JEAN TAFFIN
1
In. de laatste weken is er in ons blad. geschreven over enkele „oude schrijvers". Dat waren een paar oude bekenden : Brakel en Smijtegelt. Toch vrezen we dat ook deze „bekende" schrijvers onder ons toch zeer weinig worden gelezen. Dat stellen we als feit voorop. Als we het pogen te verklaren, willen we niet beweren, dat het niet meer lezen van de oude schrijvers bepaald op geestelijke vervlakking moet wijzen. Maar op de achtergrond zal ze toch in de regel wel aanwezig zijn.
Er zijn. ook andere oorzaken. De omvang van werken als Brakel's Redelijke Godsdienst en Hellenbroek's Jesaja, is van dien aard, dat mensen in een drukke eeuw aan de lectuur daarvan niet meer toekomen. Soms denken we, dat het toch wel de moeite zou lonen, de beste der oude theologen nog weer eens uit te geven, maar dan kort samengevat. Intussen weten we erg goed dat dat een kunststuk op zichzelf is. Hoe licht laat - men eigen lievelingsdenkbeelden meespreken ! In elk vertalen komt immers altijd een stukje uitleg mee.
Daarnaast is er ook de oude druk, die afschrikt. Om die oorzaak heeft men vele der oude schrijvers al uitgegeven in nieuwe druk. We moeten zeggen, dat het lezen van het oude schrift heel erg meevalt. Is er de wil, dan is er ook wel de weg.
Het onaangenaamste is naar ons inzicht wel de hoge prijs, die men dan nog voor deze boeken vraagt. Het is immers een goede regel in alle handel, een zo goed mogelijk product voor de laagste prijs aan de man te brengen, Dat mocht men hier dan wel héél sterk betrachten ! Als men meent, dat deze werken tot de eerste levensbehoeften van een christen behoren, dan moet men niet nog eens een extra schepje op de prijs leggen, denkend: Die de zuivere waarheid liefhebben, kopen ze tóch wel!
De , , bekende" oude schrijvers zijn onder ons dus al matig bekend. Hoeveel te minder zal dan bekend zijn de man, voor wie we hier eens aandacht willen vragen ! Als de kennismaking meevalt, hopen we nog anderen op hem te laten volgen. Zo niet, dan moeten deze auteurs maar voor de liefhebbers blijven.
Het zal dus gaan over Jean Taffin. Af en toe wordt die naam wel verhollandst en dan tot Jan Taffijn gemaakt, maar deze verbastering kan ons maar matig behagen. Want juist de vreemdheid van die naam, die hierboven staat, doet ons meteen begrijpen, dat deze man een vreemdeling is. Hij heeft wel lange jaren in ons land gewoond, maar werkte in de Waalse, dus Frans sprekende gemeenten.
Hij is geboren in 1529. Dat betekent dus, dat hij de eerste, harde tijd der Hervorming nog heeft mee gemaakt. We zullen horen, hoe dat hem gestempeld heeft. 'Geboren is hij in Zuid Nederland en daar nader in de stad Doornik, die bekend stond als een waar kettersnest. Geboren uit welgestelde ouders, kon hij in het buitenland (Italië) studeren. Als hij terug komt, treedt hij in dienst bij de ons allen wel zeer bekende kardinaal Granvelle. Hij was bibliothecaris en had bijzonder tot taak ketterse boeken te lezen en daarover te rapporteren. Hij las ze zó goed, dat ze hem in merg en been overgingen en hij als ketter op de duur zijn betrekking moest opgeven. Dan is Geneve de magneet, die hem trekt: daar gaat hij theologie studeren onder Calvijn en Beza en hij is er later zelfs gedoctoreerd, een dan nog vrij zeldzaam gebeuren. Hij is een van de , , stukken hout" geweest die, naar de spreekwijze van Calvijn, naar Geneve werden gestuurd, en waaruit daar pijlen werden gesneden. Die „pijl" wordt dan afgeschoten op de gemeente onder 't kruis in Antwerpen, waar we hem sinds 1558 treffen. Hij wordt er verdreven en werkt dan een tijd in Aken, waar zich een „vluchtelingengemeente" ophoudt. Het langst arbeidt hij in de stad Metz, waar de Protestanten zelfs een eigen kerk mochten bouwen, die intussen na 7 jaar weer verwoest en verbrand werd. Weer moet Taffin vluchten, en nu komt hij in Heidelberg, waar hij kerk en hogeschool beide kan dienen. Lang is hij er weer niet: in 1570 is hij 2e voorzitter van de vermaarde Synode * van Enibden, waar hij naar vermogen voor de eenheid der Protestanten opkomt, speciaal van de , , gereformeerde gezindheid".
