Syllogismus Practicus
DE ZOGENAAMDE
Men vergeve ons dit niet voor ieder direct duidelijke opschrift. De zaak zelf is echter ook aan het eenvoudige gemeentelid, dat zijn Catechismus kent, niet onbekend. Het geldt hier allerminst een , , studeerkamerkwestie", doch een onderwerp dat onmiddellijk het geloofsleven raakt. Syllogisme betekent sluitrede ; de practische sluitrede dus, die gevonden wordt in Antw. 86 van de Heid. Catechismus, het tweede lid: , , daarna ook, dat elk bij zich zelven van zijn geloof uit de vruchten verzekerd zij "
In zijn Xllde stelling tekent dr. J. de Bruyn hiertegen bezwaar aan : „Het is niet juist om, zoals Zondag 32 van de Heidelbergse Catechismus doet, de geloofszekerheid mede te laten afhangen van de goede werken als vruchten van het geloof".
Toen dan ook ter promotie de kerkelijke hoogleraar dr. A. A. van Ruler zijn aanval zeide te zullen richten op de Xlde stelling (waarin de promovendus Van Ruler's opvatting over de verhouding van Oude en Nieuwe Testament critiseert) doch op deze XIIe, gevoelde men de spanning onder de aanwezigen stijgen. Alweer met een tikje humor verklaarde prof. Van Ruler de syllogismus practicus met enige Schriftwoorden uit het Nieuwe Testament (aan het bijzondere van welks openbaring hij volgens stelling XI tekort zou doen !) te willen verdedigen : 1 Joh. 3 VS. 14 ; VS. 18, 19 ; vs. 24 ; 2 Petr. 1 VS. 10 ; 2 Cor. 13 vs. 5 ; Matth. 12 vers 33 ; ook Matth. 5 vers 16 (al is dit woord niet rechtstreeks op de s. p. betrokken). Uit Ursinus' Schatboek voegen wij hier nog bij : Gal. 5 VS. 6 en vs. 22 ; 2 Petr. 1 vs. 5—7.
Tijdsgebrek was oorzaak dat de hoogleraar zijn dogmatische overwegingen beperken moest tot de ene opmerking : in antw. 86 wordt de gelovige zeker van zijn geloof. Niet bedoeld is, dat de nieuwe mens valt binnen de waarneming van de oude mens.
In zijn korte antwoord betoogde dr. de Bruyn, dat om verwarring te voorkomen, alleen de belofte van God grond dient te zijn van de heilszekerheid.
In alle bescheidenheid zij ons de opmerking veroorloofd, de indruk te hebben, dat onze Leeuwarder collega geen recht doet aan de bedoeling van de Catechismus. Het is wel allerminst de bedoeling, dat de goede werken grond zouden zijn van de geloofszekerheid.
, „Ik heb steeds mijn best gedaan ; heb netjes geleefd, enz." is wel de meest, platvloerse vorm van deze dwaling, die in de practijk maar al te vaak voorkomt. Uit angst hiervoor koipe men toch niet tot een verwerpen van wat antw. 86, tweede lid, leert. De bevinding der gelovigen is, dat dit naar het leven getekend is. 'De geloofszekerheid hangt niet zozeer van de goede werken af, al's wel, dat zij er het begeleidend verschijnsel van is. Een slordig christen toch kan onmogelijk een blijmoedig mens zijn. , , Elke terugval in de zonde doet ons twijfelen aan de oprechtheid onzer bekering ; en elke triumph over Satan en zijn verzoeking bevestigt ons in de zekerheid, dat ons geloof Gods werk was" (dr. G. Oorthuys, De eeuwige jeugd van Heidelberg, blz. 179).
Met deze regelen is o.i. het voornaamste reeds gezegd. Toch willen we gaarne van de gelegenheid gebruik maken om nog enkele dingen op te merken. De opstellers van ons oude leerboek waren ook met betrekking tot de syllogismus practicus goede leerlingen van Calvijn. Men leze er diens Institutie, Boek III, hfdst. XIV par. 19 en 20 maar op na.
Het geven van een breed citaat zij ons vergund.
