DIERENBESCHERMING
Alle kerkeraden ontvingen een schrijven van de Nederlandse Vereniging tot Bescherming van Dieren, inhoudende het verzoek om op een bepaalde Zondag over de dierenbescherming tot de gemeente te spreken.
Er zijn gemeenten, die aan deze oproep gevolg hebben gegeven. Ik vond in een kerkbode van een Brabantse classis het volgende bericht:
Bergeyk. Dierenbescherming.
, , Zondag a.s. hoopt de heer G. Nieuwenhuysen uit Den Haag, directeur van de Nederlandse Vereniging tot Bescherming van Dieren, de gemeente voor te gaan. Het kan niet anders, of het onderwerp, dat hem zo na aan het hart ligt, de verhouding van mens en dier als schepselen Gods, zal in de prediking een belangrijk accent krijgen. Voor ons buitenmensen, die meer dan de stedelingen met dieren te maken hebben, is er wel reden om over dit probleem ernstig na te denken. Ook al zijn wij gewend onze dieren goed te verzorgen en geen onnodig leed te doen, dan zijn wij misschien te weinig actief, wanneer wij getuigen zijn van dierenmishandeling in eigen omgeving. Op dat punt moeten wij en zeker ook de kinderen weer wakker worden gemaakt. Voor de dierenbescherming zal een extra collecte worden gehouden."
Hoewel er veel is, wat ik in dit artikel onderschrijf, vraag ik me toch af, of we niet al te vèr gaan, als we een aparte dienst menen te moeten bestemmen voor de uiteenzetting van de dierenbescherming. Het is mij ook niet bekend of de heer G. Nieuwenhuysen uit Den Haag inderdaad preekbevoegdheid bezit in onze kerken.
Al ga ik dus hierin niet accoord met de kerkeraad van Bergeyk, toch geloof ik, dat het goed is om op deze zaak te wijzen.
Als we eens op de dierenwereld letten, dan zullen we moeten constateren, dat er in die dierenwereld ontzaggelijk geleden wordt. Daar woedt een strijd om het bestaan. Het ene dier verslindt het andere. Dat de koe en berin samen weiden, dat een leeuw stro eet als een os, daarvan is thans geen sprake. De edele zangers in de vogelenwereld zijn geen ogenblik zeker van hun leven. Ze lopen gevaar om door de kromme snavel en de scherpe klauwen van de roofvogels te worden verscheurd.
En denk dan verder eens aan het leed, wat een mens een dier kan aandoen. Wat wordt er met het leven van een dier maar weinig gerekend. Soms worden ze getrapt en geschopt bij het vervoer. Ik denk bijvoorbeeld aan de wrede wijze, waarop soms het vee in en uit de veewagens wordt gedreven.
Nu past het ons om de vraag te stellen, waarom er toch in die dierenwereld zo ontzaggelijk geleden wordt. En dan komen we terecht bij de zonde van de mens. Het ganse wereldleven, dus ook de dierenwereld, ligt onder dé vloek vanwege de zonde.
Het is dan ook geen wonder, dat de apostel Paulus in het achtste hoofdstuk van de brief aan de Romeinen, die redeloze schepping heeft getekend als een zuchtende schepping, die reikhalzend uitziet naar de dag van de openbaring van de heerlijkheid van de vrijheid der kinderen Gods. Immers, in die dag, waarop nooit een nacht meer volgen zal, zal de vloek van de schepping worden opgeheven. Dan zal de wolf met het lam verkeren, en het luipaard zal bij de geitenbok nederliggen. Er is een tijd geweest, dat de exegeten deze woorden enkel geestelijk hebben willen zien. De wolf en het lam hadden Saul van Tarsen en Ananias kunnen wezen. Ze hebben naast elkaar geknield. Die elkander van nature hebben gehaat en vervolgd, worden liefhebbers van elkaar aan de voet van het kruis. Inderdaad een schone gedachte!
En toch geloven we, dat deze tekstwoorden ook zien op het herstel van de dierenwereld. In dien grote dag, waarin het volk Gods publiekelijk zal gerechtvaardigd worden, zal ook de vloek, die op het ganse schepsel ligt, voor eeuwig worden opgeheven.
En de ganse schepping zal de lof des Heeren zingen.
Het is daarom niet te verwonderen, dat de Heere in zijn Woord de dieren in bescherming neemt. Hij stond het toe aan de mens om het vlees der dieren te eten. Maar omdat hij het dierlijk leven heeft willen doen eerbiedigen, gaf Hij aan Noach de opdracht om het vlees niet met het bloed te eten.
En ik hoor Salomo opmerken, dat de rechtvaardige het leven van zijn beest kent. Het is dan ook niet te verwonderen, dat op het apostelconvent die Noachitische geboden weer op de voorgrond zijn getreden.
Ten slotte merken we op, dat het noodzakelijk is, dat een mens bij het lijden van het dier zal inkeren in zich zelf, en bij zich zelf zal zoeken de oorzaak van het lijden van het beest. Wie dat beseft, zal het dier niet mishandelen maar er een schepsel Gods in zien, dat zucht om onze zonden en reikhalzend uitziet naar de dag des Heeren.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 oktober 1954
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 oktober 1954
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's