De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

HET KERKELIJK AMBT EN DE VROUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

HET KERKELIJK AMBT EN DE VROUW

10 minuten leestijd

Volgens „In de Waagschaal" d.d, 22 Januari j.l. in een artikel van Ch. de Beus, is het „historisch gezien onjuist om te spreken over „de" ambtsopvatting in het Nieuwe Testament".

Historisch gezien onjuist, maar hoe is dat nu, in het geloof gezien ?

De Schrift zegt in het bekende hoofdstuk over het geloof (Hebr. 11:3: „Door het geloof verstaan wij, dat de wereld door het woord Gods is toebereid, alzo dat de dingen, die men ziet, niet geworden zijn uit dingen, die gezien worden". Dan volgt een wolk van getuigen, die door het geloof grote dingen hebben gedaan. Ik weet niet, hoe de zoeven aangehaalde schrijver daarover , , historisch gezien" oordeelt en hij vertelt ook niet, waar hij zich opstelt voor zijn historische blik, waar volgens zijn inzicht de historie begint van de dingen, waarom het gaat en wel in de eerste plaats van het ambt.

Wel is hij van mening, dat , , in de kring van Jezus en Zijn discipelen een besef bestond van , , wat wij ambt noemen" en ook in het Joodse volk, Daarvan zegt hij o.m. het volgende :

In het Joodse volk bestond dit besef ook. Men ver*bond het in de eerste plaats aan de cultische functie van de priester (en hogepriester). Hier was in volle zin een , , ambt" i alle elementen, die de inhoud daarvan naar onze opvattingen vullen, worden hier gevonden : gezag, dat rust op goddelijke en menselijke opdracht, gevolmachtigde vertegenwoordiging van God en mensen. Ook de Schriftgeleerde, in dienst van een plaatselijke gemeente, en het lid van het Joodse Sanhedrin konden als dragers van een , , am'bt" worden beschouwd. Deze werden n.l. door handoplegging in hun functie geïnstalleerd en handoplegging was reeds in oude tijden in Israël de handeling die de inwijding in een , , ambt" begeleidde en bekrachtigde (Num. 27 VS. 18-23). De cultische ambten waren altijd gebonden geweest aan voorschriften inzake de afstamming. De priesters (ook de hogepriesters) moesten mannelijke afstammelingen zijn van Aaron (Ex. 28 : 1 spreekt n.l. van de „zonen" van Aaron). Er kan daarom in Israël geen vrouw tot priesteres gewijd worden. Priesteressen werden alleen bij heidense culten gevonden.

Hier worden verschillende dingen gezegd, die ons als juist voorkomen, en toch is er iets in, dat voor velen niet zonder meer aanvaardbaar moet zijn. , , rn de kring van Jezus en Zijn discipelen bestond een besef van wat wij , , ambt" noemen".

Deze uitdrukking schijnt nu wel heel huiselijk, en het kan zijn, dat zij past in een , , historisch" beschouwing. Zij, die de Heere Jezus met Zijn discipelen in de straten van Jeruzalem, en op de wegen van Galilea zagen, voor wie Hij niets anders was dan de Rabbi van Nazareth, zullen mogelijk ook zo over Hem hebben gesproken. Voor hen zal de Rabbi van Nazareth een man zijn geweest met , , opvattingen", misschien „vreemde opvattingen". En wellicht past het bij een historische visie te spreken van Jezus als een kind van Zijn tijd b.v. in de trant van , , in de kring van Jezus en Zijn discipelen bestond een fcesef van wat wij „ambt" noemen". Maar voor het geloof is die Jezus de Zoon van God ; die zeggen kon : „Eer Abraham was ben Ik" en sprak van de heerlijkheid, welke Hij 'bij de Vader had eer de wereld was.

Deze Jezus, welke is de Christus, heeft dan met het ambt en zijn instelling wel iets meer te maken dan dat Hij in Zijn kring een besef vond, zoals Hij ook iets te maken heeft met de ordeningen des hemels, met de scheppingsordeningen en met de grote werken Gods, welke ons door de Godsopenbaring zijn medegedeeld. Of is Hij niet het Woord, waarvan ons in het eerste hoofdstuk van het Evangelie naar Johannes zo grote dingen worden verkondigd ? Alle dingen zijn door Hetzelve gemaakt, en zonder Hetzelve is geen ding gemaakt, dat gemaakt is. (vs. 3).

