REDELIJKE GODSDIENST
Brakel's
Voor sommige lezers, die de naam van „vader Brakel" nog wel kennen, maar hem niet goed weten te plaatsen in de lijst van zijn tijd, even een paar gegevens omtrent zijn leven.
Wilhelmus a Brakel werd in 1635 in Leeuwarden geboren als zoon van Theodorus a Brakel, van wie enkele geschriften, b.v. De trappen des geestelijken levens, onder ons ook nog wel worden gelezen. De vader is blijkbaar op latere leeftijd predikant geworden en heeft enkele gemeenten in het Noorden gediend. Zijn zoon is enkele jaren voordat zijn vader in zijn eerste gemeente intrede deed, in Leeuwarden geboren. Hij studeerde te Franeker, waar vroeger een Academie was en diende eerst een aantal gemeenten in 't Noorden (Exmorra, Stavoren, Harlingen en Leeuwarden) en daarna van 1683 tot aan zijn dood in 1711 de gemeente Rotterdam, waar hij o.a. bekende mannen als Abraham Hellenbroek, Petrus Dinant. Jacobus Fruytier en Franciscus Ridderus als mede-dienaren had.
Brakel is één van de mannen van de z.g. Nadere Reformatie, d.w.z. van die theologen, die uit reactie tegen de dode orthodoxie en de veruitwendiging, welke na Dordt opkwamen, aandrongen op bekering van de lauwheid en van de ingebeelde rijkdom, oplevende godsvrucht, waarachtig geloof en een heilige wandel, kortom op de practijk der godzaligheid.
Deze mannen gevoelden zich nauw verwant met allerlei Engelse en Schotse schrijvers, wier werken onder ons nog altijd een goede klank hebben.
Onder hen neemt Brakel een eigen plaats in.
In al Gods werken is zowel éénheid als verscheidenheid op te merken. Zo is 't ook in de bedeling der geestelijke gaven. Brakel is niet de man van grote wetenschappelijke bekwaamheid en werkkracht, die Voetius was. Hij heeft niet de profetische kracht van een man als Lodensteyn. Hij heeft niet het sterke, bijna overmatige gevoelsaccent van een man als Schortinghuis. Toch zijn Brakel en vele anderen geestverwanten. Als Schortinghuis moeite heeft om approbatie op zijn boek , , Het innige Christendom" te verkrijgen, zegt hij : Veroordeelt ge mij, dan moet ge ook W. a Brakel veroordelen. En op zijn beurt noemt Brakel met ere Lodensteyn, wiens geestelijke liederen hij gaarne veel meer gezongen wilde hebben.
Het is niet toevallig, dat juist Brakel met zijn evenwichtige geest en een godsvrucht, die zich reeds als kind openbaarde, ons de meest populaire Gereformeerde geloofsleer heeft nagelaten in zijn Redelijke Godsdienst. Wie dit werk in zijn beide imponerende banden in zijn bezit heeft, late het niet in de kast staan, maar leze het. 't Spreekt ons, ondanks de taal van het jaar 1700, in onze 20ste eeuw meer aan, dan heel veel, wat later geschreven werd, omdat het getuigt van een frisse en toch gerijpte geest. Het heeft niet de door beelden pakkende, levendige voorstellingswijze als b.v. Bunyan's Pelgrimsreize, maar is er niet minder een boek om, dat leeft, dat van het begin tot 't einde getuigt van een ziel, die in eenvoudigheid en oprechtheid God vreest.
Nu komt ons volk er m.i. te weinig aan toe zich in zulk een, het gehele terrein van de geloofsleer omvattend, werk te verdiepen. Veelal verliest men zich al te veel in gezegden, opvattingen en meningen over afzonderlijke punten van deze of gene predikant of schrijver, man of vrouw, die men dit wel eens heeft horen zeggen of van wie men dat wel eens gelezen heeft. Maar' 't is vaak zeer onsamenhangend en verward en daardoor tot misverstand en verwijdering aanleiding gevend.
Juist wie zich voor de taak gesteld ziet het gehele gebied af te zien, krijgt daardoor oog voor de juiste verhouding waarin de verschillende zijden van de waarheid tot elkander staan.
Het lezen van een boek als de Redelijke Godsdienst eist misschien van de eenvoudige lezer meer inspanning dan het lezen van een bekeringsgeschiedenis of van een in allegoriserende vorm gesteld boek. Zoals uit een ontspanningsbibliotheek 'menigeen liever gemakshalve een boek neemt, dat gemakkelijk aanspreekt, waarin , , veel gebeurt", dan een boek, waarin nauwkeuriger wordt ingegaan op karakter- en milieutekening. Maar de inspanning wordt wel beloond.
