KINDEREN VAN HUN TIJD
Ook de Bijbelschrijvers, de apostelen, profeten, psalmisten, waren kinderen van hun tijd. Wie zal dat tegenspreken ? Men bedoelt daarmede, dat zij leefden in de sfeer van hun tijd, dat zij onder de invloed stonden van de gewoonten, gebruiken en denkbeelden van de omgeving, waarin zij waren opgevoed en mede werden beheerst door de geest van hun tijd.
Tot op zekere hoogte zal dat wel juist zijn, want zij zijn mens geweest van gelijke 'beweging gelijk ook als wij En hoezeer wij zelf de invloed van onze omgeving en van onze tijd ervaren, zou gemakkelijk met vele voorbeelden kunnen worden aangetoond.
Bovendien is het ook de Heilige Schrift, die ons daarop wijst en welke waarschuwt voor de verleiding van de geest dezer eeuw, tegen wereldgelijkvormigheid haar vermaning laat horen en scheiding maakt tussen de geest dezer wereld en de Geest, die uit God is.
De Schrift zou zo nadrukkelijk niet spreken, als er van de wereld niet een grote bekoring uitging op ons. En dat is zo, omdat wij krachtens onze geboorte van de wereld zijn.
In zoverre zijn de heilige mannen Gods, die gedreven werden door de Heilige Geest, als gewone Adamskinderen ook kinderen van hun tijd geweest En kinderen van hun volk.
Van deze omstandigheid wordt o.i. nog al eens misbruik gemaakt bij de , , uitlegging" van de Bijbel. Zeker, er zijn gewoonten, gebruiken en omstandigheden des tijds, die voorbijgaan en waarvan men kan zeggen : dat is verouderd en verdwenen.
Dat is zelfs het geval op het gebied van het heilige. Denk maar eens aan de dienst van de tabernakel, waarvan de Heilige Schrift zelf getuigt, dat hij verouderd is en nabij de verdwijning. (Hebr. 8 vs. 13).
Ja, heel deze aardse bedeling gaat voorbij. Zie Openbaringen 21.
Wij mensen leven te midden van een geslacht, dat voorbij gaat en onze dagen gaan voorbij. (Psalm 90).
Het behoort toch waarlijk niet alleen bij de Oudejaarsavondstemming, dat wij eens stilstaan bij de vergankelijkheid van al het aardse.
Het voorbeeld van de dienst des tabernakels is genoegzaam om aan te duiden, dat ook in het leven van Gods kinderen door de eeuwen heen veranderingen in de vormen van het godsdienstig leven zich hebben voorgedaan. Noach en Abraham richtten hun altaren op en de Israëlieten trokken op naar de tempel om te offeren, schuld- en zondoffers en offeranden der dankbaarheid.
Aan deze dienst heeft de Here God zelf ten enenmale een einde gemaakt door de verwoesting van Jeruzalem, waarbij ook de tempel verdween, aan welke hij verbonden was. Daar bestelde men het offer in de hand van de priester. Daar werd het gebracht.
Hoevele Joden hebben nochtans de Christus niet aangejQomen, maar verworpen, die nog altijd treuren over de ondergang des tempels en, terwijl zij een andere Messias verwachten, in hun synagogen saamkomen, lezende de boeken des Ouden Verbonds, zonder die te verstaan.
In de nieuwe bedeling, die is ingegaan, treedt het rein geestelijk karakter van het geloof ook in de dienst des geloofs aan de dag. Immers, die Hem aanbidden, aanbidden Hem in geest en waarheid.
Aan de ene kant is het goed, dat wij op deze verandering en voorbijgang letten, opdat wij' zelf niet vastgeroest in oude vormen, krampachtig vasthouden aan hetgeen oud en verouderd en der verdwijning nabij is.
Men wachte zich er echter voor deze woorden aan te grijpen als een argument om revolutionnair alles wat oud schijnt in vorm en gebruik, als overleefd en afgedaan te verachten.
Hij vergist zich danig, die schijnt te menen dat alles, wat oud is, slecht en verwerpelijk is, omdat het oud is, en dat alles, wat nieuw is, goed en nuttig is, omdat het nieuw is.
Er zijn heus mensen, die van zulk een mening schijnen te zijn, omdat hun zowel in het oude als in het nieuwe het juiste inzicht ontbreekt.
Maar nu de andere kant.
Gaarne zouden wij het woord richten tot zulke revolutionnaire nieuwlichters, die niet verstaan, welke verwoestingen zij aanrichten in het kerkelijk leven. maar juist daarom zal het geen nut doen want zij zijn als degenen, die niet weten, wat zij doen.
Zo hopen wij dan te spreken tot degenen, die er dichter bij staan.
Wij hebben zo straks op de veranderingen gewezen, die zich in de godsdienstige vormen en gebruiken door de jaren heen hebben voltrokken, maar let nu eens op 'het geloof en de geloofsbeleving van de wolk van getuigen die ons in de Heilige Schrift wordt voorgesteld. Ik noem nog eens Abraham, die zijn altaar oprichtte en de mannelijke ingeborenen van zijn huis besneed. (Genesis 17 VS. 9 V.V.).
