Van onze Studie-Commissie
De Leer aangaande de Heilige Schrift
17.
De Bijbel als het Woord van God.
De Kerk belijdt, dat de Bijbel is het Woord van God. Daarom noemen wij dit boek : de Heilige Schrift. In deze Schrift hebben wij de schat der heilsopenbaring, de vertroosting van het verbond, de bediening van de verzoening en de prediking van het Koninkrijk. Zij is het woord der waarheid, zonder leugen en zonder dwaling. Aan haar leiding kunnen wij ons in vertrouwen overgeven.
Zij openbaart geen andere Heer dan Jezus Christus, en geen andere God dan de Vader van Jezus Christus, door haar spreekt geen andere Geest dan de Geest van Jezus Christus en van God de Vader.
De structuur van dit artikel kan niet erg gelukkig genoemd worden. Wellicht zal deze samenhangen met de in de inleiding gemaakte opmerking omtrent het verband tussen het gezag der Heilige Schrift en haar inhoud.
Het is daarom niet zo vreemd, dat het gezag — niet zonder de indruk van willekeur te maken — wordt toegekend aan, althans verbonden met datgene, wat men als meest gezaghebbende inhoud wil laten gelden, als : de schat der heilsopenbaring, de vertroosting van het verbond, de bediening der verzoening en de prediking van het Koninkrijk, evenals of de Heilige Schrift niet anders dan zulke hoopvolle zaken aan de mens openbaarde.
Er is nog zoveel meer, dat de Heilige, Schrift openbaart, als b.v. dat God hemel en aarde geschapen heeft, dat Hij de mens naar Zijn beeld heeft geschapen, dat de mens is gevallen, dat door zijn ongehoorzaamheid de zonde in de wereld is gekomen en door de zonde de dood, dat de dood is doorgegaan tot alle mensen, enz. enz.
Zonder deze de mens veroordelende openbaring missen bovendien de in art. 17 genoemde vertroostingen haar grondslag en kracht.
Moet men uit een en ander de conclusie trekken, dat dit niet tot de gezagvolle inhoud der Heilige Schrift en der prediking wordt gerekend ?
Mij dunkt, dat in dat geval niet ten onrechte van willekeur wordt gewaagd.
Het heeft er zo alle schijn van, dat de Heilige Schrift, zoals zij ons hier wordt voorgesteld, eigenlijk niet Gods Woord is. Maar wat betekent dan de zinsnede: „De Kerk belijdt, dat de Bijbel Gods Woord is ? "
Ook is het niet juist, dat het gezag zou hangen aan de inhoud, die zelf dit gezag meebrengt, want dan wordt het gezag bepaald door de man, die uit de inhoud kiest, wat hem gezagvol voorkomt. Men wil geen bewijsvoering, die formeel aan het belijden voorafgaat (zie inleiding), maar wat doet men hier?
Door ik weet niet welk subjectief oordeel wordt de gezagvolle inhoud der Schrift bepaald.
't Behoeft dan ook geen verbazing te wekken, dat men van de dienstknechtsgestalte van de Heilige Geest (zie par. 16) spreekt, want deze schijnt zich volgens deze wijze van redeneren ook te onderwerpen aan de menselijke voorkeur omtrent de inhoud der Heilige, Schrift, voor zoveel die goddelijk gezag zou verdienen.
Daarmede wordt ook de volgende zinsnede, welke de uitdrukking onfeilbaar in dit verband schijnt te willen vervangen, niet weinig verzwakt: n.l. zij is het woord der waarheid, zónder leugen en zónder dwaling.
Dreigt hier niet het gevaar, of schuilt het er mogelijk reeds achter, dat men zich aan de leiding van de Heilige Schrift kan toevertrouwen voor zover men die leiding gezaghebbend vindt?
Wat de tweede alinea betreft, ook deze kan naar de vorm moeilijk bevredigen, terwijl de Godsopenbaring waarlijk wel vóór de heilsopenbaring had mogen gaan.
Men wil het verbond centraal stellen, maar wat anders kan men onder het verbond verstaan, dan de vorm, waaronder God met de mens wil omgaan en handelen? Daarom ligt het reeds in de aard van het verbond, dat men eerst vanuit de Godsopenbaring, derhalve vanuit de kennis van God en vanuit de kennis van de mens, zoals die in de Schrift gegeven is, van het verbond kan handelen.
Daarin gaat de Heilige Schrift ons trouwens voor.
Indien men over de inhoud der openbaring wil spreken in een artikel, dat over het goddelijk gezag der Heilige Schrift handelt, — wij vreezen, dat men deze uitdrukking niet zonder restrictie zou overnemen — dan diende daarin toch eerst gezegd, dat God zich in Zijn Woord openbaart als de Drieënige : d.i. in Zijn Driepersoonlijk Wezen, om dan nader iets over de goddelijke huishouding en over de mens te zeggen.
Eerst daarna zou het verbond, zijnde de verhouding waarin God met de mens wil omgaan, aan de orde komen.
Art. 17 is trouwens meer verklarend dan belijdend, meer conditioneel en gereserveerd dan positief.
Men kan met deze redactie naar links en naar rechts. Zij draagt het karakter van een compromis.
Art. 18. Onderzoekt de Schriften ! Predikt het Woord!
Geen menselijke belijdenis, verklaring of beschrijving kan ook maar bij benadering de volheid, de rijkdom, de diepte en de heerlijkheid van het getuigenis der Schriften tot uitdrukking brengen. Ons nadenken en spreken over de Schrift is altijd vlak en stuntelig en het kan zo hoogmoedig zijn. Daarom moeten wij steeds weer inkeren tot een ootmoedig, aandachtig en volhardend luisteren naar de woorden der Schrift.
Wij danken God, dat Hij ons troost door zijn Woord, ook al kunnen wij ons er niet goed rekenschap van geven, hoe dat Woord werkt in onze harten. Wij mogen Zijn getuigen zijn, ook al verstaan wij het niet, hoe de Geest het Woord levend maakt en vrucht doet voortbrengen.
Dit artikel valt de facto of strikt genomen buiten de leer aangaande de Heilige Schrift.
Dat heeft ook tengevolge, dat heel de motivering, welke hier gegeven wordt, buiten de Schrift omgaat.
Het motief om de Schrift te onderzoeken en te prediken wordt voorgesteld als liggende in de mens : omdat ons nadenken en spreken over de Schrift zo stuntelig is, moeten wij ootmoedig, aandachtig en volhardend luisteren naar de woorden der Schrift.
Dit vroomklinkend humanisme openbaart zich nog meer in de laatste alinea : Eigenlijk zou men de weg en de werking van de Heilige Geest, „die het Woord levend maakt", willen bevroeden, aleer zich daaraan over te geven.
Wij vragen : Waar is nu het goddelijk gezag van de Schrift, als men dergelijke motiveringen naar voren brengt, terwijl het goddelijk bevel, zowel voor het Schriftohderzoek als voor de prediking, daar ontwijfelbaar duidelijk in gegeven is ?
Deze menselijke motiveringen verraden ook onze onderstelling bij de lezing van art. 17, dat de erkenning van het gezag der Heilige Schrift afhankelijk wordt gesteld van een puur menselijke waardering van haar inhoud.
Zulk een verlegging van het zwaartepunt kan nimmer overeenkomen met de belijdenis van de kerk, die de Heilige Schrift zonder restrictie als Gods Woord ontvangt, evenals of wij de levende stem Gods uit de hemel horen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 november 1954
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 november 1954
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's