Daarbij komt, dat de uiteenzetting van de Gereformeerde geloofsleer zo direct op het leven des geloofs gericht is. Wat dat betreft is het merkwaardig, wanneer men Brakels Redelijke Godsdienst legt naast allerlei andere dogmatieken ook van Gereformeerde belijdenis van vroegere en latere tijd. Niet dat wij over die auteurs een geringschattend oordeel willen uitspreken en niet zeer veel van hen kunnen leren. Maar in de Redelijke Godsdienst verliest de auteur geen ogenblik uit het oog, dat hij het leven van de Kerk Gods begeert te dienen. Hij geeft werkelijke geloofsleer. Hij heeft de practijk van het leven der kinderen Gods voor ogen.
Hoezeer het werk een wetenschappelijk-theologische achtergrond heeft en de verwerpingen van de dwalingen uit Sociniaanse, Remonstrantse, quietistise of andere stromingen bevat in de vorm van , , tegenwerpingen" en , , antwoorden"; hoezeer Brakel alle recht laat wedervaren aan de uiteenzetting van het voorwerp des geloofs, nl. God in Zijn Wezen, deugden, raad, openbaring en werken, waarbij 't verre van hem is een valse tegenstelling te scheppen tussen voorwerpelijk en onderwerpelijk, alsof 't voorwerp des geloofs van minder waarde zou zijn (in tegendeel het onderwerpelijke leven wordt gewrocht door Hem, Die het Voorwerp des Geloofs is en wordt door Hem ook gericht op het Voorwerp des Geloofs) — hij heeft toch voortdurend voor ogen, wat de rechte verhouding van het gelovig subject tot God en Zijn weldaden in Christus moet zijn; hoe voorwerp en onderwerp op elkander betrokken zijn.
Vandaar dat deze geloofsleer allerlei hoofdstukken bevat, die in een gewone dogmatiek niet aan de orde komen. Ik noem maar enkele over de geestelijke blijdschap (niet als buitengewone verrukking opgevat, maar als vrucht van 't geloof); over de vreze Gods; over de zelfverloochening; over de lijdzaamheid ; van de oprechtheid, de eenzaamheid, het zingen, de zachtmoedigheid, de geestelijke wasdom, de verachtering in het geestelijk leven, verlating, aanvechting, ongeloof zowel betreffende God en Zijn Woord als aangaande zijn eigen staat; over het leven bij Gods beloften en de volharding der heiligen.
Welk een schat van mensenkennis en van kennis van het geestelijke leven ligt daarin opgesloten ! Met welk een tedere pastorale zorg is Brakel er op uit om de lammeren te hoeden ! Welk een nuchtere kijk heeft hij op de gevaren, die de onoprechtheid medebrengt, zowel in sommige, vaak onbewuste verkeerde gewoonten van enkele overigens godvrezende mensen in houding, gebaar en gelaat of meesterachtige manier van oordelen en spreken, als van degenen die uiterlijk zich bij hen voegen en die soms de mond vol hebben over de verdorvenheid en het verval der kerk. Dan kan Brakel wel eens met verontwaardiging , , foei!" zeggen.
Maar hij kent ook de geveinsdheid van het tijdgeloof. Er zijn zovelen, die wel in Christus willen geloven om door Hem gezaligd te worden, maar niet om door Hem onderwezen, gerechtvaardigd en geheiligd te worden.
Of zo men al meent, dat men in Christus gelooft om door Hem gerechtvaardigd te worden, dan toch niet om door Hem geleerd en geregeerd te worden. Men wil Christus slechts in een deel van Zijn ambten erkennen. Men iziet de dingen in , , voorstelling", maar leeft niet bij de werkelijkheid der voorgestelde zaken. Het is zeer moeilijk om zulke schijngelovigen aan zichzelf te ontdekken.
Dat zulke mensen in de gemeente gevonden worden, verleidt Brakel niet om te kort te doen aan de ruimte en de objectieve kracht en geldigheid van de Evangelieprediking.
Al is het noodzakelijk, dat de mens aan de vruchten zichzelf onderzoeke of zijn geloof een echt geloof is, „ieder mag en moet in Christus geloven", zo zegt Brakel in het hoofdstuk over deroeping. Dat de gast zonder bruiloftskleed kwam, was niet zijn zonde. Hij was genodigd. Maar dat hij verkeerd kwam, dat was zijn oordeel.
Al is het volkomen waar, dat de mens van zichzelf geheel onbekwaam is tot geloof en bekering, dat doet niets af van het feit, dat de eis in levende kracht vóór hem staat, evenmin als van het feit, dat de Heilige Geest van die roeping gebruik maakt tot geloof en wedergeboorte (in orde gaat volgens Brakel het geloof voorop zonder het geloof doet het Woord, dat het zaad der wedergeboorte is, geen nut).