, , Wanneer dus de heiligen hun geloof versterken uit de onschuld hunner consciëntie, en daaraan stof ontlenen tot blijdschap, doen ze niets anders dan uit de vruchten van hun roeping besluiten, dat ze door de Here tot kinderen zijn aangenomen. Wat dus door Salomo geleerd wordt (Spr. 14 vs. 26), dat in de vreze des Heeren en sterke gerustheid is, en dat ook de heiligen somtijds, om door den Here gehoord te worden, deze betuiging gebruiken, dat ze voor zijn aangezicht gewandeld hebben in oprechtheid en eenvoudigheid (Gen. 24 VS. 40 ; 2 Kon. 20 vs. 3), dat dient geenszins tot het leggen van een fundainent ter versterking van de consciëntie; maar dan eerst hebben die woorden betekenis, wanneer ze achteraf genomen worden : want nergens is zulk een vreze des Heren, dat ze een volle gerustheid zou kunnen vestigen, en ook zijn de heiligen zich bewust, dat ze zulk een zuiverheid hebben, die nog met vele overblijfselen des vleses vermengd is. Maar aangezien ze aan de vruchten dêr wedergeboorte het bewijs ontlenen, dat de Heilige Geest in hen woont, versterken ze zich daardoor niet weinig hiertoe, dat ze in alle nood de hulp Gods mogen verwachten, daar zij in een zo grote zaak ondervinden, dat Hij hun Vader is. En zelfs dat kunnen ze niet, tenzij ze eerst Gods goedheid, die door •geen enkele andere zekerheid verzegeld is dan die der belofte, hebben aangegrepen". U ziet: de syllogismus practicus maakt het steunen op de beloften Gods in geen enkel opzicht overbodig. Deze blijven de grond der heilszekerheid. Calvijn merkt even verder dan ook op : , , Wij zien dan, dat in de heiligen niet aanwezig is zulk een vertrouwen op hun werken, dat ze. aan de verdienste van die werken iets toeschrijven (want ze beschouwen ze niet anders dan als gaven Gods, waaruit ze zijn goedheid leren kennen, en niet anders dan als tekenen van hun roeping, waaruit ze hun verkiezing opmaken). of iets onttrekken aan de onverdiende gerechtigheid, die we in Christus verkrijgen : daar dat vertrouwen van die gerechtigheid afhangt en zonder haar niet bestaan kan. Dit geeft Augustinus met weinig woorden, maar keurig, te kennen, wanneer hij schrijft: , , Ik zeg niet tot den Here : veracht de werken mijner handen niet; ik heb den Here gezocht met imijn handen, en ben niet bedrogen ; maar ik prijs de werken mijner handen niet aan ; want ik vrees, dat, wanneer Gij ze beziet, Gij meer zondeni zult vinden dan verdiensten j dit alleen zeg ik, dit vraag ik, dit begeer ik : veracht het werk uwer handen niet; zie uw werk in mij, niet het mijne ; want indien Gij het mijne ziet, veroordeelt Gij het; indien Ge het uwe ziet, kroont Gij het ; want ook de goede werken, die ik heb, zijn uit U".
Van Calvijn naar Voetius is ook in deze slechts een enkele schrede.
Kuyper (E Voto, 3de druk, deel III, blz. 386 e.v.v.) citeert letterlijk tal van vragen uit diens Catechismus. We geven hier het belangrijkste weer.
Vr. : Waaruit zal ik mij verzekeren, dat mijn geloof goed is ?
Antw. : Uit de vruchten deszelfs. Matth. 7 VS. 17 ; Jac. 2 vs. 18.
Deze vruchten zijn de goede werken. Het gaat hier om de particuliere toepassing en verzekering des geloofs.
Vr. : Vertrouwen wij dan zekerlijk op onze werken ?
Antw. : Neen.
Vr. : Hoe zijn wij daardoor zeker ? Antw. : Omdat wij uit en door dezelve, als uit en door een gewis teken en volgende vrucht van onze gemeenschap met Christus' heiligmaking en rechtvaardigmaking verzekerd worden dat ons geloof geen dood geloof, of bedriegelijke persuasie, maar een oprecht, levend en rechtvaardigmakend geloof is.
Doch genoeg.
Heid. Catechismus antw. 86, tweede lid, blijven we gaarne als Schriftuurlijk aanvaarden. Een oud vriend uit Zeist schreef mij over dit onderwerp en stelde o.m. de vraag : , , in hoeverre doen de gelovigen zèlf de goede werken ? " We verwijzen naar het Augustinus-citaat bij Calvijn, hierboven afgedrukt.
, , En weten ze wel steeds, dat zij ze doen ? " We zeggen in het licht van Matth. 25 VS. 37—40 : neen. Spontane geloofsgehoorzaamheid houdt geen boek van „goede werken" en het loon van vreugde en vrede is geen vrucht van verstandelijke redenering, doch onmiddellijk begeleidend levensverschijnsel.
Deze broeder had onlangs in een preek horen zeggen : , , de goede werken liggen alleen maar opgestapeld rondom het kruis". Maar, zo merkt hij op : de geestelijke wapenrusting wijst toch op persoonlijke strijd ? Inderdaad. Niet alleen Ef. 6 vs. 10 e.v.v., ook Ef. 2 VS. 10 (in Christus 'geschapen tot goede werken, welke God voorbereid heeft, opdat wij daarin zouden wandelen), duidt op een persoonlijke toepassing door de Heilige Geest in het leven der gelovigen, die in de prediking niet onvermeld mag blijven.
Zo bracht de syllogismus practicus ons midden in , , de practijk der godzaligheid" of het leven des geloofs, waarop voortgaande bezinning geboden blijft.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 december 1954
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 december 1954
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's