Evangelisatie
De drie ambten
De drie ambten.
Onze Catechismus belijdt zo waardevol het kostelijk reformatorisch erfgoed, dat Christus is de Gezalfde tot Profeet, Priester en Koning. De leer van het drieërlei ambt van de Middelaar is ons onmisbaar om de volle betekenis van het werk van de Heere Jezus overzichtelijk te inventariseren. We mogen dankbaar vaststellen dat behulp van deze ontdekking, in zoverre toch reformatorisch, dat Calvijn aan het tweevoudig ambt, dat langer geleerd en beleden, het derde het profetisch ambt heeft toegevoegd, de rijkdom en de veelzijdigheid van Christus' arbeid treffend onder de aandacht treedt. Het is wel typisch dat in de voorreformatorische theologie de notie van het profetisch ambt zo verduisterd en verwaarloosd was. Juist het profetische is de zenuw en de ziel van het protest, dat de Hervorming liet horen. In de Roomse Kerk is in weerwil van de enthousiaste beschouwingen over de katholiciteit, de algeheelheid van de leer, geen plaats voor de profeet. Als er verwekt werden kwamen ze altijd buiten de kerk. De leer van de onfeilbaarheid van de pontifex maximus betekent de principiële excomihunicatie van de profeet, de man Gods.
Nauwelijks Ambtsdrager.
Onze bewondering, waardering en hantering van de drie ambten van Christus mogen ons niet verleiden, dat we uit het oog verliezen dat in , , kerkrechterlijke" zin Christus nauwelijks een Ambtsdrager was. Deze overweging zou, indien mogelijk, de verstokte liturgist en de hoogkerkelijke promotor van de priesterlijke successie enigermate moeten ontnuchteren. Als Davidide had hij rechten op de troon, maar gezien de historische situatie van Romeinse overheersing was het een precaire vraag om deze rechtmatige aanspraken niet te laten verworden tot revolutionaire. Van het Zelotendom heeft Christus zich gedistanciëerd, al aarzelde Hij niet om tollenaar en zeloot te bekeren en in Zijn kring op te nemen. In de zin van de levitische wetgeving was Hij kwalijk een priester. Daarom voert ook de godvruchtige auteur van de Hebreënbrief het magistrale betoog, dat Hij in verhevener zin Hogepriester was naar de ordening van Melchizedek. Het voortreffelijkst kunnen we Jezus van Nazareth, zoals Hij in Zijn tijd optrad, karakteriseren als profeet. Maar het profeetschap is in stringente zin nooit een officieel , .kerkelijk" ambt geweest. Daarom is deze kwestie ook van 'belang bij de problemen rondom de vrouw in het ambt. Het oude en nieuwe testament kende de figuur van de profetes inderdaad, maar zij had nimmer een geordende functie binnen de gemeente.
Buiten de synagoge.
We zouden haast kunnen zeggen, merkwaardig genoeg, dat Christus gewerkt heeft naast de officiële kerk van Zijn dagen. Weliswaar begon Hij te leren in hunne synagogen, maar allengskens verslechterden de verhoudingen in die mate, dat zelfs de synagogale instanties het besluit uitvaardigden, dat zo iemand Hem beleed Christus te zijn, dat die uit de synagoge zou geworpen worden. (Joh. 9). We kunnen betogen, dat de synagoge door zulke gedragingen zichzelf stempelde tot een synagoge des satans en dat ze wel konden beweren, dat ze Joden waren, maar dat ze metterdaad bewezen het niet te zijn. (Joh. 8). Toch mogen we niet vergeten, dat Christus en dat later de Apostelen steeds de tempel en de synagoge zoveel mogelijk hebben erkend. Het zal niet nodig zijn de bewijzen aan te halen.
Kan de N.T. gemeente vallen niet ?
Ik geloof, dat het een dogma van vooringenomenheid is te beweren, dat de nieuwtestamentische kerk nimmer het lot zal treffen van de oudtestamentische. Deze opvatting lijdt aan twee dwalingen. De gemeente van het oude verbond, Israël, onderschat men in zijn positie in de bedeling van het heil en de gemeente van de nieuwe dag wordt voorwerp van overschatting. De Schrift rechtvaardigt deze beschouwing allerminst. Die staat ziet toe dat hij niet valle. Want is het, dat God de natuurlijke takken niet gespaard heeft, dat Hij ook mogelijk u niet spare. (Rom. II). Ook het onderzoek van de brieven aan de zeven Klein-Aziatisohe gemeenten kan ons in deze onderhavige materie licht verschaffen.
Naast de kerk.
Christus heeft naast de kerk van Zijn tijd gewerkt. We kunnen wel veronderstellen, dat Zijn optreden een geheel nieuw begin betekent en dat alle huidige ambten wortelen in zijn nieuw geschapen bediening. Maar daarmede vervalt de relatie tussen het oude en nieuwe testament. Dat is fataal, want de practijk zal leren, dat het Evangelie gedenatureerd wordt. Men komt weer achter en in het Oude Testament terecht, zoals het type van de R.K. kerk duidelijk aantoont. De hele priesterdienst en de wettische instelling zijn weer vereist.
Evangelisatie, een dubbelzinnig woord.
Het woord evangelisatie heeft een dubbelzinnige betekenis. Het kan doelen op de verkondiging aan buitenkerkelijken, het omschrijft ook een vorm van gemeenschapsleven terzijde, van 't officieel gemeentelijke. Misschien is deze vreemde combinatie toch niet een wrange uiting van de spraakmakende gemeente. De dubbelzinnigheid van het woord evangelisatie krijgt een verrassende parallel in het optreden van onze Overste Leidsman en Voleinder van het geloof zelf.
