De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Van onze Studie-Commissie

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Van onze Studie-Commissie

De Leer aangaande de Heilige Schrift

10 minuten leestijd

13. De heilsopenbaring in haar eenheid van woord en daad.

De wetenschappelijke Bijbelstudie spant zich in om het eigenaardige van het Bijbels getuigenis te kenschetsen ; zij beseft, dat zij te maken heeft met het voor het menselijk begrijpen onnaspeurlijke van Gods' openbaring in haar eenheid van woord en daad.

De Bijbel getuigt van de heilsdaden Gods ; voor alles van de verlossing van Israël uit het diensthuis van Egypte en van de verlossing van de gemeente door de verschijning, de werken, het sterven en de opstanding van Jezus Christus. Deze daden Gods geschiedden in het verleden - , God werkt door deze daden in het heden, waar de Heilige Geest ze doet verkondigen. God blijft dezelfde als vanouds en gedenkt aan zijn verbond van geslacht tot geslacht (Psalm 105, 106, 111, 145); Jezus Christus is gisteren en heden dezelfde en in der eeuwigheid. (Hebr. 13 vs. 8).

Het „gedenken" van Gods heilsdaden is niet een bloot-verstandelijk denken aan gebeurtenissen uit het verleden ; waar de verkondiging geloofd wordt, werkt zij wedergeboorte, opstanding, heiliging en een levende hoop.

Met Art. 13 keert ons geschrift weer tot de kern der zaak. In de Art. 9—12 heeft 't vrij breed gesproken over „het wetenschappelijke bijbelonderzoek".

Ons treft ook weer in dit artikel, dat deze uitdrukking zeker onnauwkeurig moet heten en zelfs wel onjuist. Als er in de vorige eeuw iets is gebleken, dan wel, dat er een diepe tegenstelling bestaat tussen Schriftonderzoek van , , rechts" en dat van , , links". Die laatste heeft op een wijze, die alleen diepe verontwaardiging kan wekken, met de Schrift omgesprongen. We denken vooral aan de z.g. , , radicale hollandse school", maar niet aan haar alleen. We vinden het in verband daarmee onbegrijpelijk, dat ons geschrift niet fel daartegen positie kiest, veel feller, dan terloops in Art. 10 geschiedt.

Nu wordt een antithese, die er wel zeer werkelijk is, toch maar verzwegen. Blijkbaar is de lust om te verbinden veel groter, dan die om te scheiden.

Omdat , , de wetenschappelijke bijbelstudie" een fictieve eenheid is, kunnen we de conclusie, die er uit gemaakt wordt, dan ook niet accepteren, n.l. dat deze studie zich zou inspannen (als één man), om het eigenaardige van het bijbels getuigenis te kenschetsen. Een deel er van heeft niet anders gedaan dan het bijbels getuigenis met geweld gelijk maken aan de godsdienstigheid van de omwonende volken (de z.g.n. godsdiensthistorische school). We hadden graag een klaar protest daartegen vernomen. Daar is dan ook zeker niet beseft, dat men te doen had met , , iets voor de mens onnaspeurlijks". Het verblijdt ons, dat de opstellers hieraan zo sterk vasthouden ; maar dat had hen critischer moeten maken tegen hen, die dat bepaald niet wensen. Het doet ons goed, hier uitdrukkelijk het rationalistisch beginsel van 't modernisme vooral van de vorige eeuw te horen afwijzen. Maar we hadden daarom ook zeker moeten horen, dat men met kracht afwijst elke beschouwing, die daartegen strijdt. We hadden een veel critischer geluid verwacht, met name naar , , links".

Met deze uiteenzetting neemt men dan afscheid van , , de wetenschappelijke bijbelstudie". Eigenlijk vreemd, dat men daar toch verschillende artikelen aan gewijd heeft. Want nu ten besluite horen we, dat deze wetenschappelijke studie toch weer niet zo belangrijk is. Immers, het eigenlijke in het Woord wordt door haar niet bereikt; ze vervult zoveel als een grenswacht op het gewijd gebied van het mysterie Gods. Want het gaat in de Bijbel om de heilsopenbaring van 'God. Dat is de kern der zaak. We hebben geen moeilijkheid, dat te beamen. Maar dan maken we daarbij wel deze voorwaarde, dat men dan niet de , , uitpelmethode" mag toepassen, die de kern van het Woord als onfeilbaar en goddelijk beschouwt en de , , bolster" van veel minder, van menselijke gehalte, acht. Want dat kunnen wij in de Schrift niet vinden en daarom ook in onze belijdenis niet.

