Jezus beleden als de Christus!
Hij zeide tot hen : maar gij, wie zegt gij, dat Ik ben ? En Simon Petrus, antwoordende, zeide tot Hem : Gij zijt de Christus, de Zoon des levenden Gods. Mattheüs 16 vs. 15 en 16.
Wij beleven heden ten dage wonderlijke dingen. De mens huivert er niet voor terug zichzelf God te noemen. Of ook Christus als verlosser der wereld. En toch is het ook weer niets nieuws. Is dat niet de oer-zonde van de mens, die telkens weer boven komt en die zijn oorsprong reeds heeft gehad in het paradijs, waar Adam en Eva ook bezweken voor de verleiding als-God-tezijn, kennende het goed en 't kwaad ? En heel de geschiedenis door komen wij dit tegen. Sprak niet Kloos : Ik ben een god in het diepst van mijn gedachten ?
De mens neemt er geen genoegen mee : schepsel te zijn en onderworpen aan de Schepper, gelijk het leem aan de pottenbakker. De mens is voortdurend bezig zichzelf te vergoddelijken. Dat zit in zijn boze, verdorven hart zeer diep verankerd. De mens zet zichzelf de kroon op van zijn eigengerechtigheid.
Deze weg van beneden naar boven wordt echter doorkruist door een andere, n.l. van boven naar beneden. Dat is de weg van God, die mens geworden is. De weg van zelfverloochening en afleggen van het Gode-gelijk-zijn en de dienstknechten in alles gelijk te worden, uitgenomen de zonde. Deze weg ging de tweede Adam, Jezus Christus. In het kennen van Hem ligt nu onze zaligheid.
Ook reeds ten tijde van Jezus was er verschil van mening over de vraag, wat men van JezuS' moest denken, wie Hij was, De een zei : Johannes de Doper, en anderen : Elia ; en anderen : Jeremia of een van de profeten.
Maar dan zegt Jezus tot Zijn discipelen, na gehoord te hebben hoe dè mensen over Hem denken : Maar gij, wie zegt gij, dat Ik ben?
Deze vraag is direct op de man af, zonder omwegen. Het is de grote verdienste van onze Heidelberger Catechismus, dat zij in dit voetspoor is verder gegaan, door ook telkens zulke vragen te stellen : Wat is uw enige troost in leven en sterven ? De algemene vraag, wat dè mensen van Hem dachten, raakte nog niet de harten der discipelen, maar nu is het anders. Nu kunnen zij er niet meer onderuit met een algemene opmerking. Nu komt het er op aan.
En Petrus is het, die het woord voert en zegt: Gij zijt de Christus, de Zoon des levenden Gods. Het is als wijst hij daarbij met zijn wijsvinger op de borst van Jezus : Gij zijt het! De Christus ! De Gezalfde !
Hij spreekt Jezus hier aan met Zijn ambtsnaam en wijst daarmee op Zijn werk, dat Hij gaat volbrengen. En Petrus spreekt daarmede meer uit, dan hij zelf op dat moment nog zal hebben kunnen doorgronden, want aan het komende lijden van Jezus wilde hij nog niet aan.
En toch zegt hij : Gij zijt de Christus, d.i. de Gezalfde. Gij zijt onze hoogste Profeet en Leraar, die ons de verborgen raad en wil van God van onze verlossing volkomen openlbaart. Gij zijt gekomen in de naam des Heeren. In U hebben wij met God zelf te doen.
Maar Gij zijt ook onze enige Hogepriester, die ons met de enige offerande van Uw lichaam verlost. En die voor ons met Uw voorbidding steeds tussentreedt bij de Vader. Gij zijt het, door Wien wij met God verzoend zullen moeten worden. En ten derde : Gij zijt ook onze eeuwige Koning, die met Uw Woord en Geest regeert. Aan Wien wij ons leven mogen en kunnen toevertrouwen.
Dat deze belijdenis Petrus zelf te boven ging, blijkt wel uit wat er op volgt, als Jezus verklaart, hoe hij dit heeft kunnen belijden. Vlees en bloed heeft u dat niet geopenbaard, maar Mijn Vader, die in de hemelen is.
Dit zijn heerlijke woorden, zonder welke wij in het donker zouden tasten bij de vraag naar de grond van Petrus' belijdenis. Het blijkt geen werk van Petrus zelf geweest te zijn. Petrus zelf is er niet in te prijzen, maar het blijkt Gods werk geweest te zijn. De Heere zelf is er in te prijzen. Neen, uit en van zichzelf zou Petrus zó zeker niet hébben kunnen spreken. Wij zien later nog wat er uit zijn eigen hart voortgekomen is. Denk alleen maar aan zijn verloochening. Maar hier is Petrus een belijder door de genade Gods. Gelijk ook Paulus het eens uitgespoken heeft, die zo'n grote zelfkennis had : Door de genade Gods ben ik, dat ik ben. Weg is daarmee eigen roem. Zij is uitgesloten. Ook hier bij Petrus reeds. Het blijkt Gods eigen werk te zijn geweest. Petrus kan er zelf niets mee worden. Hij wordt er in zichzelf eerder armer mee, want nu moet hij zien, dat er niets van eigen vlees en bloed bij was, maar alles van de Vader, die in de hemelen is. Maar wat is hieraan een grote troost verbonden, want God zal Zijn eigen werk nu niet meer loslaten. , , Simon, Simon, zie, de satan heeft ulieden zeer begeerd te ziften als de tarwe, maar Ik heb voor u gebeden, dat uw geloof niet ophoude !"
Kennen wij ook dat belijden in ons leven? Een direct persoonlijke vraag aan u, die dit leest.
Gij zijt de Christus, de Zoon des levenden Gods. Gij hebt goddelijke autoriteit. Gij zijt de Christus ! Maar dat houdt óok in, dat wij van-onszelf daarbij belijden moeten : En ik ben een arme zondaar in mijzelf, arm, ellendig, blind en naakt. Niets van mij zelf heb ik U aan te bieden, zelfs niet , , mijn" belijdenis. Ook dat moet nog Uw werk zijn. Gij zijt de Christus ! En zonder Hem zijn wij reddeloos verloren zondaren. Verstaan wij dat goed?
Gij zijt de Christus ! Heel het heilswerk wordt hier samengevat in deze ene ambtsnaam. Wie die naam belijden mag in zijn hart, zal een mishagen hebben aan eigen werk.
Neen, niet de mens wordt Christus, maar het Woord is vlees geworden. Christus is tot zonde gemaakt. Dat is het Evangelie der genade.
En dit is het eeuwige leven, zegt Christus zelf in Zijn hogepriesterlijk gebed, dat zij U kennen, de enige en waarachtige God en Jezus Christus, die Gij gezonden heibt.
L. Roetman.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 februari 1955
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 februari 1955
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's