De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

QUO VADIS?

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

QUO VADIS?

15 minuten leestijd

„Mevrouw Van Dalen wacht op antwoord". Dat leerden we vroeger op school. Over dit befaamde ezelsbruggetje trippelt naar stand en anciënniteit de hiërarchie van rekenkundige bewerkingen. Geen hoofs protocol zou deze materie delicater bedisselen. Door mijn hoofd speelt 'n ander wijsje. „Ds. Kret wacht op antwoord". Dominees zijn in de regel niet zo rap van repliek. Ouderlingen en evangelisatie-bestuurderen kunnen daarover een boekje openen. Ik heb geen zin om met ds. Kret een twistgeschrijf aan te gaan. Een discussie ontaardt zo licht. Er wordt genoeg gediscussieerd, maar we zouden nog eens een handleiding, een methodiek voor de discussie moeten hebben. Om Mevrouw Van Dalen nog even te citeren : we verheffen de aparte opgespoorde dwaasheden bij onze geachte opponent tot de belachelijkste macht, daarna vermenigvuldigen we de schaduwzijden van zijn standpunt met de riskante consequenties, vervolgens vierendelen we de lichtzijden, uit het totaal van zijn beschouwingen trekken we triumfantelijk een dwaling, die de kerk al eeuwen lang heeft afgewezen en tot slot tellen we onze sterkste argumenten op en trekken onze zwakste bewijsvoeringen schielijk af.

de kwestie

Laten we het geding herleiden. Ds. Kret heeft moeite met de vigerende doopspractijk. Natuurlijk gaat het niet aan om te zeggen : dat went wel, collega ! "Deze pastor practiseert een andere gedragslijn, die hij verdedigt in het blad , , Enigheid des Geloofs". Middels , , De Waarheidsvriend" uitte Ik mijn zorg. Geheel con amore. Het gaat niet tegen ds. Kret. Het was me een eer, met hem van gedachten te wisselen. Ds. Kret stelt mij voor vragen. Zo gaat het balletje rollen. Nu begrijpt u het invallertje : , , Ds. Kret wacht op antwoord".

besnijdenis en doop

Ik krijg de indruk dat ds. Kret van oordeel is dat de Hand des Heeren in de besnijdenis niet is teruggenomen, maar wel is die Hand in de doop teruggetrokken. Al dadelijk stuiten we op een precaire kwestie. Weliswaar is de ceremonie van de besnijdenis in zwang gebleven, maar of we daaruit mogen concluderen dat de Hand des Heeren niet geweken is, lijkt me aanvechtbaar. Iets anders is, of de Heere blijvend zijn volk verstoten heeft. Deze aangelegenheid valt buiten het kader van deze discussie. Er zijn , , takken afgebroken" (Rom. II). Voor ons is dat een waarschuwing (vers 21), die voor de doop wel degelijk consequenties heeft.

Ds. Kret gaat een andere weg. Hij beschrijft hoe via de volheid van de tijd de besnijdenis tot doop wordt. Letterlijk schrijft hij : „Voordat de besnijdenis tot doop wordt, gaat dit teken door de prediking van Johannes de Doper heen". Dit is een brokje theologie, waar ik zo een, twee, drie geen raad mee weet. Even later : „Ik geloof dat dit de betekenis is van het feit, dat de besnijdenis in het worden tot Doop door Jo­hannes is heengegaan — door de boeteprediker Johannes". Dat , , heengegaan zijn door" is me niet vertrouwd. Wat zou de ootmoedsvolle Johannes de Doper zelf van dit alles gezegd hebben ? , , Alles is sedert Genesis 17 onmetelijk verdiept, ook de ernst van de Doop", zo vervolgt ds. Kret. Of we zo recht laten wedervaren aan Gods doen in Genesis 17, is bedenkelijk. We zijn niet gewoon om oude en nieuwe bedeling te zetten in het schema : minder ernstig — meer ernstig. Meestal is sprake van de karakterisering : wet — genade.