Als wij deze Jezus, de Christus, in het geloof voor ogen hebben, oordelen wij wel wat anders ook over liet ambt in Israël en over het besef in de kring der Zijnen. In de eerste plaats onderscheiden wij Hem va.ti de kring Zijner discipelen en van de andere mensen, omdat wij beseffen, dat Hij, hoewel ons in alles gelijk geworden uitgenomen de zonde, toch een andere is dan wij.

De mensen, die Christus zagen wandelen met Zijn discipelen en Hem niet kenden als de Zoon van God, hebben Hem wellicht als gewoon mens medegeteld, voor hun besef liepen daar dertien mensen. Doch wie Hem kent als de Christus Gods gevoelt, dat zulks niet juist is, omdat Hij toch een andere is dan wij. Niet een gezelschap van dertien mensen is daar, maar de Christus, de Eniggeborene des Vaders, en daarom de Andere, bevindt zich in het gezelschap van de twaalf gewone mensen.

Als nu de schrijver van , , In de Waagschaal" zo , , historisch" spreekt van : , , In de kring van Jezus en Zijn discipelen bestond een 'besef enz.", gaat hij voorbij aan de uitzonderlijke Persoon van de Christus, zijnde de Zoon van God, die juist daarom als de Zoon des mensen een geheel enige plaats onder de mensen inneemt. Hij gaat voorbij aan zovele vraagstukken in verband met deze geheel enige plaats en trekt de Christus omlaag. Inamers ook de Godsopenbaring is er niet zonder de hoogste Profeet en Leraar, en ook het kerkelijk ambt is er niet zonder onze enige Hogepriester en onze eeuwige Koning.

Daarom verschijnen deze dingen gans anders voor het geloof dan voor de historische visie van deze scribent, en het gaat toch om dingen des geloofs, ook bij de vraag, of het ambt aan de vrouw of aan de man is opgedragen !

Zo is het ook niet de taal des geloofs in de Christus, die ons door de Evangeliën wordt voorgesteld, als wij het volgende lezen, hetgeen 'bovendien niet vrij is van innerlijke tegenstrijdigheden:

, (Jezus had als Zijn discipelen mannen gekozen en geen vrouwen. Het zou dus zeer ontactisch zijn geweest, indien Jezus in het Joodse milieu, waarin hij werkte, vrouwen had uitgekozen om de boodschap van het Evangelie te verkondigen. Het was onder de Joden in Palestina verboden dat vrouwen in het openbaar getuigden of onderwijs gaven. Ze mochten zelfs in eigen huis de tafelgebeden niet uitspreken. De vrouw was slechts gedeeltelijk verplicht de geboden der thora te volgen. In de synagogesamenkomsten bevonden zich de vrouwen in een gedeelte, dat afgezonderd was van dat der mannen. Tot de bestudering van de thora was de vrouw niet 'bevoegd. Zij mocht niet meespreken in de discussies , over onderdelen van de wet in de „leer"huizen. De Joodse vrouw stond in de waardering van het mannelijk deel van haar volk ver beneden de man. In de Talmoed (6. Kidd. 82b) vinden we de uitspraak : , , Wel den mens, wiens kinderen mannelijk, wee hem, wiens kinderen vrouwelijk zijn".

Het gold als onbehoorlijk, dat een man zich in het openbaar met een vreemde vrouw onderhield. Vrouwen mochten geen openbare functies bekleden. Tegenover deze stand van zaken was de houding van Jezus tegenover de vrouw zeer welwillend. Jezus is zeker geen vurig strijder geweest voor de rechten van de vrouw, maar hij handelde uit een gezindheid, waarin man en vrouw gelijk gewaardeerd werden. Nergens vinden we in de Evangeliën een woord van Jezus, waaruit blijkt dat hij de vrouw lager aansloeg dan de man. Hij stelde weliswaar mannen tot discipelen en apostelen aan, maar hij liet ook toe dat de vrouw in Sichar de boodschap bracht, dat zij de Christus ontmoet had bij de put van Jakob (Joh. 4). Tevoren had Jezus met deze vrouw

