DE VROUW EN HET AMBT
Dr Volger schrijft in „Hervormd Amsterdam" dd. 12 Februari het volgende artikel, dat wij in zijn geheel overnemen :
In een niet al te lang artikel over De Vrouw en het ambt kan ik slechts enige korte notities geven.
1. Als het amht voor de vrouw opengesteld wordt, zal dat moeten zijn in gehoorzaamlieid aan de Heilige Schrift en staande op de bodem van de Belijdenisgeschriften.
2. In alles gaat het om de plaats, die God aan man en vrouw gegeven heeft. Die plaats moet gezocht worden in de Heilige Schrift. Ten aanzien van deze plaats kan in dit geval geen sprake zijn van een meer- of minderwaardigheid van man of vrouw. Man en vrouw staan dan op de plaats, die God gegeven heeft fen dat is de enig juiste plaats.
De Schrift laat wel onderscheid toe bij man en vrouw ten opzichte van de schepping. Want eerst is Adam geformeerd, en daarna Eva, 1 Timotheus 2, 13 ; De man is niet uit de vrouw, maar de vrouw is uit de man, I Corinthiërs 11, 8 — en ten aanzien van de zondeval — Adam heeft zich niet laten verleiden, maar de vrouw is door de verleiding in overtreding gevallen, 1 Timotheus 2, 14; ; evenwel niet in de gevolgen van de zondeval — allen hebben gezondigd en derven de heerlijkheid Gods, Romeinen 3, 23 — of in het aanbod van het heil en het verkrijgen van de zaligheid — Komt allen tot Mij, Mattheüs 11, 28, En worden om niet gerechtvaardigd, Romeinen 3, 24, Allen, die in Christus gedoopt zijn, hebben zich met Christus bekleed. , , Hierbij is geen sprake van Jood of Griek, van slaaf of vrije, van mannelijk of vrouwelijk : gij allen zijt immers één in Christus Jezus", Galaten 3, 27v.
In Galaten 3, 27v is in de verste verte geen sprake van het ambt. Daar wordt alleen gehandeld over de ruimheid van het aanbod van het Evangelie. Dat aanbod geldt voor alle en alle soorten van mensen. Zou deze tekst op de toelating tot het ambt van de vrouw slaan, dan moet men, gezien het feit, dat niet de woorden man en vrouw, maar mannelijk en vrouwelijk gebruikt worden, concluderen, dat jongens en meisjes, die toch ook mannelijk of vrouwelijk zijn, alsmede gehuwde vrouwen, niet uitgesloten zijn. Dit zal zeker de bedoeling van de apostel niet geweest zijn.
3. In discussie is niet, of vrouwen ook kerkelijk, geestelijk werk hebben verricht of verrichten mogen. Hierbij kan gedacht worden aan vrouwen als Mirjam en Debora, teksten als Exodus '35, 22, 25, 26, 29 ; 38, 8b in het Oude Testament, in het Nieuwe Testament aan 'die vrouwen, 'die Christus van haar goederen dienden, van wie gezegd wordt, dat zij profeteerden, die zieken verpleegden, armen verzorgden, enz.
De vraag is of vrouwen staan mogen in het ambt, in dat werk, waarin de Here God, waarin Jezus Christus zich vertegenwoordigd willen zien. Dat is het ambt: vertegenwoordiging Gods op aarde bij de mensen. Dit ambt komt niet uit de gemeente op. Het ambt in de gemeente is het ambt van Christus, is door Hem gedelegeerd, maar blijft aan Hem en aan zijn verordeningen gehonden: wie u hoort, hoort Mij.
4. In het Oude Testament draagt de Here de dienst in het heiligdom met uitsluiting van alle vrouwen alleen aan mannen op. Dat is gedaan in een tijd, toen bijkans alle heidense volken priesteressen kenden als dienstmaagden van de godheid, ook in dat Oosten, waarvan men zegt, dat de vrouw daar niet bijizonder in ere was. Hoe ook misschien minder geëerd dan de man, toch werd de vrouw tot de officiële eredienst in actieve zin toegelaten. Dat was zo bij de Babyloniërs, ook in Egypte. Desnietteigenstaande geeft God geen toestemming aan vrouwen priesterdienst op te dragen. Voor het Oude Testament is de dienst van de vrouw in het heiligdom, heidendom.
