De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Cultuur

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Cultuur

6 minuten leestijd

Wij gewaagden in het vorig nummer van cultuur. Bij het woord cultuur denken velen aan kunsten en wetenschappen en niet minder aan de moderne techniek. Inderdaad heeft dat alles wat met cultuur te maken en voor velen is daarmede wellicht de cultuur bepaald. Voor anderen is de cultuur mogelijk eerder gelegen in een zeker cultuurleven, dat in film en dans opgaat. Hoezeer ook deze te maken hebben met de cultuur in algemene zin, gaan dergelijke opvattingen toch langs de hoofdzaak heen.

Cultuur kan niet alleen bepaald worden door datgene, wat het menselijk geslacht voortbrengt aan levensvormen, zoals wij die ontmoeten in gezin, familie, stam, maatschappelijke en staatkundige orde, aan gereedschappen en machines om zijn bestaan te vergemakkelijken en aan zijn vindingen tot veraangenaming en beveiliging van zijn leven, wij denken hierbij o.a. ook aan de geneeskunst, aan genotmiddelen en spelen,  dat alles hangt samen met onze cultuur en zij typeren ons cultuurleven zelfs, maar cultuur vraagt iets ogers en bedoelt, als het goed zal zijn, de mens in de volkomenheid overeenkomstig de eis van zijn wezen, d.i. de schepping naar het beeld Gods,

Het humanistisch ideaal van volmaaktheid vertoont daarvan nog een zwakke en ijdele glimp.

De mens vervult de taak, welke hem krachtens zijn natuur schijnt opgelegd. Hij heeft voedsel, kleding en woning nodig en moet in die behoeften trachten te voorzien. Het is daarom niet zo verbazingwekkend, dat een man als Hobbes aan een natuurlijke drang tot zelfbehoud de eigenlijke impuls toeschrijft, waaruit het cultuurleven is ontstaan.

Deze verklaring is wel erg simpel, maar bevat toch zekere waarheid. Honger drijft uit om verzadiging te zoeken. Gevaar dringt tot ontkoming en afweer. In zoverre is er. wel iets in, doch dat dit natuurlijk beginsel niet uitreikt om de veelheid van factoren, die in het menselijk leven een rol spelen te verklaren in hun werkingen en wederkerige invloeden, is wel duidelijk geworden.

Ieder kan toch inzien, dat de zucht tot zelfbehoud als levensprincipe gesteld tot een uitgesproken eenzijdig egoïsme moet voeren. Hoe wil men uit zulk een zelfzuchtig beginsel enige maatschappelijke orde verklaren, die toch altijd een zeker offer vraagt van de individuele mens, eerbied voor het leven van den naaste en ook zorg voor hem.

Zelfs op heidense bodem, waaruit deze wijsbegeerte is opgeschoten, heeft men dit beter verstaan al verheugde men zich nog niet in het licht der openbaring. Een wijsgeer als Aristoteles heeft ingezien, dat de mens , , van nature" een sociaal wezen is.

Het woord cultuur zelf wijst trouwens op een merkwaardig verschijnsel, dat bij de z.g. natuurvolken wordt aangetroffen. Men bedoelt met natuurvolken de primitieve stammen b.v. in centraal Afrika, op de eilanden in de Stille Zuidzee e.d.g. Deze term natuurvolken is, als het er op aankomt, niet juist, omdat er feitelijk geen volk leeft, dat geheel zonder cultuur is, hoewel deze, zeer weinig ontwikkeld kan zijn. Vroeger sprak men van „wilden", doch dat is ook niet juist en verdient geen aanbeveling.

Doch om op het woord cultuur terug té komen, dit komt van een woord stam, die tegelijkertijd de verering der goden en het akkerwerk aanduidt.

Wat het laatste betreft, kan ieder begrijpen, dat de cultuur begint bij de zorg om in de eerste levensbehoefte te voorzien. In de wijze waarop de mens dat doet, onderscheidt hij zich van het redeloos gediert als een met rede begaafd wezen.