Inderdaad zouden we kunnen verwijzen naar de Bergrede, waar van een verdieping, van een veel ernstiger nemen sprake is. Maar daar raakt het meer de inzettingen der ouden, dan de instellingen des Heeren.

Overigens geeft ik ds. Kret voetstoots gewonnen, dat over de eenheid en het onderscheid besnijdenis—doop nog wel iets valt te zeggen.

mijn bezwaar

Evenmin als ds. Kret, ben ik gelukkig met de doopspractijk. Evenals hij oordeelt dat er tucht moet zijn rondom dit sacrament, ben ik van eenzelfde opinie. Ik heb dat ook tweemaal in mijn gewraakt artikeltje genoemd. Maar de vraag waarom het draait is : waar moet deze tucht inzetten en op welke, wijze ? Waarom allereerst bij de doop begonnen en niet bij het Avondmaal ? Als ik de Schrift goed begrijp, moet de tucht van het centrum naar de peripherie worden uitgeoefend. Hoe scherp kiest Christus telkens positie tegenover de Pharizeën (gij geveinsden....) en hoeveel milder en clementer treedt Hij de tollenaren en zondaren tegemoet. Mijn bezwaar tegen de methode van ds. Kret om niet-kerkgaande adspirant doopouders de doop te weigeren, is, dat juist tegen de peripherie streng wordt opgetreden, terwijl de Pharizeër buiten schot blijft. Het is niet zo heel eenvoudig, dat geef ik toe, maar „het oordeel moet beginnen van het huis Gods", van de kern uit.

Ook ben ik een beetje schuchter om zomaar individueel een strakkere lijn in de dooppractijk toe te passen. Natuurlijk heeft diepgaand overleg met de kerkeraad plaats gehad. Ik meen ook ergens gelezen te hebben dat ds. Kret oudere collega's heeft geraadpleegd, doch die lieten hem even wijs. Toch geloof ik dat het raadzaam was geweest, dat het hele complex van vragen eerst in zo breed mogelijke kring was besproken.

Er is een brede rand, die wèl de doop begeert, maar weinig ernst maakt met het sacrament. Vooral ten plattelande. Doch dit is een voorbijgaande phase. In de stad is die massale toeloop al geruime tijd verleden. Het effect dat ds. Kret beoogt is een kwestie van een of twee generaties. Dan doopt men niet meer, „omdat het zo idioot is". Is dan het gehalte van het zeer gesmaldeelde groepje doopouders in de stad aanmerkelijk beter ? Ach, konden we dat nu nog maar zeggen. Vermoedelijk zal de doopaangifte nog wel verder teruglo­pen. We zijn nog niet over het dieptepunt heen, menselijk bezien.

Ds. Kret moet natuurlijk ook overwegen de indruk van de maatregel die hij propageert. Ik stel me zo voor, dat verschillende jonge mannen op de werkplaats en in de fabriek ontvangen zijn met de suggestie : , , Ziezo, vadertje, nu zul je ook eens naar de kerk moeten, wil je je kind gedoopt zien". AL te gemakkelijk ontstaat een prestigekwestie.

