De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

DIE POOLSE JONGEN

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

DIE POOLSE JONGEN

4 minuten leestijd

DOOR JAC. OVEREEM

Toen allen een plaats in de lange rij wagons gekregen hadden, werden de deuren dicht gedaan. De soldaten schreeuwden wat naar elkaar en gingen tenslotte in de laatste wagen, die voor hen bestemd was.

Een schelle fluit klonk over het station en de trein zette zich in beweging. In het donker van de avond trok de trein als een duister spook door de velden. Alleen de locomotief was verlicht, zó zelfs, dat de stralen vèr aan de nachthemel zichtbaar waren.

De kleine Mika was wonder stil. Dit troostte Clauda bizonder. Want hoe droevig zou, vooral nu, het schreien van een kind in de wieg wel klinken. Het zou de eenzaamheid en het leed nog groter maken.

Waren er eerst nog mensen, die met elkaar spraken, nu was het stil. Het zware ademhalen van sommigen bewees, dat zij in slaap gevallen waren.

Maar bij Clauda was de slaap verder dan ooit uit de ogen geweken. Zij was innerlijk tezeer ontroerd. Allerlei gedachten maalden door haar hoofd.

De nacht duurde eindeloos lang. En eindeloos was het gedreun van de wielen. Steeds maar weer dezelfde eentonige cadans.

Doch er was ook iets anders te horen. Opeens, alsof 't uit een andere wereld kwam, golfde er een zacht gezang over de hoofden.

— Als ons de nacht duurt o zo lang, — Zijt Gij ons licht, o Heer I' — En is het hart bevreesd en bang, — Doe ons U kennen meer!

Het leek de stem van een engel. Het was doodstil. Die het hoorden, ontroerden tot in het diepst van hun ziel.

Even was het stil.

Toen klonk opnieuw het zachte, melodieuze gezang :

— Het heil wordt voor Uw volk bewaard ! — De voorsmaak is zo zoet.

— En voor geen levensleed gespaard, — Is al wat Gij doet, goed I

Clauda hield de hand aan de wagen. Nooit hoorde ze zó mooi zingen. De muziek der woorden was als een zachte dauw op verschroeide grond.

Het gaf haar een ogenblik rust, even maar. Toen voelde ze plotseling hoe moe ze was. Door de spanning was ze haar eigen vermoeienis vergeten. Ze kon bijna niet meer staan. Een lichte duizeling overviel haar. Naast de kinderwagen zakte ze in elkaar. Ze was bewusteloos.

En ; de trein ging als een duister spook door de nacht, door uitgestrekte velden, langs dorpen en steden, al maar voort.

Jekatarinenburg was het einddoel der treinreis. Het was nu al de avond van de tweede dag.

Toen het eerste morgenlicht over de Russische steppen gloorde, minderde de locomotief zijn vaart. Even later stopte de trein op een zijspoor van een klein station.

De deuren van de wagons gingen knarsend open. Ruwe stemmen en gebaren beduidden, dat men naar buiten moest komen. Doch eenvoudig was dit niet. Velen waren volledig uitgeput.

Toen Clauda Tomkiewis de ogen opende, lag ze op een divanbed in een oud boerenhuis. Het vuur brandde in de haard.

— Waar ben ik en waar is Mika ? vroeg ze.

Haar ogen stonden glazig groot.

Een jonge vrouw kwam op het geluid naderbij. Ze duwde de kinderwagen tot naast het divanbed.

Ze keek opmerkzaam naar Clauda en lachte haar vriendelijk toe.

— Ik heb hem al geholpen. Hij schreeuwde straks, zei ze.

Mika lag inderdaad heel op zijn gemak in de wagen en maakte kindergeluidjes.

Clauda keek haar gastvrouw dankbaar aan. Ze had hevige hoofdpijn en dit werd nog niet minder.

— Blijft u maar rustig liggen, zei de jonge boerin. — Ik zie wel aan u, dat u nog ver van fit bent.

Dodelijk vermoeid viel Clauda weer terug op het divanbed.

— Welk een bestiering van boven, dat ik hier mag blijven, dacht zij.

Haar kwam het lied voor de aandacht dat er deze nacht gezongen was :

— En voor geen levensleed gespaard, — Is al wat Gij doet, goed!

Clauda had niet de lust om haar omgeving eens te verkennen. Niet alleen had zij zware hoofdpijn en was ze nog erg vermoeid, maar allerlei gedachten vervulden haar. Zou ze hier mogen blijven of zou ze met een volgend transport worden meegevoerd ?

De Russische boerin kwam voorzichtig bij haar staan.

— Zou u nog iets wensen, juffrouw. Ik heb warme melk en nog wat eten van de vorige dag.

(Wordt vervolgd).

8)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 maart 1955

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

DIE POOLSE JONGEN

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 maart 1955

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's