Wanneer de mens op jacht gaat, vindt hij reeds spoedig middelen om het zich gemakkelijker te maken. De woorden jacht en jagen zouden er immers op kunnen wijzen, dat men oorspronkelijk begon met de gewenste prooi in een wedloop te overwinnen. Reeds spoedig wapende hij zich, leerde hij sommige dieren temmen en begon hij zich toe te leggen op veeteelt.

Naarmate hij vaste woonplaatsen koos, oefende hij zich ook in akkerbouw, terwijl mogelijk akkerbouw wederkerig aanleiding werd tot het kiezen van vaste woonplaatsen. Het is in zulke zaken niet altijd duidelijk, hoe de verhoudingen precies liggen, maar in dit verband is het niet van belang.

De zorg voor levensonderhoud is ongetwijfeld een cultuur opdracht, gelijk dat ook door de Heilige Schrift wordt geleerd. En —dit is een opdracht, welke met onze schepping is gegeven. In deze opdracht is een stuk dienst van de mens gegeven in de weg van de bestemming van ons geslacht, waaruit o.a. ambacht en beroep en vele vindingen zijn voortgekomen.

Aangezien nu de zorg voor het eerste levensonderhoud een voorwaarde is voor het behoud van ons geslacht, is zij, hoezeer ook ondergeschikt aan de betrachting en vervulling van onze levensbestemming, in deze betrekkelijke zin cultuurarbeid.

Doch de eigenlijke cultuur wijst naar hoger plan en raakt onmiddellijk de vervulling van onze bestemming. Zij wordt daardoor zedelijk en geestelijk bepaald. Hoezeer ook verduisterd en zelfs averechts voorgesteld, draagt het zo even opgemerkte omtrent de dubbele betekenis van het grondwoord, waarvan het woord cultuur is afgeleid, toch nog een herinnering aan dit hoger besef.

Cultuur is immers niet alleen zorg voor de akkerbouw, maar wijst ook op de verering der goden, zoiets als zorg voor de dienst der goden. Wij bedoelen niet te zeggen, dat de primitieve volken en zuiver cultuurbesef hebben, maar dat sluit toch niet uit, dat ook in de heidenwereld de gedachte wordt aangetroffen van een toekomst bij de „onsterfelijke goden", zoals zij zich dit voorstellen.

Aangezien nu ons geslacht in zonde is gevallen en Zijn Schepper heeft verlaten, zonder Wien wij onze eeuwige bestemming niet zullen kunnen bereiken, zullen ook de hoogste cultuuridealen, welke wij mogen koesteren, ijdel blijken te zijn en op mislukking uitlopen.

Want ook ons verdorven cultuurleven heeft nodig door de genade Gods vernieuwd te worden.

De geschiedenis kan er trouwens van getuigen, dat de volken, die zich mochten verheugen in het licht des Evangelies, de vruchten van zijn vernieuwende kracht hebben genoten.

Het kan immers niet missen, dat waar het eeuwigheidslicht in de zielen is opgegaan en de mens bepaald wordt bij zijn geestelijke bestemming en het waarachtige leven, ook de aardse dingen zo geheel anders worden gewaardeerd. De maatstaf is anders geworden. De verhoudingen worden anders gezien. Het krijgt alles een geestelijke achtergrond.

De geestelijke mens leert verstaan, dat niemand leeft en niemand zich zelf sterft, en dat alle dingen in de hand Gods zijn, die zich in Christus geopenbaard heeft als een God van gerechtigheid en barmhartigheid.

Zo verschijnt ook onze cultuurtaak in hoger licht door de uitnemende kennis van Christus, Wien alle macht is gegeven in de hemel en op de aarde.

Een en ander heeft tengevolge dat het Christelijk geloof afwijzend moet staan tegen veel, wat in de naam van cultuur wordt aangediend, maar ook, dat de Christen niet mag nalaten aan de kerstening der cultuur zijn krachten en medewerking te geven.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 december 1954

De Waarheidsvriend | 6 Pagina's

Cultuur

Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 december 1954

De Waarheidsvriend | 6 Pagina's