Die heilsdaden Gods worden in de Bijbel betuigd. Voorop de uittocht uit Egypte en ten hoogste de verschijning van de Heere Jezus Christus. Dat is zeker in de Schrift centraal. Maar de uittocht van Abram uit Ur zou evengoed de vermelding waard zijn geweest en weer missen we pijnlijk de waardering van de schepping als een eerste , , heilsdaad", waardoor voor ons besef de genoemde twee heilsdaden zo blijven zweven.

Die heilsdaden liggen in het verleden. Ze zijn afgesloten, dus toch wel een gesloten canon. De Heilige Geest, die deze daden Gods laat verkondigen, maakt ze ook levend en sprekend vosor de komende geslachten. Het verwondert ons, dat dat hier niet gezegd wordt. We vinden het, wat verdwaald, in de laatste alinea van Art. 5, maar het had hier zijn werkelijke plaats gehad. Als we te klagen hadden, dat de belijdenis van de inspiratie er zo kaal afkomt en insgelijks die der illuminatie (de verlichting door de Heilige Geest), dan wordt dat hier weer bevestigd. Tenslotte lijkt het ons meer bijbels en klassiek gereformeerd, te zeggen, dat God het Woord laat verkondigen, in Christus en door de Heilige Geest. Dan is het trinitarische in al Gods werk beter getekend. Daarmee is dan de trouw van God, die zo terecht wordt beleden, dieper verankerd.

Aan het slot wordt gezegd, dat de Heilige Geest de heilsdaden Gods doet „gedenken". We beamen daarbij graag, dat dit niet een zaak van het hoofd, maar van het hart moet zijn. Wel vragen we even terloops : zou er een waterdicht schot bestaan tussen hart en hoofd ? Zou iets werkelijk ooit geheel aan het hart of hoofd kunnen voorbijgaan ?

Waar deze verkondiging geloofd wordt, daar werkt zij wedergeboorte, opstanding, heiliging en een levende hoop. Dat is een verrassende aansluiting bij het Calvijnse" dat wij door het geloof worden wedergeboren" (Inst. III, 3). Maar de ophoping van woorden kan ons hier toch niet zo bekoren ; wedergeboorte, opstanding, heiliging, levende hoop. Calvijn verbindt aan de wedergeboorte dadelijk de bekering. Dat had hier aanzienlijk beter gepast.

14. Ooggetuigen als predikers van de verborgenheid van het Evangelie.

De apostelen brachten het Evangelie door de Geest van Christus, die op de vijftigste dag na de opstanding werd uitgestort (1 Petr. 1 : 12). De evangeliën verhalen hetgeen ooggetuigen van het optreden van Jezus meemaakten; de apostelen ontkennen, dat zij hun leer verdichtten (Luc. 1 : 1 vlg.; 1 Petr. 1 : 16). Deze ooggetuigen waren geen neutrale waarnemers, maar „dienaren van het woord" (Luc. 1 : 2).

Waar de woorden en daden van Jezus Christus geen geloof ontmoetten, wekten zij bevreemding en ergernis of boezemden zij vrees in. (Luc. 5 : 26 ; Mare. 3 : 21 vlg.; Matth. 28 : 4 ; Mare. 16 : 8). Het Evangelie van Jezus Christus is een verborgenheid en een geheimenis : er is geloof voor nodig om het te verstaan. (Marcus 4:11 vlg.).

Het wetenschappelijk Bijbelonderzoek vergelijkt de bijbelse verkondiging met uitingen uit andere sfeer, die met deze verkondiging schijnen overeen te komen. Het ziet in, dat geen begrippen uit een niet-Bijbelse sfeer het eigene van het Bijbels getuigenis tot uitdrukking kunnen brengen, tenzij het gevuld wordt met een inhoud, welke aan dat getuigenis zelf ontleend is. In de wetenschappelijke bestudering van de Bijbel zal steeds een spanning merkbaar zijn, omdat zij enerzijds volgens strikt algemeen-wetenschappelijke ihethode wenst te arbeiden en anderzijds de bijzondere aard van het Bijbels getuigenis erkent. 