Ook maakt hij nergens het werk van de Heilige Geest los van het werk van de enige Zaligmaker Jezus Christus. De Geest is immers de Geest van Christus, d.w.z. Die Christus verworven heeft. Die alles uit het Zijne neemt, maar Die ook Hem verheerlijkt. Het lijkt mij van belang dit op te merken. Anders komt men op het spoor van degenen, die Matthew Henry ergens aanduidt als degenen, die behouden willen worden , , rather by conversion than by Christ" (meer door hun bekering dan door Christus).
Brakel heeft daarbij oog voor de verschillende wegen, waarlangs God Zijn uitverkorenen toebrengt: plotseling of geleidelijk, met grote wettische verschrikkingen of op zeer evangelische wijze, in kalme bedaardheid of in een lange weg van op en neer. Ook al is het laatste bij de meesten het geval, hij hoedt zich angstvallig om de indruk te wekken van een bekeringsprogram. Ook is hij er van overtuigd, dat de meeste beslissingen vallen in de jeugd (tussen 14 en 25 jaar, zo zegt hij).
Belangrijk is de plaats, die de leer van het genadeverbond bij Brakel inneemt. Hij onderscheidt dit zeer duidelijk van het verbond der verlossing. Het laatste behandelt hij in hoofdstuk VII na de bespreking van de besluiten Gods in het algemeen en de eeuwige voorverordinering. Het is hetzelfde als de Raad des vredes. Over het verbond der genade handelt hij in hoofdstuk XVI na de uiteenzetting van de val en de ellende van de mens. De leer van het genade-verbond is bij Brakel van zóveel belang, dat hij dit met name noemt in de ondertitel van zijn werk. Hij is er van overtuigd daarmede geen nieuwe wegen in te slaan, maar dezelfde lijnen te trekken, die de Reformatoren en de belijdenisschriften aangewezen hebben.
Brakel is ver van de Doperse opvattingen, die de vleeswording des woords niet recht verstaan hebben, maar ook niet geleerd hebben, dat God met Zijn genadeverbond ingaat in de historie van de geslachten, Brakel trekt daaruit wel eens vérstrekkende conclusies. Maar het is zijn bedoeling om volle ernst te maken met de belofte Gods aan het zaad der gelovigen : Ik zal u tot een God zijn.
Het spreekt vanzelf, dat hiermede persoonlijk geloof, wedergeboorte, bekering en heiligmaking niet overbodig geacht worden. De kinderen ontvingen het teken en zegel van het genadeverbond en zijn daardoor de gemeente Gods ingelijfd. (Brakel ontkent stellig het bestaan van een , , uitwendig" verbond). Maar het is niet genoeg uitwendig in het verbond te zijn, evenals de ranken, die in de wijnstok niet blijven. Het komt er op aan op de rechte wijze met dit alles werkzaam te zijn,
Ik wil eindigen met te wijzen op een hoofdstuk, dat veel te zeggen heeft ook met het oog op onze tijd, n.l. Deel I, Hoofdstuk XXV : Men moet zich bij de kerk voegen en bij haar blijven. Brakel heeft in zijn' tijd ook reeds afscheidingen beleefd. Hij noemt die van de Labadisten, van de Herder en van Bardowitz en wijst op de ook toen al opmerkelijke onenigheid onder degenen, die zich afscheidden. Hij heeft daartegen ook een aantal kleine werkjes geschreven. Zeker, vele klachten over leer en leven van ambtsdragers en gemeenteleden zijn gegrond. Maar heeft men zelf gedaan wat allereerst schriftuurlijke roeping is ? Met tedere beslistheid behandelt hij de bezwaren.van , , vreesachtigen", die om de gebreken der kerk het H. Avondmaal verzuimen en waarschuwt hij voor het toepassen van verkeerd geexegetiseerde teksten.
Gaarne zouden we op vele genoemde en nog niet genoemde aspecten van Brakel's werk dieper ingaan. Ook hier of daar een critische opmerking plaatsen. Als Brakel b.v, de , .zekerheid" des geloofs verlegt naar 't welwezen des geloofs en ontkent dat zekerheid behoort tot het wezen (hier is overeenstemming b.v, met Groenewegen en tegenstelling met Van der Groe en Comrie), dan verliest hij teveel uit het oog dat het geloof, hoe zwak ook, altijd een vaste grond tot voorwerp heeft.
Maar we hebben hier alleen de belangstelling van de lezer voor dit kostelijke, nog altijd lezenswaardige werk willen wekken.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 maart 1955
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 maart 1955
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's