De les van het Evangelie.
Ik wil dit zichtbaar maken aan enkele gebeurtenissen uit het Evangelie. Zonder enige principiële voorkeur kies ik het evangelie van Lukas.
Juist aan herders, het uitschot der natie, wordt de mare van Christus' geboorte gebracht. Niet de fungerende priesterschap, maar particulieren, stillen in den lande, herkennen de Heére, Die tot Zijn tempel kwam. Johannes de Doper wijst de vrome wereld als adderengebroedsel terug van zijn doop en tollenaren en zondaren ontvangen het teken van zijn waterdoop. In zijn prediking stelt Christus de buitenstaanders als de weduwe van Sarepta en Naäman tot een voorbeeld aan de kerkelijken. Uit de kringen van eenvoudige vissers kiest Hij zijn apostelen, terwijl Hij andere meer meelevende kringen passeert. Galilea der heidenen wordt allereerst het terrein van zijn werkzaamheid. Levi, een tollenaar, krijgt een plaats in de groep der jongeren. Omwille van vormelijke sabbatsheiliging laat Hij het komen tot een breuk met de vroomheid zijner dagen. De bergrede is een machtige aanval op het leersysteem, dat in de synagoge gehuldigd werd. Heidenen beschamen Israël, gedoopte tollenaars rechtvaardigen God ! Farizeen en Wetgeleerden verwerpen de raad Gods tegen zich, omdat ze Johannes' doop ontlopen, een zondares heeft meer lief dan een onbeschofte Farizese gastheer. Een Samaritaan geldt priester en Leviet tot voorbeeld. Laatsten zijn de eersten en eersten de laatsten. De genodigden zullen van de maaltijd niets proeven, maar armen en verminkten, kreupelen en blinden komen in wonderlijke optocht tot het feestmaal. De verloren doordraaier is het middelpunt van het gezang en gerei, terwijl de keurige, brave, net-oppassende zoon verongelijkt buiten blijft staan. Arme Lazarus zit in Abrahams schoot en vader Abrahams kind ligt in de vlam. Van de tien genezen melaatsen keert zegge en schrijve één terug om te bedanken en nota bene een Samaritaan. Een tollenaar wandelt gerechtvaardigd hmswaarts en een allervroomste Parizeer met rijke gebedsgaven wordt vernederd. Onnozele kinderen krijgen de handoplegging en de rechtschapen jongeling keert teleurgesteld weer van het onderhoud met zijn Goede Meester. Stak het niet als een doorn in het allergevoeligste vrome vlees, dat Christus Zijn intrek nam bij een zondig man, dat de Zoon des mensen gekomen was om te zoeken en zalig te maken dat verloren was ? Ja, zelfs op Golgotha ging dat aanstootgevende werk voort, toen een moordenaar de vrije toegang in het hemels paradijs werd toegevoegd. Het was waarlijk geen wonder, dat het optreden van de Zone Gods allerheftigste tegenstand opriep. Het was geen wonder dat de Overpriesters en Parizeen de voornaamste bewerkers bleken van de gezegende dood van Christus.
Naast de kerk gericht op het verlorene.
Het mag niet onze bedoeling zijn om Christus in dit opzicht te imiteren. Toch komt het me voor, dat de eenvoudige, getrouwe verkondiging van het evangelie ons gedurig weer zal brengen in de positie, waarin Christus verkeerde. Tussen zelfvoldane gemeente, die geen bekering van node heeft, en de schare, die hongert en dorst naar de gerechtigheid. Ongewild en ongezocht naast de kerk gericht op het verlorene en verachte. Naast de kerk, zonder de gemeente uit het oog te verliezen. Want het telkens weer de uitgesproken opzet om tot jaloersheid te prikkelen door middel van zulken, die geen volk zijn, door middel van een onverstandig volk. Haast de kerk, doch niet om de kerk te gronde te richten, maar om de kerk te redden. Alle hoogkerkelijkheid moet zich door de eeuwen heen toch wel geducht ergeren aan de verkondiging en de werkzaamheid van Christus. Wellicht zal een opponent beweren, dat het toch. zo maar niet vrijstaat om de situatie van Christus' tijd gelijk te schakelen met de toestanden van vandaag en morgen. Ik wil bescheiden opmerken, dat de Heere zelf toch wèl zoiets doet, wanneer hij te kennen geeft: Wee u, gijl Schriftgeleerden en Farizeen, gij geveinsden, want gij bouwt de graven der profeten op en versiert de graftekenen der rechtvaardigen en zegt "indien wij in de tijden onzer vaderen waren geweest, wij zouden met hen geen gemeenschap gehad hebben aan het bloed der profeten. Aldus getuigt gij tegen uzelven, dat gij kinderen zijt dergenen, die de profeten gedood hebben. Qui s'excuse, s' accuse. De Schriftgeleerde mag zich wel afvragen of hij een dissertatie schrijft over een theoloog, overtuiging zou meewerken.
Het optreden van Christus te typeren als evangelisatiearbeid is niet slecht getroffen. Het woord evangelisatie, zoals wij dat kennen in zijn merkwaardige dubbelzinnigheid, is als zodanig een bijbelser begrip, dan wij vermoed hadden en dan ons lief is.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 februari 1955
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 februari 1955
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's