Van onze Studie-Commisste
De Leer aangaande de Heilige Schrift
12. Bijbelse verkondiging en mythologie.
Abraham was van afkomst een heidens Babyloniër (Jozua 24 vs. 2), Israël nam de Kanaanietische cultuur over (Psalm 105 vs. 44), de apostolische gemeente kwam voort uit het veelvormige heidendom van het Romeinse rijk (Ei. 2). De Bijbelwetenschap gaat na hoe door het geloof in Israels God en in Jezus Christus het heidens-mythische werd terug gedrongen en de heidense cultuur werd g& kerstend. Het wetenschappelijk gerichte denken geeft er zich rekenschap van hoe de schrijvers van de Bijbelboeken de natuur beschouwden. Uit de aard der zaak spreekt de Bijbel niet over de natuur, zoals de natuurwetenschap in de verschillende phasen van haar ontwikkeling het doet. Voorzover er in de Bijbel van natuurkennis gesproken kan worden, berust zij op de gewone waarneming, die voor alle mensen in alle tijden gelijk is.
Het gaat in de Bijbel echter niet om de voor het menselijk nadenken en onderzoeken bereikbare kennis der natuur, maar om haar achtergrond.
Voor het heidendom, waarmee Israël en de apostolische gemeente in aanraking kwamen, waren de hemellichamen en de natuurkrachten goden en daemonische machten. De Bijbel verkondigt, dat de hemellichamen en de natuurkrachten door de God van Israël geschapen zijn, en dat Hij ze beheerst. De verkondiging, dat God, de Vader van Jezus Christus, de Schepper van hemel en aarde is, maakt deel uit van de heilsopenbaring - , zij spoort ons aan om zonder weifeling bns vertrouwen te stellen op de heilige en barmhartige God van Israël en op Jezus Christus, zijn gekruisigde Zoon. Christus verlost de zijnen uit de boeien van de „overste van de macht der lucht" (Ef. 2 vs. 2); de heerlijkheid van die bevrijding zal openbaar worden in de toekomstige verschijning van Jezus Christus.
Par. 12 begint met uit te spreken, dat Abraham „van afkomst een heidens Babyloniër" was. Ter toelichting wordt verwezen naar Joz. 24 : 2, waar Jozua zegt, dat de vaderen van Israël de afgoden hebben gediend. Met name wordt daarbij Terach, de vader van Abraham, genoemd. Wanneer de genoemde zinsnede derhalve alleen de bedoeling heeft uit te drukken, dat Abraham uit een heidens-Babylonisch geslacht afkomstig was, zal dit beaamd moeten worden. Over Abraham wordt in de aangehaalde tekst gezwegen. Ook verdere gegevens, of Abraham zelf de afgoden gediend heeft en derhalve een heiden is geweest, ontbreken in de Bijbel. Wij zouden derhalve beter achten deze kwestie hier buiten beschouwing te laten en het woord „heidens" te laten vervallen.
De paragraaf gaat voort met uiteen te zetten, dat , , Israël de Kanaanietische cultuur over(nam)". Als bewijsstuk wordt Psalm 105 vs. 44 genoemd, waar wij lezen, dat God aan Israël de landen der heidenen heeft gegeven, zodat zij de arbeid der volkeren, hebben beërfd. Tegen de erkenning, dat Israël de invloed der Kanaanietische cultuur heeft ondergaan en deze gedeeltelijk heeft overgenomen, behoeven geen bezwaren te bestaan. Dat het de Kanaanietische cultuur, dat wil zeggen, de gehele Kanaanietische cultuur, zonder meer zou hebben overgenomen, dunkt ons te sterk uitgedrukt.
Te meer, omdat zowel de Kanaanietische als de Israëlietische cultuur een religieus karakter gedragen hebben en ondanks herhaaldelijk tijdelijk verval de religie van Israël nooit geheel is ten onder gegaan. Nadrukkelijk wordt in Psalm 105 : 45 ook gezegd, dat God aan Israël de banden der volken heeft gegeven en zij de eerbied dier volken hebben beërfd, opdat zij Gods inzettingen zouden onderhouden en Zijn wetten bewaren zouden. Israël heeft derhalve zijn geestelijke goederen bewaard.
De bewering in dezelfde eerste zin, dat „de apostolische gemeente voort (kwam) uit het veelvuldige heidendom van het Romeinse rijk" komt ons ondanks het beroep op Ef. 2 niet voor historisch te zijn, omdat de apostolische gemeente ten dele uit het Jodendom is voortgekomen. Erg nauwkeurig kan derhalve deze eerste zin der paragraaf niet genoemd worden.
Onverwacht wordt in de thans volgende zin de uitdrukking „Bijbelwetenschap" gebruikt. De uitdrukking kunnen wij niet bijster duidelijk vinden. Is daarmede het in de vorige paragraaf genoemde wetenschappelijk Bijbelonderzoek bedoeld ? Of moet zij daarvan onderscheiden worden ? En zo ja, wat moet dan onder deze Bijbelwetenschap precies verstaan worden ?
