De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Hoe functioneert de belijdenis?

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Hoe functioneert de belijdenis?

8 minuten leestijd

Zo luidt de titel van een verhandeling, die door prof. Van Ruler werd gehouden op de conferentie van de Confessionele Vereniging op Woudschoten op Woensdag 23 Juni 1954, welke ons dezer dagen werd toegezonden. (Uitg. : H. Veenman en Zonen, Wageningen).

De éne vraag van de titel wordt uiteengelegd in een negental, die achtereenvolgens aan de orde van behandeling komen.

1. Wie is het die belijdt? 2. Wat is het doel en de strekking van alle belijden ? 3. Waar komt de belijdenis vandaan? 4. Wat is het wezen en de functie van de belijdenis ? 5. Hoe is de verhouding van de Schrift en de belijdenis ? 6. Welke plaats heeft het belijden in het geheel van het kerkzijn ? 7. Op welke manieren geschiedt het belijden ? 8. Welke is de plaats van het historisch belijdenisgeschrift in het geheel van het belijden ? 9. Hoe wordt de belijdenis in de leertucht gehandhaafd ? Ziedaar de negen vragen.

Beginnende bij de eerste, wil prof. Van Ruler grote nadruk gelegd hebben op het feit, dat de kerk als lichaam van Christus subject van het belijden is. M.a.w. de kerk als lichaam van Christus belijdt. , , De kerk is niet een ding van ons". , , Zij is iets van Christus". , , Of nog dieper gezegd : zij is iets van God in deze wereld" (blz. 9).

" De kerk belijdt! En zij doet dat als het lichaam van Christus ! Zeker, wie dacht daar eigenlijk anders over ? Immers, als wij mensen belijden, belijden wij van uit het leven des geloofs, en dat is.dus van uit de gemeenschap met Christus, in Wien allen verenigd zijn, die datzelfde leven deelachtig zijn. Eén geloof, één doop, één Heere.

En toch, zo eenvoudig bedoelt prof. Van Ruler het niet.

Hij noemt n.l. de sacramenten , , dingen, die essentieel zijn in het kerkzijn van de kerk". Ja, hij gaat zelfs zó ver, dat hij de sacramenten, met name het sacrament van het Avondmaal, „dat brokje brood, dat slokje wijn, het eigenlijke gemeenschappelijke zijn in de gemeenschap der heiligen" noemt.

Wij willen ons wachten voor wilde gevolgtrekkingen waartoe zulk een uitdrukkingswijze gemakkelijk kan uitlokken. Prof. Van Ruler is verzot op het speelse element, dat hij meent te ontdekken, en laat zich wel eens verleiden theologiseren tot een spelletje te maken. In ieder geval geeft hij aanleiding om 20 iets te denken.

Dat echter , , dat brokje brood, dat slokje wijn het eigenlijke, gemeenschappelijke zijn in de gemeensohap der heiligen" zou zijn, verraadt een opvatting zowel van het sacrament als van het kerk-zijn, welke op bedenkelijke wijze in conflict komt met het rein geestelijk karakter van ons Christelijk geloof.

De referent ziet, zoals men willicht begrijpt, allereerst op de kerk in haar historische verschijning en zegt dan : , , De kerk is in de gesdhiedenis van , , Godswege van Christus uit gegroeid, , , het menselijk geslacht in".

, , Zo is de kerk alleen van Christus , , uit te denken. Dit geldt niet alleen , , voor het verborgen, mystieke, geestelijke sooma tou Christou (lichaam van Christus), dat alleen voor Gods aangezicht bestaat en zich compleet dekt , met het getal der uitverkorenen. Maar „ditzelfde — dat de kerk alleen van „Christus uit te denken is — geldt voor „de gehele kerk, in al haar bestaansvormen. Dus niet alleen voor de organische kerk, maar even wezenlijk voor , , de instituaire kerk, — om deze bedenkelijke onderscheiding van Kuyper nu even te gebruiken", (blz. 9).

Een en ander maakt toch de indruk van een schromelijke verwarring van kerk en instituut. Alleen het feit, dat prof. Van Ruler zijn toevlucht neemt tot een door hem bedenkelijk geachte onderscheiding van Kuyper, wijst op een waarheidsmoment in die onderscheiding, dat hem voor de geest staat. Trouwens spreekt Calvijn ook niet van de onzichtbare en de zichtbare kerk? En het is ook zó, dat wie over de zichtbare kerk spreekt, ook altijd enigermate over de onzichtbare spreekt, omdat de eerste er zonder deze niet zijn zou. Daarvan gewaagt ook de spreekwijze, waarbij de zichtbare kerk een openbaring van de onzichtbare kerk wordt genoemd.

Als wij zo de dingen naast elkander stellen, gevoelt men, dat er wat niet helemaal strookt, als prof. Van Ruler opmerkt, dat zo alleen de kerk van Christus uit is te denken, n.l. als van Christus uit gegroeid, het menselijk geslacht in.

Stel voor een ogenblik, dat wij het zó nemen, zowel voor de onzichtbare als voor de zichtbare kerk, n.l. dat die van Christus uit gedacht wordt, als van Christus uit het menselijk geslacht in groeiende, heeft dat dan alleen betrekking op „de Nieuw-testamentische" kerk ? Begint de uitgroei in de historie eerst bij de Christelijke aera en waren de heiligen des Ouden Verbonds niet in de kerk ? Was Israël niet ook een openbaring der kerk ? Zijn Abraham, Izaak en Jacob niet in de kerk ? Hoe heet dan Abraham de vader der gelovigen?