Een paar jaar brengt hij op Walcheren door als reizend predikant, meest in de buurt van Prins Willem van Oranje, die deze fijne en rijke geest zeer waardeert en hem in 1575 tot zijn hofprediker maakt. Als zodanig heeft hij het huwelijk van de Prins met Charlotte de Bourfeon in Den Briel ingezegend. 't Schot, door Balthasar Gerards in 1584 gelost, maakte een eind aan het leven van de Prins en daarmee ook aan het hofpredikerschap van Taffin. Hij gaat naar Antwerpen, waar Mamix van St. Aldegonde zijn raad en daad zo goed kan gebruiken, maar moet na de val van Antwerpen alweer de vlucht nemen. De lijfspreuk van Mamix : Elders de rust, heeft voor Taffin wel even diep gegolden. Het verwondert ons, dat deze man, die zoveel geleden heeft en die in een tijd van felle hartstochten leeft, toch zo zachtmoedig en mild is gebleven. En dat niet uit karakterzwakte, maar uit rijpe overtuiging : Calvijn heeft hem zeker geleerd, dat de Heilige Geest de Geest der zachtmoedigheid is. Dat heeft Taffin diep verstaan en dat maakt hem tot vredestichter, die hij is geworden. Hij heeft dat aantrekkelijke, dat maar aan weinigen is beschoren, in de zaak zeer krachtig en toch in de manier zeer mild te kunnen zijn.
Het komt daarvandaan, dat we hem telkens weer in het voorste gelid vinden en in de voorzittersstoel. Hij is praeses van de Waalse Synode, in Leiden gehouden in 1587. We zeiden immers al: Taffin behoorde niet tot de Nederduitse, maar tot de Franssprekende gemeenten. De harde jaren, die hij achter de rug heeft, hebben hem blijkbaar aan de rand van een overspanning gebracht: Hij gaat tenminste een poos in E'mden rust nemen. Merkwaardig, dat we dat zo van hem lezen. Soms denken we, dat ons voorgeslacht zenuwen van staal had, zodat we van de kwalen van onze moderne tijd weinig horen. Maar we horen alles niet! En hoevelen van de mensen van die tijd stierven zeer jong !
De Waalse gemeente van Leiden beroept hem. Dat is in 1588. Hij blijkt daar volop , , praktizijn". Hij heeft n.l. te ijveren, om gelden in te zamelen ten behoeve van de vele Franse vluchtelingen , die zijn gemeente uitmaken en die berooid hier aankomen. Dat geeft zijn prediking, naar we nog zien zullen, een sterke „sociale" inslag, die de meeste van zijn geestverwanten tot hun schade veel minder kennen dan hij. In zijn prediking legt hij er sterke nadruk op, dat het levend geloof door de liefde werkt. Die liefde heeft allereerst de Drieëne God tot voorwerp en is als zodanig „mystiek" van aard. Het komt echter voor een gereformeerde christen niet aan op dat mystiek genieten, maar het geeft hem de kracht om in kerk en beroep de naaste te dienen in een liefde om Gods', om Christus' wille.
Tot die zeer practische liefde tot naasten-in-nood heeft hij krachtig opgeroepen. Het verwondert ons niet, dat zijn goed gerucht tot in Amsterdam doordringt. De Waalse gemeente daar bloeit, omdat 't Zuiden zo bloedt. Daar gaat hij in 1591 heen en werkt er nog 11 jaar. Het zijn zeker geen gemakkelijke jaren geweest. Na , , de grote alteratie" (de ommekeer) van 1578, is het in Amsterdam lang roerig gebleven. In 1602 woedt er de pest, die gesel der Middeleeuwen. Taffin's vrouw wordt aangetast en sterft. Of Taffin ook door de pest is weggeraapt, dan wel dat hartzeer zijn krachten gebroken heeft, weten we niet. Wel, dat ook hij in datzelfde jaar is overleden, 73 jaar oud.
Van hem kon zeker niet gezegd worden, wat zo spijtig staat beschreven van een der oude koningen van Juda, dat hij heenging, zonder te zijn begeerd geweest. Integendeel : in brede kring werd hij betreurd.
Zo heeft de zwerver rust gevonden. We wezen al aan, hoe sprekend de lijfspreuk van Marnix op hem paste. Hij had ook zelf zo'n spreuk, waarvan de woorden wat anders klinken, maar waarvan de inhoud toch dezelfde is. Zinspelend op zijn naam, koos hij als spreuk: A Dieu ta vie, a Dieu ta fin. Dat wil zeggen : Als Uw leven aan God gewijd en bij Hem geborgen, is, dan brengt het eind ervan U ook tot Hem. Dat is diep gedacht en fijn gezegd. Het is een sprekend motto voor de piëtist, die hij geweest is en waarover we volgende keer een enkel woord willen zeggen. Laten we er nu vast van zeggen, dat Piëtisme het tegendeel is van wat Bileam wilde. Die wilde een grof leven 'bekroond zien door een , zalig" sterven. En dat behoort tot de onmogelijkheden. Dat heeft Taffin zijn gemeente met liefde en ernst ingeprent. Maar wat hij anderen preekte, dat bracht hij zelf in practijk. Zo geldt het óok vandaag voor ons nog : Zal U het sterven winst zijn, dan moet U het leven Christus zijn geworden. Daarom zij Uw leven de Heere gewijd, opdat ook Uw einde met Hem en vrede zij.
V. d. L.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 april 1955
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 april 1955
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's