In het Nieuwe Testament stelt de Here Jezus ambtsdragers aan. Dat zijn mannen. Er waren toen vrouwen genoeg, die Hem volgden en Hem van haar gtoederen dienden. In die tijd gold toch zeker óok, dat in Christus noch mannelijk, noch vrouwelijk is. Toch beperkt Christus zich tot mannen. In de tijd na de opstanding maakt Hij gebruik van vrouwen: Gaat heen en bericht mijn broeders, Mattheüs 28, 10. Maar als Hij voor de hemelvaart de verkondiging van het Koninkrijk ordent, zegt Hij tot de elf discipelen: Gaat dan heen, maakt al de volken tot mijn discipelen en 'doopt hen in de naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes en leert hun onderhouden al wat Ik u bevolen heb. (Mattheüs 28, 19). De 'dienst des Woords en der Sacramenten wordt hier met uitsluiting van de voorafgenoemde vrouwen gegeven aan de mannelijke apostelen.
Hierbij klemt het woord uit de Nederlandse Geloofsbelijdenis : Intussen geloven wij, hoewel het nuttig en goed is, dat die regeerders der Kerk zijn, onder zich zekere ordinantie instellen en bevestigen tot onderhouding van het lichaam der Kerk, dat zij nochtans zich wel moeten wachten, af te wijken van hetgeen ons Christus, onze enige Meester, geordineerd heeft. (Art. XXXII).
De Apostelen gaan verder in de richting, door Christus gewezen. Als zij een ander willen kiezen voor de verrader Judas, zijn er reeds vrouwen genoeg in de jonge gemeente. Er wordt niet aan gedacht een vrouw te nemen. Petrus zegt : Er moet dan van de mannen '(andrón).... één (hena) van hen met ons getuige worden van Zijn opstanding. Handelingen 1, 21).
Als de bediening van de armen in Jeruzalem in de war loopt en weduwen verwaarloosd worden, zeggen de aposten niet : het gaat om vrouwen, om weduwen, stelt er dus vrouwen over aan, maar er wordt gezegd : Ziet dan uit, broeders, naar zeven mannen (andras) onider u. (Handelingen 6, 3). Apostelen en diakenen werden derhalve uit de mannen gekozen.
6. Paulus maakt daarop geen uitzondering. In Efeze 4, 11, noemt hij ambtsdragers op. Onder hen vindt men geen vrouwen, alleen mannen (tous men.... tous de). Wie heeft deze aangesteld? Hij ! God! De Here heeft geen vrouwen, wel mannen aangesteld.
In I Timotheus 3, 2—7 handelt Paulus over de ouderlingen. Alles is daar mannelijk. Hetzelfde valt op bij Titus 1, 5—9. Paulus kent geen vrouwelijke ouderlingen. Hij laat ze ook niet kiezen of aanstellen.
Zo is het met de diakenen bij Paulus. Over hen schrijft hij in I Timotheus 3, 8—12. Het is daar alles mannelijk wat de klok slaat.
Dit geldt ook bij de verkondiging van het Koninkrijk. De Here Jezus heeft dat Koninkrijk verkondigd in de synagogen. Dan wordt het woord leren, didaskein gebruikt. Welnu, zegt Paulus in I Timotheus 2, 12, het leren, het didaskein, laat ik aan de vrouwen niet toe.
Dit alles klemt te meer, omdat de Joden in het algemeen en de Apostelen in het bijzonder bij de andere godsdiensten vrouwelijke elementen zullen hebben aangetroffen in de cultus. Hierbij kan men denken aan de Vestaalse maagden. Als het beroep op de tekst: in Christus is noch man, noch vrouw, opgeld kon doen, zou, gezien het feit, dat in deze tekst ook gezegd wordt : hierbij is geen sprake van Jood of Griek, de heidense gewoonte om priesteressen te hebben, niet uitgesloten moeten worden bij die heidenen, die christen werden. Waarom zou dan dit vroegere, waar priesteressen waren, niet gecontinueerd kunnen worden ? Niettegenstaande het feit, dat de latere christenen in hun heidense periode priesteressen gekend hebben, neemt geen Apostel bij de stichting van christelijke gemeenten vrouwen op in het ambt.
Ook in het Nieuwe Testament is de vrouw in de eredienst een heidens element.
7. Jezus Christus wordt de Bruidegom van zijn gemeente genoemd, de gemeente zijn Bruid. Dit zal ook moeten uitkomen in het ambt. Het ambt is hier alleen mannelijk te nemen.
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 maart 1955
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 maart 1955
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's