, , Of ik niet vastloop met de vragen van het doopsformulier ? " Zo vraagt ds. Kret me op de man af. Schrift en formulier vereisen een bewijs van betrokkenheid op het Woord. Dat laatste ben ik eens met ds. Kret. Maar waar begint en waar eindigt de betrokkenheid op het Woord ? We zouden kunnen zeggen : noodzakelijk is een bewust geloof. Maar dan moeten we heel andere maatstaven aanleggen. We komen dan uit bij de vragen rondom de deelname aan het Avondmaal. Ik voor mij geloof dat het bij het Avondmaal niet precies gelijk is als bij de doop, al Is het wel bevreemdend, dat de scrupules bij de voorbereiding van het Avondmaal vele zijn en bij de aangifte van de doop weinige. Wij wijzen uitdrukkelijk de R. K. figuur van het zogenaamd „ingewikkeld geloof" af, maar wel kent onze gereformeerde dogmatiek het verschijnsel van het , , omwonden geloof". Dit laatste begrip is moeilijk te hanteren. Maar wanneer we erg accentueren uiterlijke blijken als geregelde kerkgang en andere formele zaken, dan moeten we onze uiterste best doen om uit de buurt te blijven van het gememoreerde phenomen van , , ingewikkeld geloof". Bij randkerkelijken is het gevaar groot dat men de doop vraagt uit motieven van , , bij gelovigheid". Vandaar de begrijpelijke maatregelen, die ds. Kret voorstaat. Maar wat doet hij tegen het niet minder bedenkelijke gevaar van „gewoonte" juist bij sleurkerkgangers, die nog wel als meelevend te boek staan ?

Het heeft me nog wel eens getroffen dat er bij de categorie, die volgens ds. Kret — als ik hem tenminste goed begrijp — nog al makkelijk de toegang tot het sacrament verkrijgen, zo dikwijls ongenaakbaarheid, koude onaandoenlijkheid wordt aangetroffen, terwijl daarentegen bij die onverschillige groep toch soms ineens een verrassend begrip aan de dag treedt. Niet dat dit — helaas —• direct blijkbare consequenties heeft. Ook zou ik niet graag van geloof willen spreken in die gevallen. Maar ik vraag me af : wat is dit toc'h ? Is dit mijnerzijds gevaarlijk subjectief en eenzijdig persoonlijk, wanneer ik zo vaak in gedachten een vraagteken zet bij gevallen, waar toch zo heel veel goeds naar voren komt, terwijl in o zo zwakke- situaties ik geneigd ben tot de gedachte : zou hier toch iets aanwezig zijn van wat ik elders vergeefs zoek ? Men kan zich zo feilloos en onberispelijk uitdrukken, terwijl toch de dood ons tegemoet waait en omgekeerd straalt een wondere gloed ons tegen uit een onbeholpen en uiterst aanvechtbare ontboezeming. Inderdaad lees ik, dat Christus geen tekenen kon doen vanwege ongeloof. Toch lezen we dat Christus ook op een ruime en min scrupuleuse wijze zijn wonderen wegschonk. Wat te zeggen van tien genezenen, waarvan slechts éen terugkwam om zijn dank te betalen ? Nog wel een Samaritaan. Misschien mogen we de wonderen met de heilige sacramenten niet op één lijn zetten. Maar voor mij zijn toch al Christus' wonderen heilige tekenen. Er is heel wat begrip nodig om te verstaan hoe onze grote Zaligmaker een uiterste gestrengheid paarde aan een niet minder verwonderlijke ruimhartigheid. Hoe kunnen we dit in onze doopspractijk verdisconteren ? Kinderen des Koninkrijks buitengeworpen en vreemden niet ver van ditzelfde Rijk ?

Laat ik mijn overwegingen beëindigen. Resumerend heb ik principiële, organisatorische, psychologische, practische, dogmatische en Schriftuurlijke vragen, die min of meer bedenkingen zijn. Evenals ds. Kret gevoel ik me ernstig bezwaard door de vigerende doopspractijk, maar ik kom er niet zo gemakkelijk uit als hij.

liegen.