Deze en dergelijke vragen komen bij ons op.

De Schrift laat daarover een ander licht schijnen. En de Heere deed dagelijks tot de gemeente, die zalig werden (Hand. 2 vs. 47). Die geeft een beeld van toevoegen en niet van uitgroeien. De Heere zette hen, die behouden worden, er bij. Zo ook Hand. 5 vs. 14 en 11 VS. 24.

Men kan niet zeggen, dat Christus de kerk is, doch het lichaam van Christus is de kerk en dat is nooit los van de Christus, want Hij is het Hoofd der gemeente. Derhalve kan men zeggen dat het wezen der kerk daarin is gelegen, dat zij het lichaam van Christus is en dat dit wezen zich realiseert in de gemeenschap met het lichaam van Christus.

De Catechismus spreekt van een in Christus ingelijfd zijn, dat is delen in het leven van Christus. Christus zelf noemt zich de wijnstok en spreekt van ranken, die in Hem vrucht dragen en van ranken, die in Hem geen vrucht dragen en worden uitgeworpen. (Joh. 15 vs. 1 v.v.). De gemeente des Heeren wordt ons voorts getekend als een schepping Gods in Christus. , , Want wij zijn Zijn maaksel, geschapen in Christus Jezus tot goede werken, enz. (Efeze 2 vs. 10)". En elders : , , die in Christus is, is een nieuw schepser'. (2 Cor. 5 vs. 17).

Wij zijn het dus wel eens, dat wij alles, wat der kerk is, ook het belijden, van Christus - uit moeten verstaan, maar wij vragen ons toch af, of prof. Van Ruler de kerk niet eenzijdig naar de historie trekt. De kerk gaat in de historie niet op. Eerder zou men kunnen zeggen dat het in de historie eigenlijk om de kerk gaat.

Ook weerspreken wij niet, dat de kerk het subject van het belijden is. De kerk belijdt en zij belijdt wel in de eerste plaats Christus, haar Heere en Verlosser.

Wij noemen ook de belijdenis de belijdenis der kerk. De apostolische belijdenis zien wij zelfs oecumenisch, d.w.z. zij geldt als de belijdenis der kerk alsgeheel.

Met klem waarschuwt prof. Van Ruler er tegen, dat men het subject van het belijden toch niet zal zoeken in de enkele, belijdende mens. En men wachte zich er voor de institutaire zichtbare, min of meer menselijke kerk opgebouwd te achten vanuit deze enkele, belijdende mens.

Dat is dan ook de strekking van deze eerste paragraaf, die er zo sterke nadruk op wil leggen, dat de kerk het subject van het belijden is, — en dat derhalve de enkeling slechts deelneemt aan het belijden van de kerk als gemeenschap en lichaam van Christus.

Deze klem ligt ten dele toch onjuist. Wij geven toe, dat de persoonlijke Christen in zijn belijden van de Christus deelneemt aan het belijden der kerk als geheel. Dat gemeenschappelijke ligt er in, want het gaat om het belijden van de Christus en een mens kan geen ding aannemen, zo het hem uit de hemel niet gegeven zij. Joh. 3 VS. 27).

Derhalve kan ook niemand de Christus aannemen en belijden als het hem niet van boven gegeven wordt. Immers Christus is het, die de Zijnen vergadert, en wel uit alle volk, en tong en natie. (Dat is weer een ander aspect dan uitgroeien in het menselijk geslacht).

Daarom, die getrokken wordt tot Christus door Zijn Woord en Geest, staat in de gemeenschap der kerk met zijn belijdenis, omdat hij deel verkrijgt aan het leven der kerk, waaruit allen, afgezien van een kerkelijk instituut, belijden.

Hoeveel een kerkelijke belijdenis in deze wereld van de volheid in Christus mag vertolken, is weer een andere zaak, en hoeveel ruimte dit geeft in het elkander verdragen, is ook een andere aangelegenheid. Doch alle waarachtig belijden op aarde is uit het leven met Christus geboren.

Er is dan ook geen gegronde aanleiding om het persoonlijk belijden zo naar achteren te schuiven, alleen uit vrees, dat een belijdenis als accoord van kerkelijke gemeenschap kan gaan functionneren.

De Christelijke religie is de religie der persoonlijkheid. Hoe persoonlijk spreekt de Christus zelf over het belijden : „Een iegelijk, die Mij belijden zal voor de mensen, die zal ook de Zoon des mensen belijden voor de engelen Gods'. (Lukas 12 vs. 8).

Kan een waarachtige belijdenis van de persoonlijke Christen buiten de belijdenis der kerk staan? Dat kan niet, omdat een waarachtige belijdenis van de Christus niet buiten het leven der kerk kan staan.

Zou de beklemming van de kerk als subject van het belijden, mogelijk saamhangen met een beetje hoogkerkelijk dogmatisme ? Doch het instituut valt weg, maar het lichaam van Christus blijft.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 maart 1955

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Hoe functioneert de belijdenis?

Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 maart 1955

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's