AUGUSTINUS
en de donatisten
EN DE DONATISTEN
Het bovenstaande behandelde in aansluiting op de moralistische, wettische structuur van de donatistische sacramentsleer het karakter van de doop bij Augustinus. Wat Augustinus over de inhoud van de werking van de doop leert, hangt principieel samen met zijn diep doorleefde overtuiging van de radicale macht der zonde, die haar verderfelijke invloed reeds doet uitgaan op de eerste stadia van het kinderleven.
Het kind komt niet als een onbeschreven blad papier ter wereld. Reeds bij zijn geboorte krijgt het deel aan de gevolgen der erfzonde.
Hoewel Augustinus niet uitdrukkelijk de kinderdoop onderstreept, is zij toch wel een onmiddellijke consequentie van zijn zondeleer. De doop schenkt vergeving der zonden, en wel op tweeërlei wijze: vergeving van de erfschuld van Adam èn vergeving van de afzonderlijke zondige daden, die de mens vóór de doop heeft begaan.
Augustinus neemt hier vergeving in de zin van een contingent geldingsoordeel, niét van een absoluut zijnsoordeel, de doop delgt de concupiscentia niét uit, maar garandeert, dat het toegeven aan de conpiscentia, de concrete schuld van de mens niet meer als schuld wordt toegerekend. De zonde wordt wél vergeven, maar de algemene, zondige zijnstoestand van de mens behoeft voortdurend de genezende kracht van de in de doop geschonken Heilige Geest — zij blijft voortbestaan.
Van de doop gaat niet automatisch een zondebelemmerende, vergevende werking uit — meermalen ontdekten wij hoe Augustinus' denken zich antithetisch stelt tegenover vormen van physisch realisme — maar hij schept de grondslag, krachtens welke de vergeving der dagelijks zonden mogelijk is. Augustinus herinnert ons er aan, dat telkens opnieuw vergeving noodzakelijk is, omdat óók, ja juist de gedoopte mens zich bij voortduring geconfronteerd weet met zijn zondig ik. Hier beweegt Augustinus zich weer tussen de afgeronde structuren van het realisme en het idealistisch-spiritualisme. Augustinus' doopleer is nóch realisme, nóch spiritualisme, maar het een is niet zonder het andere en het andere zónder het ene.
De telkens terugkerende noodzakelijkheid der vergeving en van het gebed is er niet zonder de eenmaal in de doop geschonken vergeving.
Anderzijds is er een noodzakelijk plus, dat de doop, inplaats van hem van zijn oorspronkelijke kracht te beroven, hem voluit vigerend doet zijn, want het weerspiegelt de continuïteit van de vernieuwende inspiratie van de Heilige Geest. Deze inspiratie beschouwt Augustinus ten nauwste verbonden aan de kerk als de universele gemeenschap der gelovigen, die zoals wij zagen, door de geest der liefde wordt gedragen en voortbewogen. Dit blijkt uit wat Augustinus zegt omtrent de doop van het kind. De ouders houden het kind ten doop, maar het voornaamste is dat zij deel uitmaken van die grote gemeenschap, wier liefde de kinderen de Heilige Geest doet verkrijgen.
Men mag dan Augustinus wel een , , hoog-kerkelijk" standpunt verwijten — : clericalisme is uitgesloten, omdat de kerk in feite samenvalt met de gemeente, door wier bemiddeling de dopeling de vergeving der zonde geschonken wordt.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 januari 1955
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 januari 1955
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's