Inderdaad is het bezwaarlijk voor een kerkeraad om het teken van het verbond uit te reiken, wanneer de doopouders met een stalen gezicht glashard een leugen uitspreken voor de Allerhoogste. In deze gevallen is de tucht geboden. Maar dit zijn uitzonderingsgevallen. Er ligt zoveel tussen in. We kunnen vaker spreken van gewoonte uit sleur, dan van gewoonte uit heilige drang, meer van bij-geloof dan van waar geloof. Nogmaals, waar liggen de grenzen ? Wie is kenner der harten ? Zijn enkele uiterlijke blijken nu heus voldoende ? Ik weet, het is een dooddoener, als men zegt: er zitten zoveel huichelaars in de kerk. Toch is dit bezwaar te ernstig om in deze materie te verwaarlozen. De mensen kennen elkaar al te goed. Het moet wel kwaad bloed zetten, wanneer verschillende huichelachtige schurken, die er helaas wel zijn, niet de minste moeite hebben om hun kroost gedoopt te krijgen. Ik heb al immers als bezwaar genoemd, dat op deze wijze de zondaar getroffen wordt, terwijl de Pharizeër buiten schot blijft. Maar ik zou niet zo grif willen spreken van een leugen. Dat wil zeggen : ik weet óok wel dat al ons spreken van nature liegen is, als het gaat over de waarheid. Ik ben het eens met die dominee, die zei : „ons bidden is maar vloeken van nature". Maar „een man heeft blijdschap in het antwoord van zijn mond, en hoe goed is een woord op zijn tijd". Als we deze kant uit willen, zou ik veel strenger willen zijn.

Maar overigens moeten we voorzichtig zijn met de qualificatie liegen. Let wél : of allen liegen ze, of anders moeten we weten waar we dit oordeel durven plaatsen. Onder een mom van onverschilligheid, met opzet geaccentueerd, gaat toch soms 'n klein vonkske heimwee schuil. Het kerkgaan is een te persoonlijke daad, waardoor men zijn subjectieve gevoelens te veel bloot legt, maar schuilgaand achter de als sluier neerhangende doopjurk en toch nog met een grote mond is men heimelijk blij te ervaren, tegen wil en dank, dat de kerk nog een wonder klein plekje in het hart heeft overgehouden. De radicaal onverschilligen begeren de doop niet meer. Dat leert het bevind in de stad. Het verbond helaas is vandaag geen breedgetakte, schaduwrijke boom, waaronder een groot geslacht beschutting vindt, 't Is een afgehouwen tronk. In dit beeld zie ik ook de doopspractijk getekend. , , Voor een boom als hij afgehouwen wordt is er verwachting. Hij zal van de reuk der wateren weder uitspruiten". , , Verderf ze niet, er is zegen in".

Een mijner vrienden las eens in een heel oud doopregister : , , zijnde het vierde (of vijfde) kind, in overspel geboren van dit vervloekte wijf". Daaruit blijkt dat onze oude vaderen niet zo haastig overgingen tot het weigeren van het sacrament.

quo vadis ?

Waar komen we uit, wanneer we inzake de toelating tot de doop de bakens gaan verzetten ? Dat was mijn vrees en daarom reageerde ik de eerste maal op de begrijpelijke overwegingen van ds. Kret. Ik zag nu wel geen spoken, maar toch zag ik aan het end van de weg, die ons gewezen wordt, als ik ze, tenminste goed onderscheiden kan, de figuren van Kuyper enerzijds en de Labadie anderzijds. Misschien verwijt u me dat ik een carricatuur teken, maar het is een feit, dat we in een carricatuur soms eerder de hedoelde persoon herkennen dan van een portret. De éen leert : alle bondelingen uitverkorenen, behoudens uitzonderingen, en de ander: alleen uitverkorenen bondelingen. De consequenties voor de doop zijn duidelijk. Of we creëren een kerk, die als een brave klont drijft in de Nederlandse pap, óf we handhaven een doopspractijk, die, naar gelang, sprake maakt van gedoopte heidenen of van ongedoopte christenen.