De Bijbelwetenschap, zo lezen wij dan verder, , , gaat na, hoe door het geloof in Israels God en in Jezus Christus het heidens-mythische werd teruggedrongen en de heidense cultuur werd gekerstend". Wij worden voor de vraag gesteld, wat dit „geloof in Israels God" betekent. Is daarmee het geloof van Israël bedoeld ? Dan stuiten wij op het bezwaar, dat van dit geloof niet geldt, dat daardoor de heidense cultuur gekerstend werd. Dit kan toch alleen op het Christelijk geloof betrekking hebben. Dient dan „het geloof in Israels God en in Jezus Christus'' als èèn hegrip te worden opgevat en hebben wij daar*bij aan het geloof der apostolische gemeente te denken ? Wij kunnen vragen, waarom dan in de eerste zin van Abraham en Israël gesproken is en daarna een heenwijzing naar de in het Oude Testament geschpnken openbaring Gods geheel achterwege blijft. De zin is niet al te duidelijk.
Het in de derde zin genoemde „wetenschappelijk gerichte denken" klinkt ons in dit verband wel enigszins intellectualistisch in de oren. Wij veronderstellen, dat hier weer het wetenschappelijk Bijbelonderzoek, of de niet verder gedefinieerde Bijbelwetenschap, bedoeld zal zijn, doch menen, dat niet alleen het hier genoemde , , wetenschappelijk gerichte denken", maar ieder, die de Bijbel leest, zich er rekenschap van heeft te geven, , , hoe de schrijvers van de Bijbelboeken de natuur beschouwden".
In de vijfde zin (regel 2 v.o.) wordt opgemerkt: , , Voor zover er in de Bijbel van natuurkennis gesproken kan worden". Wij zouden het juister en duidelijker achten, wanneer hier stond: „Voorzover de Bijbel over de natuur spreekt". Het behoeft geen betoog, dat dan ook de volgende hoofdzin anders zal moeten luiden.
Volgens de eerste zin van alinea 3 waren „voor het heidendom, waarmee Israël en de apostolische gemeente in aanraking kwamen, de hemellichamen en de natuurmachten goden en daemonische machten''. De vraag kan gesteld worden, of dit niet te algemeen is uitgedrukt, althans wat betreft het heidendom, waarmee de apostolische gemeente in aanraking kwam. Er heerste in de Hellenistische, wereld bij velen een religieuse skepsis (twijfel), die de hemellichamen en de natuurkrachten niet in de genoemde zin beschouwde.
De tweede zin dezer alinea houdt in, dat , , de verkondiging, dat God, de Vader van Jezus Christus, de Schepper van hemel en aarde is, deel uit (maakt) van de heilsopenbaring". Wij kunnen het woord „verkondiging" hier weinig waarderen. Het wekt te veel de gedachte op aan de prediking van Gods Woord in de gemeente. De opzettelijkheid, waarmee wordt uitgesproken, dat de , , verkondiging", dat God de wereld geschapen heeft, deel uitmaakt van de , , heilsopenbaring", legt in verband met hetgeen over de vorige paragraaf uiteen is gezet, de gevolgtrekking voor de hand, dat wij ook hier te denken hebben aan wat in de Heilige Schrift onfeilbaar en niet onfeilbaar zou zijn en dat derhalve de genoemde uitspraak ten doel heeft uit te drukken, dat het feit der schepping erkend wordt, maar het scheppingsverhaal, dat ons in de beginhoofdstukken van de Bijbel wordt medegedeeld, als niet tot de heilsopenbaring behorende ter zijde wordt gesteld.
Onomwonden wordt zulks niet uitgesproken. Maar wij menen, dat deze zienswijze in de uitspraak besloten ligt. Wij kunnen haar niet beschouwen als met de erkenning van de onfeilbaarheid der Heilige Schrift in overeenstemming te zijn.
De schepping der wereld door God predikt ons in het bijzonder de almacht Gods. Het 'bevreemdt ons daarom, dat van de , , verkondiging", dat God de wereld geschapen heeft, wel gezegd wordt, dat zij ons aanspoort „om zonder weifeling ons vertrouwen te stellen op de heilige en barmhartige God van Israël en op Jezus Christus, Zijn gekruisigde Zoon'', maar dat niet heengewezen wordt naar de almacht Gods.
De laatste zin der alinea spreekt uit, dat Christus de zijnen uit de boeien van de , , overste van de macht der lucht" (Ef. 2 : 2) verlost. Wij herinneren, dat daarmee de duivel bedoeld wordt, doch vragen ons af, of het niet eenvoudiger geweest ware te zeggen, dat Christus de zijnen uit de boeien van de duivel verlost.
In alinea 1 (regel 5 en 6) wordt gesproken van „'het geloof in Israels God". Wij hebben daarover reeds gehandeld. In alinea 3 (regel 5, 9 en 10 dezer alinea) wordt twee maal gesproken van de „God van Israël". Waarom dit geschiedt, is ons niet duidelijk. Naar ons oordeel had telkens zonder enig bezwaar van God alleen gesproken kunnen worden.
Ten aanzien der gehele laatste alinea zijn wij van mening, , dat hier verschillende beschouwingen gegeven worden, die buiten het onderwerp liggen, waarover het in het geschrift der Synode gaat en die gevoegelijk hadden kunnen worden weggelaten.
Eveneens ontbreekt geheel de gedachte, dat God de wereld geschapen heeft, maar deze wereld van God is afgevallen,
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 oktober 1954
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 oktober 1954
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's