DE LITURGIE
Referaat gehouden op de ledenvergadering van de Gereformeerde Bond. op 28 April 1954 te Utrecht
(V)
In het nummer van 18 Nov. 1.1. schreef ik over de cursief gedrukte zinsneden in het Avondmaalsformulier. Volgens 't voorwoord van het ontwerp dienstboek zijn de cursief gedrukte zinsdelen facultatief gesteld. Dienovereenkomstig gaf ik mijn mening hierover, onder voorbehoud, dat ik het niet goed verstond. Nu is de heer Broeren uit Slikkerveer zo goed geweest nadere inlichtingen te verstrekken. Hij citeert uit zijn studie , , Van het Avondmaal des Heeren" : , , De cursief gedrukte zinnen van het oude Avondmaalsformulier heeft de Commissie niet als facultatief bedoeld. Het is een vergissing in de druk, die verbeterd zal worden.
Verder schrijft hij nog in de aan mij gerichte brief : daar ik op pag. 80 ook critiek had uitgeoefend op de verplaatsing van het Apostolicum in het oude formulier, heeft de Commissie naar aanleiding daarvan, zoals eveneens vermeld op pag. 145, aan de Synode voorgesteld, dit weer op de oude plaats te brengen, waartoe de Synode in Juli 1952 heeft besloten.
Wij zijn de heer Broeren zeer dankbaar voor zijn inlichtingen. Intussen blijven voor mij vanzelf de bezwaren gelden die ik tegen het ontwerp dienstboek in het algemeen heb ingebracht.
We gaan nu weer verder met de stof van ons referaat. In het vorig artikel gaven we de orde van dienst, die wij thans volgen. Enkele opmerkingen willen we in verband met die orde nog maken.
a. We volgen hierbij voor een groot deel een bepaalde orde van het ontwerp dienstboek. Waarom zouden we dat ook niet. Er is voor ons heus nog wel wat uit te leren. En het goede er uit te gebruiken, brengt ongetwijfeld winst. Wel sloten we ons aan bij de soberste orde van dienst met weglating van het fa cultatief gestelde. Deze soberheid zochten we om de reeds eerder genoemde redenen.
b. Na de lezing van de wet of de apostolische geloofsbelijdenis laten we geen psalmlied zingen. De practische reden daarvoor is, dat we de inzameling der gaven willen gesteld zien als een zelfstandig onderdeel der orde. M.a.w., de gemeente zingt en de organist bespeelt het orgel tijdens de volle duur van de inzameling. Zo nodig, zingt de gemeente vier coupletten : vaak een gezegende bezigheid.
Verder lijkt ons in. het voorgebed de reactie van de gemeente op de lezing van de wet volkomen tot zijn recht te kurmen komen, zoals we daarop ook reeds in een vorig artikel wezen in verband met de schuldbelijdenis en smeking om genade.
c. Dat de Schriftlezing geplaatst wordt voor het voorgebed en niet daarna, vindt zijn oorzaak louter in de practijk. Persoonlijk zou ik liever terstond na de lezing van de wet het voorgebed geplaatst zien, daarna de Schriftlezing, dan de inzameling der gaven en vervolgens de prediking. Het zuiverst beantwoordt immers m.i. de orde aan de rechte geestelijke instelling van de gemeente Gods, als terstond na de lezing van de wet, Gods aangezicht in het gebed wordt gezocht.
Echter deze verandering in de orde zou voor de ouderling, die leest, de beide delen van zijn arbeid (wets- en Schriftlezing) van elkander scheiden, wat ietwat bezwaarlijk is. Zodoende hebben we het in dit opzicht nog bij het oude gelaten. Het geldt hier m.i. ook een zaak van zeer ondergeschikt belang, aangezien ook in het lezen der Schrift terstond na de wetslezing weer iets ligt, dat spreekt.
d. De tussenzang wordt gehandhaafd omdat de gemeente deze over het algemeen wel op prijs blijkt te stellen. Zij heeft ook waarschijnlijk dit practisch nut, dat de dommelenden weer klaar wakker worden. Bovendien is het psychologisch ook wel juister om een preek van zeg ruim vijftig minuten te onderbreken met het zingen van een psalmlied, omdat anders de aandacht in het algemeen te veel dreigt te verslappen. Bovendien geeft de tussenzang gelegenheid om de gemeente in haar lied zeer nauw bij de prediking te doen aansluiten.