Al met al is het een moeilijke zaak met de sacramenten. Mutatis mutandis komen bij het Avondmaal dezelfde vragen aan de orde. En het blijkt maar uiterst lastig om tussen de Scylla van een massale deelname aan dit sacrament en de Charybdis van een niet minder demonstratief en zelfvoldaan wegblijven door te varen. Ik kan me begrijpen dat vele predikers ernstig afmanen, diep onder de indruk van de hoge heiligheid van des Heeren dis. Maar hebben ze nimmer moeite met het woord : „die zouden ingaan, verhindert gij" ? Zullen ze nog ingaan of gaan ze nimmer in ? Eerlijk, ik weet het allemaal niet zo precies. Ik zit maar te beven voor het Woord. , , Die zouden, ingaan, verhindert gij". Kan ik dan het onveranderlijk eeuwig voornemen Gods verijdelen ? Nogmaals, ik weet het niet. , , Die zouden ingaan, verhindert gij". Dat staat er toch maar in dezelfde Schrift, die het vaste besluit van Gods genadige verkiezing, Gode zij dank, leert. Maar ik word van twee zijden gedrongen. Vooral als het voorbereiding is voor het Avondmaal. Enerzijds de verterende heiligheid van het sacrament, anderzijds het verpletterende : , , die verhindert gij". En een deel der gemeente — en wellicht niet het minste — is verlegen als de jonge Salomo en weet niet in te gaan en niet uit te gaan, niet aan te komen en niet weg te blijven. Zo ontmoeten we elkander in de bediening van het Woord. Ja, en dan verstaan we elkaar nog 't beste.

Scholem Asch zegt van een van zijn romanfiguren : , Zijn geestdrift als ziener ging gepaard met een diepe ongelovigheid". Ik meen dat op mijn manier te verstaan. Wanneer ik allerheiligsten ontmoet, ben ik nog zo wantrouwend, omdat het begin der gehoorzaamheid toch maar zo miniem klein is voor het ongewapend oog en wanneer ik zogenaamde , , dode mensen, waar je nog nooit iets van gemerkt hebt", spreek, meen ik toch soms een vonkske te voelen. Daarom maak ik niet veel verschil in mijn bejegening van mensen. Voor Gods kind kan het nooit kwaad, dat we hem niet te hoog in de boom zetten en voor een , , doodbrakende Heman" kan het nog wel eens goed zijn als we hem niet al te zeer negeren, terwijl niemand zo bedrogen wordt.

er zijn grenzen

Toen destijds de kwestie ds. Paauwe diende, werd gezegd : wat een drukte om een paar vrijzinnige lidmaten ; er worden jaarlijks zoveel dode leden, allerrechtzinnigste, aangenomen en ingeschreven. Een dergelijke uitspraak verraadt een heilloos relativisme. Ik ben het met ds. Kret eens dat er toch tenslotte grenzen zijn. Onze vaderen spraken ook van een houden voor gelovigen, als van wandel en belijdenis niets viel te zeggen. Over de verborgenheden van het hart oordelen we niet. Trouwens we hebben met de geopenbaarde uitleving al genoeg te stellen. Er zijn tenslotte grenzen. Ds. Kret heeft een stippelijntje getrokken. Ik weet eerlijk niet waar ik de streep zetten moet. Hoe ik het met de vragen en het formulier maak ? Och, niet heel veel anders dan ds. Kret.

Ik heb de indruk, dat hij toch ook niet belijdenis van bewust persoonlijk geloof vraagt. Daarom is hij evenmin , , van de bewijslast ontslagen".

Prof. Haitjema hoeft nog geen supplement op zijn tweede druk van , , De richtingen in de Ned. Hervormde kerk" uit te geven, om dit ons geschil te releveren als een nieuwe spanning in de Bond. Ik geloof niet dat we tegenover elkaar staan. Als ik me niet bedrieg, staat ds. Kret op de rand van het bos, terwijl ik er al een enkele stap in verdwaald ben.

Misschien krijg ik weer antwoord van mijn hooggeachte collega. Of ik dan nog weer antwoord, geloof ik niet. Ik heb er nu wel heel veel van gezegd. Zóveel naar ik hoop, dat mijn ontboezemingen het sein geven tot een ernstig gesprek in brede kring.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 oktober 1954

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

QUO VADIS?

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 oktober 1954

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's