Maar let nu op het getuigenis van de Christus aangaande zijn geloof en geestelijk leven. , , Abraham, uw vader, heeft met verheuging verlangd, opdat hij Mijn dag zien zou ; en hij heeft hem gezien en is verheugd geweest".
Wij gaan verder naar de Psalmen. Daar spreken de oude Israëlieten, de mannen van de oude tempeldienst. van hun geloofsleven, van zonde en oordeel, van genade en vergeving, van dood en eeuwig leven, van droefheid en vreugde des geloofs. Zij leefden het leven der kerk geestelijk, zoals Gods kinderen dat nóg leven en door alle tijden leven en geleefd hebben.
Zij zijn niet blijven staan bij de uitwendige dienst en bij de uitwendige vorm, maar verstonden geestelijk. Vergelijk b.v. Psalm 40 en 51. Om er slechts een paar te noemen. Lees ook van het tweede boek van Samuel eens het 7e Hoofdstuk, hoe David en de profeet Nathan van God licht ontvingen in de verborgenheid van 't Koninkrijk Gods.
Men make dus wel onderscheid tussen de uitwendige vorm en de geestelijke werkelijkheid en irihoud van het geloofsleven.
Er kan in oude geloofsvormen en traditie een geestelijke schat worden voortgedragen, welke men niet straffeloos veracht. En als het nieuwe, dat men wil aanbrengen en invoeren in kerk en kerkelijke dienst niet door datzelfde geloof en datzelfde geestelijk leven wordt geïnspireerd, zal het spoedig blijken een dode huls te zijn, een strohuls, welke eerder der verdwijning nabij is dan het oude, dat men veracht heeft, omdat het uit een onveranderlijke kracht is opgekomen.
Het is ook al weer naar aanleiding van de discussie over de vrouw in het ambt, dat op deze dingen moet worden gewezen.
Zeer fundamentele argumenten, die geheel ons leven beheersen en behoren te beheersen, wil men van hun kracht beroven door een dooddoener, als b.v. : de apostel was een kind van zijn tijd, maar voor onze tijd kan niet gelden, wat hem in zijn tijd goeddacht.
Dat is geen , , uitlegging" van de Heilige Schrift meer, maar een verbreken van haar naar menselijk goeddunken. Zij, die zulke dingen doen, mogen er aan herinnerd worden, dat Christus ons zo niet geleerd heeft. Integendeel, Hij beroept zich telkens op de Schrift en zegt, dat zij niet gebroken kan worden.
Het is waarlijk niet teveel gezegd, als wij beweren, dat door velen, die zich heden voor Schriftgeleerden uitgeven, methoden worden toegepast, die van Schriftuitlegging Schriftverkrachting maken.
Ook de goddelijke autoriteit van de Christus weerhoudt hen niet als zij ook Hem als een kind van Zijn tijd en wel een kind uit het Jodendom van zijn tijd beschouwen.
Wij denken nu inzonderheid aan het goddelijk gezag, dat Christus aan de Schrift toekent.
Kunnen wij de Heilige, Schrift nog wel zo beschouwen en waarderen als Christus en Zijn apostelen ? Die vraag wordt gesteld.
Wie zulk een vraag ernstig stelt, moet toch wel sceptisch staan tegenover de Godheid van Christus, en tegenover Zijn Woord en de werken, die Hij deed als getuigenis van Zijn Messiasschap : de wonderbare genezingen en opwekkingen van doden, enz.
Zo zou ook het beeld van de Christus, dat ons getekend wordt in de Evangeliën, slechts een tijdbeeld zijn, dat voor verandering vatbaar zou zijn. Als de Christus in onze, tijd op aarde zou verkeren, zou Hij zo en zo zijn. al naar de inbeelding van dengene. die zo over Hem denkt. Alsof zulke wisselvalligheden zouden overeenkomen met het werk der goddelijke Voorzienigheid, dat ons wordt voorgesteld in de Schrift, die o.a. zegt, dat Hij in de volheid des tijds komen moest. (Gal. 4 vs. 4).
Het behoeft geen betoog, dat dergelijke beschouwingen alleen kunnen opkomen bij. degenen, die de wijsheid der mensen hoger achten dan de , , dwaasheid der prediking".
Dezulken pretenderen een wijsheid te hebben, die anders en beter zou kunnen oordelen over de Godsopenbaring, welke ons in de Heilige Schrift is gegeven, dan de Heere Jezus Christus, die haar immers eerbiedigt als Gods Woord en zegt, dat de Schrift niet gebroken kan worden.
Daarom is het ónze roeping om de apostelen na te volgen en daartegen te getuigen uit kracht van het geloof, dat de heiligen is overgeleverd en in de uitne^mende kennis van de Christus der Schriften.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 oktober 1954
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 oktober 1954
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's