De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de Pers

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de Pers

5 minuten leestijd

Een stem uit de „'s Gravenhaagse Kerkbode", d.d. 1 Januari 1955.

De vrouw in het ambt ?

Het ligt niet in de lijn van een tegenargumentatie, in de discussie rond 't vraagstuk betreffende de vrouw in het ambt om de Bijbelse gegevens uitvoerig te bespreken. De bewijslast is voor de voorstanders van de voorgestelde wijziging in onze kerkorde. En zij hebben m.i. nog nimmer kunnen aantonen, dat de vrouw-in-hetambt een Schriftuurlijk gegeven is, tenzij dan wanneer allerlei Bij- Ijelplaatsen als „tijdgebonden" en „verouderd" gedisqualificeerd werden. Een zeer gevaarlijke weg om de Bijbel aldus te hanteren ! Wij willen in 1 Cor. 14 en de pastorale brieven lezen wat er staat (de ambtsdragers zijn daar mannen) en wat de Kerk daar ook 19 eeuwen in gelezen heeft. En wij willen niet over het hoofd zien dat de God van de Bijbel in mannelijke bewoordingen beschreven wordt, dat Jezus als man ter aarde gekomen is, dat de discipelen zonder uitzondering mannen zijn geweest. Ware het „in Christus is noch man, noch vrouw" zó te verstap, dat 't er ook niet toe doet wie Tiet ambt bekleedt, dan zouden er stellig 6 vrouwelijke apostelen zijn geweest. Over de mogelijkheden van de vrouw in de dagen van het begin van onze jaartelling make men zich geen al te ^impele voorstelling, als zou toen de vrouw geen mogelijkheden gehad hebben in het openbaar op te treden.

De questie van de vrouw-in-hetambt kan niet zuiver in door mannen samengestelde synodes en classlcale vergaderingen worden besproken. Daar spreekt men te veel „over u, bij u, zonder u" betreffende de vrouw. Hier moet de vrouw zelf aan het woord gelaten worden. Anders begaat men de grote fout, dat men het Woord, dat niet voor ons bestemd is, voor de ander wil hanteren. Dan acht men het unfair om de vrouw buiten te sluiten, terwijl de vrouw zelf in dit probleem heel anders kan luisteren dan men als man kan verstaan. Ik denk aan het feit, dat op de gemeente-avond in mijn wijk een spreker die de openstelling van de ambten voor de vrouw bepleit had, door de aanwezige vrouwen fel werd aangevallen. En ook in andere gevallen heb ik de ervaring, dat de beslissing wat als Gods gebod moet worden verstaan dopr degenen die er bij betrokken zijn veel strenger uitvalt, dan goedhartige buitenstaanders het zouden willen interpreteren.

In de aan de orde zijnde questie kan men niet rationalistisch te werk gaan. Het gaat niet om een vergelijking van de lichamelijke en geestelijke hoedanigheden van man en vrouw.

Maar wèl om de geestelijke symboliek die er in het wezen van het man-zijn en het vrouw-zijn ligt. Man en vrouw vertegenwoordigen beide God ; zij dragen beide Gods beeld en gelijkenis. Maar elk op een eigen wijze. Er zijn aspecten van Gods wezen, die wel in de man, maar niet in de vrouw kunnen worden gerepresenteerd. Het ambt, dat zo sterk Gods Vaderschap, Gods leiding vertegenwoordigt, vraagt psychologisch gezien om mannelijke ambtsdragers. De gemeente ziet deze dingen niet theoretisch en abstract, maar op een directe, niet-discussieve wijze. Een vrouw die het ambt bedient zou in de practijk van het gemeenteleven leiden tot een zich verlaten gevoelen door God, de vrouw als hoofd van de Avond-maalstafel wekt het beeld van het gezin, waaraan het hoofd ontvallen is. Men wachte zich er voor deze onbewuste psychologische reactie al te zeer te bagatelliseren, deze onmiddellijke vorm in beleven gaat heel wat dieper en intenser door het leven van de kerk heen dan het theoretische.

Vervolgens vraagt men zich af of een dergelijke beslissing los van de oecumene zinvol is.

De kerkhistorie leert ons, dat grote verwijderingen tussen kerken gegroeid zijn uit zelfstandig invoeren van eigen inzichten, zonder rekening te houden met de ander. En wanneer één kerk in de oecumene zich dit niet veroorloven kan, dan is dat wel de onze, waar men nog midden in de spanningen rond de theologie der ambten zit, waar men extreem-hoogkerkelijke naast extreem-laagkerkelijke gezichtspunten aantreft, tussen welke het gesprek nauwelijks op gang gebracht is. En ook in ons eigen land zou de verwijdering groeien t. a. v. de uit de Calvinistische reformatie voortgekomen kerkformaties.

Er is voorts het practisch bezwaar, dat aansluit op bovengenoemde principiële bezwaren. Met name t.a.v. het ambt van , , herderin en lerares", dat aldus zou ontstaan. Wie krijgt men hiervoor ? De gehuwde vrouw is uitgesloten — dat kan alleen leiden tot verwaarlozing van gezin of gemeente.

Maar de ongehuwde vrouw ? Mag men haar nu de grote spanningen van het ambt opleggen, zonder dat zij het tegenwicht van het huiselijke leven bezit ? De predikant is al een eenzaam mens, zonder levensgezel zou de vrouwelijke predikant aan deze vereenzaming te gronde gaan. En wat zegt de medicus van de maandelijkse ongesteldheid en de daaruit voortvloeiende ernstige (geestelijke) bezwaren voor de ambtsbediening ?

Al met al heb ik gemeend de leden van de Classicale Vergadering te moeten adviseren hun stem aan 't voorgestelde ontwerp te onthouden. Dit wil geen uiting van mannelijk superioriteitsgevoel zijn, inderdaad is dat in de geschiedenis der kerk wel eens om de hoek komen gluren, doch dat geeft ons geen aanleiding nu in 't tegenovergestelde euvel te vervallen. Dat de man anders is dan de vrouw, betekent niet, dat hij meer is, dat hij' het hoofd der vrouw is, is alleen maar zoals Christus het hoofd der gemeente is : dienend en niet overheersend. Voor de vrouw blijft ruimschoots gelegenheid haar eigen gaven te besteden in de dienst der kerk ; ik denk aan de gezegende arbeid der diaconessen aan het modemopgezette werk van de Hervormde Vrouwen Dienst, en aan zovele vrouwen die ik in mijn eigen werk ontmoette en die tot dingen in staat waren, die geen man haar zou hebben nagedaan. Maar dat is dan ook het ambt van alle gelovigen, dat altijd voor de vrouw in de kerk open stond en blijft openstaan en waarin wij de vrouw eren als de volwaardige medeerfgename van de genade van onze Here Jezus Christus.

Voorburg.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 januari 1955

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Uit de Pers

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 januari 1955

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's