in het openbaar een gesprek gevoerd ; de discipelen hadden zich hierover verbaasd. Jezus liet zich door een vrouw de voeten zalven en vond het goed dat een vrouw olie goot op zijn hoofd, — maar Jezus woorden — : ter voorbereiding van zijn begrafenis (Marcus 14). 't Bleek in geen enkel opzicht een storende

omstandigheid te zijn dat vrouwen het eerst bij het geopende graf van Jezus kwamen na zijn opstanding, de tjoodschap hoorden van dé engel en hiervan getuigden tegenover de discipelen".

Alleraardigst is de zinsnede over de tactiek : „Het zou zeer ontactisch zijn geweest, indien Jezus in het Joodse milieu, waarin hij werkte, vrouwen had uitgekozen om de 'boodschap van het Evangelie te verkondigen".

Dat geeft nu nog eens een nieuw gezicht op de dingen. Vooral dat Joodse milieu, waarin hij werkte, alsof de Christus zo 'n gewoon milieu-mens ware, zo'n mens in de massa, die zijn methode moest uitvinden, zoals de moderne sociale werker daarover wordt onderricht.

„Zeer ontactisch", waarom ? Wat was het, dat de Christus moest ontzien om meer invloed te verkrijgen, of om wat te ontgaan ?

Ook al weer geen geloofstaal, want Christus zelf zegt : Niemand komt tot Mij, tenziji de Vader hem trekke". Wat wil dan die tactiek ? Kwam Hij dan niet om de wil des Vaders te doen? Het is helemaal niet duidelijk wat de schrijver op het oog heeft. Hij zal het dus wel heel ontactisch van , , Jezus" gevonden hebben, dat Hij de Farizeërs en Schriftgeleerden aan hun geveinsdheid en blindheid ontdekte.

Het lijkt er echter wel wat op, dat de schrijver zelf enige , , tactische" opmerkingen wil plaatsen om het ons te doen voorkomen, dat Christus toch eigenlijk wel vrouwen zou gekozen hebben en wat ook wel zou gewild en bedoeld hebben, als Hij maar in onze tijd ware gekomen en dat net zo over de vrouw en het ambt had gedacht als dr. De Beus c.s.

Het geloof in de Christus der Schriften ziet deze dingen echter wat anders en neemt niet aan, dat deze zaken afhankelijk zijn van tactiek, van tijdsomstandigheden en van wat daaromtrent in zekere kring gedacht wordt.

Als 'God de man tot een hoofd der vrouw gezet heeft, gelijk Christus het Hoofd is der gemeente, zoals de Heilige Schrift leert, wijst dit op een orde, die met de tijd niet verandert, maar door alle tijden heen bepalend is voor de verhouding van man en vrouw. En aangezien het hoofd-zijn zonder twijfel een gezagsverhouding betekent, kan men zelfs moeilijk anders verwachten dan dat het arrlbt de man wordt toegewezen, zoals de Schrift in Oude en Nieuwe Testament trouwens leert.

Voorts staat het voor het geloof vast dat , , de soms aan verachting grenzende depreciatie van de vrouw", zoals de scribent zich uitdrukt, zondige dwaling is. Dit blijkt ook uit de wijze, waarop Christus de vrouw bejegent en haar verschillende dingen toestaat. De schrijver merkt n.b. zelf op, dat het in geen enkel opzicht bleek een storende om- - standigheid te zijn, dat de vrouwen het eerst bij het geopende graf van Jezus kwamen na Zijn opstanding, de boodschap hoorden van de engel en hiervan getuigden tegenover de discipelen, enz.

Maar dit alles heeft niets met een ambtelijke opdracht of met een ambtelijke vervulling van doen en het spreekt ook niet voor de Joodse verachting van de vrouw.

Doch wel krijgt tegenover dit alles het feit, dat de Heere Jezus Christus twaalf mannen tot Zijn discipelen koos, een zwaarder accent.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 januari 1955

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

HET KERKELIJK AMBT EN DE VROUW

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 januari 1955

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's