleen het gezag van Gods Woord. Haar besluiten zullen derhalve voor de kerk alleen gezag kimnen höbben, als zij uitsluitend en alleen conform zijn aan Gods Woord.
Welnu, dan moet de Synode de kerk in de gelegenheid stellen die overeenkomst te ontdekken. Voor zover de kerk, die nog aan haar geloof vasthoudt volgens de Heilige Schrift, gelijk ook onze belijdenis leert, in eenvoudigheid des geloofs kan nagaan, is het besluit der Synode ten enenmale in strijd met Gods Woord.
Op deze wijze gaat de Synode voor in een ongelukkig verschijnsel, dat men ook op andere levensterreinen kan waarnemen, n.l. dat verwarring wordt gebracht, waar gebruik, gewoonte en traditie nog enige orde bewaarden. Immers de commissie schijnt een ander Woord Gods te kennen dan het geloof, dat in haar reformatorische confessie getuigenis geeft.
Het Woord Gods der commissie schijnt als gehoorzaamheid te eisen, wat in het licht der Heilige Schrift als strijdende met het verkeren in het huis Gods, dat is de gemeente, moet gelden als ongehoorzaamheid.
Moge de Heere geven, dat men acht geve op het profetische Woord, dat zeer vast is, en wederkere tot de orde, welke ons door dat Woord bevolen is.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 september 1954
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 september 1954
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's