Ons rest nu nog Iets te schrijven betreffende een gevaar, dat dreigt.
We verkeren kerkelijk ongetwijfeld in een overgangstijd. Veel is en wordt op stapel gezet en veel en velerlei wordt op de helling gebracht. Een nieuwe bijbelvertaling kreeg haar beslag, welke — men moge meer of minder waardering voor haar hebben — zeker haar weg vindt bij het overgrote deel van het kerkvolk. Een nieuwe psalmberijming is aarn de orde gesteld. Er wordt, voor zover we weten, ijverig aan gearbeid. Het rhytmisch zingen heeft ook al heel wat gemoederen in beroering gebracht.
Het is op zichzelf best te begrijpen, dat men in onze kringen in het algemeen gereserveerd staat tegenover deze vernieuwingen en nieuwigheden, welke soms weer niet zó nieuw zijn, als ze aandoen. Zo is het althans toch wel met het rythmisch zingen.
We behoeven ook allerminst maar terstond hoera te roepen over allerlei nieuwigheden. Laat ons het eerst maar eens rustig onderzoeken.
Doch het gevaar, dat ik hier zie dreigen is, dat er in onze, gelederen zich zou openbaren een wettische verstarring ten opzichte van bepaalde vormen. Die is! o.i. hier en daar te signaleren. En wordt deze geest in onze kringen ook niet — bewust of onbewust — somwijlen gevoed ? Er dreigt een wet tische verstarring, waarin men zweert bij het oude, omdat het oud is, en verwerpt het nieuwe, omdat het nieuw is. Tegelijk daarmee komt de farizeër om de hoek gluren, diie de mug uitzijgt en de kernel doorzwelgt. Het zwaartepunt wordt verlegd naar bijkomstige dingen of — om de uitdrukking onzer vaderen te gebruiken — naar zaken, die tot de middelmatige dingen behoren. Dan komen we in een sfeer, waarin men b.v. het niet-rytmisch zingen tot een schib-boleth heeft verheven. Men zet zich al vooruit af tegen de nieuwigheden in een vasthouden aan oude, soms slordige en muffe vormen. De gezichtskring wordt al meer verengd. Ik heb wel gehoord van een gemeente, waar het gewicht van een predikant gewogen werd aan zijn al of niet laten staande-toezingen na de bediening van de H. Doop. Een andere gemeente staat op het horen van het woordje „ende". Dit is historisch en van deze tijd.
Hier glimlachen we om, maar met allerlei andere dingen beweegt men zich eigenlijk in hetzelfde vlak. Ik noemde reeds het al of niet rhytmisch zingen. Persoonlijk ben ik hiervan geen voorstander, maar niettemin 'betreur ik het ten zeerste, als in het niet-rhytmisch zingen één van de kenmerken van de gereformeerde eredienst zou worden gezien.
De tijd zal komen, dat er een nieuwe psalmberijrning komt. Hoe die zal zijn, weten we niet. Moge zij waarlijk goed zijn, beter dan de oude. Maar wee onzer, als steeds meer in de practijk van het gemeentelijk en kerkelijk leven de strijd naar die fronten wordt verlegd.
Ja, ik meen zelfs tot voorzichtigheid en betrachting van grote wijsheid te moeten manen ten opzichte van de nieuwe bijbelvertaling. Er is maar o zo weinig toe nodig om het zich houden aan de Statenvertaling zonder meer als het schibboleth te doen gelden. Ik spreek thans niet een waardeoordeel uit betreffende beide vertalingen. Het spreekt echter vanzelf, dat de Statenvertaling ons allen het naast aan het hart ligt. Niettemin zou ik het toch betreuren, als de scheidslijn tussen onze gemeenten en de anderen (ons volk en de anderen) ook bepaald werd door het al of niet gebruiken van de Nieuwe Vertaling. 'Daardoor zouden we waarschijnlijk steeds meer afgegrendeld worden voor de buitenwereld, en in allerlei twist beginselstrijd gaan zien, zonder dat het die waarlijk is.
Op allerlei vragen, die hier rijzen, kan ik nu niet ingaan. Het is mij er slechts om te doen er op te wijzen dat hier het hoofdtront niet ligt.
We bedoelen niet, dat het nieuwe maar voetstoots moet worden aanvaard. Maar we zien het wél zó, dat de satan het er beslist op toelegt om ons, zo hij kan, te laten vastlopen in de wettische verstarring. Daar wordt het standpunt een bevroren standpunt, en bijt men zich vast met de farizeërs in vaste, maar dode vormen.