Met het eerste deel van dit artikel hebben we zeker niet te veel moeite. De apostelen waren ooggetuigen en zo trouwe bedienaars van het Woord. Weinig gelukkig lijkt het ons gezegd, dat ze ontkennen, dat ze deze leer verdichten ! Integendeel hebben ze immers met klem beleden, dat ze het Woord des Levens met handen getast en met de ogen gezien hebben. Dat klinkt toch nog wel heel anders !

Deze prediking ontmoette geloof en ongeloof. Dat doet blijken, dat het Evangelie een mysterie is, , voor de , .natuurlijke mens" ontoegankelijk. Waarom dat hier ook niet met zoveel ronde woorden gezegd ? Het heeft immers meer in, dan de enkele betuiging, dat er geloof nodig is, om het te verstaan.

En dan komt ten besluite het wetenschappelijk onderzoek nog weer eens ter sprake. Naar ons besef had men dat veel beter in het vorige Artikel ingevoegd. De opbouw van het geschriftje is zeker niet zeer harmonisch te noemen. We volstaan nu met te herhalen, wat we zo even al opmerkten : men spreekt weer onbekommerd over „het wetenschappelijk onderzoek", terwijl die eenheid o.i. zeer zoek is. Het is daarom bepaald niet waar, dat , , het onderzoek van de Bijbel" inziet, dat men bijbelse begrippen alleen met bijbelse inhouden mag vullen. Het was in de vorige eeuw helemaal niet waar en al is de felste tijd van de rationalistische bijbelcritiek misschien voorbij, het lijkt er toch niet op, dat men als één man de stelling zou accepteren, die men hier zo algemeen poneert. Beter schreef men, dat de bijbelstudie dat hoort in te zien. Maar deze niet overbodige vermaning ontbreekt. 

Wel wordt gesproken van een spanning in de bijbelstudie. Dat is o.i. erg zachtzinnig gezegd. En we betwijfelen ook, of het terecht zo is geformuleerd. Men stelt het n.l. zo, dat de wetenschap aan de ene kant de Bijbel zal moeten behandelen als elk ander boek, maar toch ook aan de andere kant de bijzondere aard van het bijbels getuigenis moet erkennen.

Dat lijkt ons niet juist. In de eerste plaats moeten we opmerken, dat men zoeven, in Art. 13a heeft ontkend, dat de wetenschap dat eigene van de Bijbel zou kunnen vatten. Hoe kan ze het dan respecteren ? Hoe zal het daarvoor een orgaan hebben ? Maar als dan, naar de overtuiging ook der opstellers, de Bijbel een volkomen uniek boek is, omdat het het Woord van God is, zal dat dan ook niet een totaal andere methode van behandeling moeten meebrengen ? Men zal toch zijn methode dienen aan te passen aan de eigen aard van een voorwerp en niet het voorwerp van studie in een van te voren klaargemaakt schema mogen pressen ? Het is niet geheel duidelijk of we hier weer de al gesignaleerde , , uitpelmethode" ontmoeten : de bolster van de Bijbel algemeenmenselijk-feilbaar, maar de , , pit" uniekgoddelijk en dus onttrokken aan de maatstaven der wetenschap. Maar dan moeten we weer zeggen, dat deze beschouwing in Schrift en belijdenis geen steun vindt. De Schrift als geheel is Gods Woord en daarom met de algemeen-menselijke en wetenschappelijke maatstaven niet te meten. Als men de , , bolster-en-pitmethode" aanvaardt, dan vragen we : Waar liggen de grenzen ? Waar begint en eindigt de willekeur ? Wie wijst hier de weg tussen letterknechtejij en geestdrijverij ? De werkelijke ooggetuigen van Gods heilsdaden, waarvan het begin van Art. 14 spreekt, hebben van die wetenschappelijke bijbelstudie niets geweten. Was het dan maar niet beter geweest, zeker in dit artikel over die wetenschap te zwijgen ? Het zou wel eens kunnen zijn, dat juist de geschiedenis van het , , wetensciaappelijk bijbelonderzoek" de waarheid van dat woord bevestigt, dat we hier helaas niet aangehaald vinden, n.l. dat God Zijn geheimenis voor wijzen en verstandigen heeft verborgen en aan „kinderen" heeft geopenbaard.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 oktober 1954

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Van onze Studie-Commissie

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 oktober 1954

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's