We gunnen de vijand het vermaak niet, dat de strijd naar dat front wordt verlegd en moeten elkander daarom telkens oproepen om soepel te staan in de stroom van het kerkelijk leven, d.w.z. bereid om ook nieuwe vormen te toetsen aan het Woord en zo nodig oude niet-verantwoorde vormen te laten varen, zonder te doen alsof de zaak hiermee staat of valt.
Echter verduistere deze soepelheid de principiële houding niet. We haasten ons om dit er terstond op te laten volgen. Want we willen voorkomen dat zij onder ons in de handen klappen, die het met die „lastige" gemeente en mensen maar niet stellen kunnen en daarvan alleen de schuld zoeken! bij het starre staan van die mensen op bepaalde vormen, terwijl echter de waarheid is, dat ze op de kansel niet veel meer dan wat laffe kost geven. Want dit moet gezegd worden : heel vaak is er van die zogenaamde starheid van die „starre" mensen niet veel meer te bespeuren, zodra zij maar waarlijk onder levende, hartontdekkende en Christusverheerlijkende bediening des Woords zitten. — Zelfkennis is een noodzakelijke zaak, vooral ook voor ons, predikanten. We zoeken overal de oorzaak, behalve bij onszelf. Laat ons eerst eens vragen, hoe we preken ; of we wel Schriftuurlijk het leven des geloofs, met de worstelingen daaraan verbonden, de ganse verlorenheid des mensen en de vrijmacht der genade Gods in Christus in de toepassing van de Heilige Geest aan de gemeente voorstellen. Daarom mag nooit vergeten worden, dat we allereerst onze principiële houding hebben te openbaren in een waarachtig buigen voor het Woord. Waar ons het Woord de weg wijst, zullen we van geen wijken weten. We hebben voor te dragen en te verdedigen de leer des Woords, op de grondslag van, in overeensteming met en in gemeenschap met de belijdenis der Kerk, ja, levende het leven, in die belijdenis vertolkt.
Als predikanten, kerkeraden en de leden der gemeente zó waarachtig de banier des Woords opheffen ; als gegraven wordt in de erfenis, ons door de vaderen nagelaten en geworsteld wordt om dieper de heilige leer te verstaan, zo moet de duivel zijn tanden stuk bijten zonder enige winst te kunnen boeken.
** Tenslotte : ieder wete, dat formalisme ons zeer kwetsbaar maakt, maar dat oefening in de Schriften en getuigen daaruit pantseren en onkwetsbaar maken, ja, tot overwinning voeren. Het eerste brengt slechts het huis, op de zandgrond gebouwd, doch het laatste brengt ons het huis op de rots.
We willen besluiten' met het doorgeven van de wijze raadgeving van Calvijn in zijn Institutie (IV, hoofdst. 10, 30) :
, , 'Maar, naardien Hij, wat betreft de uiterlijke discipline en ceremoniën in het bijzonder niet heeft willen voorschrijven, wat wij daarin volgen moeten (omdat Hij wist en voorzag, dat zulks hangt aan de staat en de gelegenheid der tijden, en ook oordeelde, dat enerlei vorm en gestaltenis niet past op alle eeuwen), zo moeten wij alhier de toevlucht nemen tot de algemene regelen, die Hij gegeven heeft om daarnaar te richten en te schikken al die geboden en wetten, die de nood der Kerk zal vereisen tot onderhouding van eerlijkheid en orde. Eindelijk, dewijl Hij daarom van de uitwendige discipline en ceremoniën niets uitdrukkelijks geleerd heeft, omdat deze ter zaligheid niet noodzakelijk zijn, en naar de behoefte van het volk en de tijd van een ieder op verschillende wijzen toegepast moeten worden tot stichting van de kerk, zo inag men zowel de gewone veranderen en afschaffen, als de nieuwe instellen, zoals dit tot welstand van de kerk nuttig en oorbaar is. Ik beken voorwaar, dat men niet lichtvaardig, noch dikwijls, noch om geringe oorzaken tot verandering en vernieuwing voortvaren moet. Maar de liefde zal zeer wel oordelen, wat schadelijk of stichtelijk is ; indien wij aan de liefde het bestuur en het beleid overlaten, zo zullen alle dingen welgaan.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 december 1954
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 december 1954
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's