De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

JEAN TAFFIN

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

JEAN TAFFIN

9 minuten leestijd

11

We hebben vorig maal al aangeroerd, dat Taffin een gereformeerde piëtist is, of, zoals we tegenwoordig met enige voorkeur zeggen : een man van de Nadere Reformatie. Dat woord piëtist komt van het latijnse woord piëtas, dat vroomheid betekent. Dus een piëtist is iemand, die aandringt op vroomheid des harten en des levens. Practisch gesproken is Taffin onder de oude gereformeerde predikanten, die we kennen, daarin de eerste. Dat zeggen we met voorbehoud. Als de werken van de eerste Calvinisten, die hier gearbeid hebben, maar niet zo zeldzaam waren, dan zou het ons mogelijk zijn met de stukken aan te wijzen, wat we nu enkel kunnen , , aanvoelen", dat van stonde aan de gereformeerde prediking en zielszorg een , , piëtistisch" karakter heeft gehad.

We zeiden zoëven, - dat men deze, mensen ook noemt de mannen van de Nadere Reformatie. Daar wordt niet mee bedoeld, dat ze de Hervorming op zichzelf in gebreke stellen. Nee, maar ze zeggen wel tot de mensen, die zich al te makkelijk , , gereformeerd" noemen, dat ze aan de kernvraag van de Hervorming hebben tekort gedaan. Daarom wekken ze hun mensen op : Vrienden, hogerop ! Ze bedoelen daarmee dan : Vrienden, komt wat lager staan ! Buk, eer ge meent overeind te staan !

Taffin is practisch gesproken, de eerste piëtist. We hebben al verteld, dat hij geleefd heeft van 1529 tot 1602. Dat betekent dus, dat hij leefde in de eerste tijd van de Hervorming. Op die tijd moet naar ons besef toch zeker wel dat bekende rijmpje, dat men op de oude kerk heeft toegepast, mede slaan : Toen de kerken waren van hout, toen waren de predikers van goud. Maar toen de kerken werden van goud, toen werden de predikers van hout.

Als één tijd in onze vaderlandse geschiedenis een , , goede oude tijd" zou mogen heten, dan zeker wel deze tijd der eerste liefde. Want het kostte immers wat, wanneer men toen zich gereformeerd noemde. Het kostte minstens vervolging en verlies van z'n goederen en het kostte velen het leven. Zo kunnen we ons wel niet anders voorstellen, dan dat het toen in ons land , , gouden" gemeenten met van louter , , gouden" christenen moeten geweest zijn.

Maar zo romantiseren we de werkelijkheid. Want die is heel anders. Ook reeds toen. Zie het maar uit de prediking van Taffin, de man, die voorganger is in vluchtelings- en martelaarsgemeenten. Zelfs hij moet altijd weer de nadruk leggen op een bekering van alle , , houterigheid" tot het zuivere goud van een levend geloof.

Zelfs hij moet spijtig opmerken, dat het zelden gebeurt, dat ouders de betekenis van de Heilige Doop verstaan en er hun kinderen van spreken ! Het beeld dat we zo van zijn gemeente krijgen, is allerminst dat van één reeks van geloofshelden en pilaren, maar de schat der genade heeft ook toen wel werkelijk gewoond in „aarden vaten" !

We leggen op dat verschijnsel alle nadruk. Al te vaak wordt in het Piëtisme, in lutherse of gereformeerde gedaante, een aftakeling en verziekelijking gezien. Maar dat is er bepaald vlak naast. We zien het aan Calvijn en al zijn werkelijke volgelingen : Calvinisme en Piëtisme zijn één. Althans in de wortel en de kern. We ontkennen niet, dat er ook verschillen bestaan. Maar die raken de kern der zaak zeker niet! Het is met de stukken te bewijzen, dat de gereformeerde prediking, in Geneve en in Edinburgh (John Knox) en waar dan ook, altijd dat sterk , , piëtistische" karakter heeft vertoond. Door de nadruk, die bij Calvijn en de zijnen de heiliging naast de rechtvaardiging heeft gekregen en in verband daarmee de grote betekenis, die de Wet Gods voor het Christenleven heeft, komt de eis van de heiliging van het leven en het dienen van God op. alle levensterrein met kracht naar voren. En dat vanaf het begin. We aarzelen niet, daar nog aan toe te voegen, dat heel de Schrift, Mozes en de profeten en ook nog de evangelisten in die zin , , piëtisten" zijn, rusteloos aandringend in Wet en Evangelie, op , , nadere Reformatie" ! Dat komt in de gereformeerde prediking uit in de sterke verbondenheid van Wet en Evangelie. Geen Wet zonder Evangelie, maar ook geen Evangelie zonder Wet. Wat dan nog heel iets anders dan , , wettisch" is !

Het treft ons, dat Taffin een Zuid- Nederlander is, een man uit het franse taalgebied. Daarbij, dat hij een stads mens is, die zijn hele leven in stadsgemeenten heeft gediend. Zou dan soms in de franse gemeenten een frivoler levenstoon heersen dan in de gedegener Nederlandse ? Daar zullen we op antwoorden, dat de Fransen inderdaad in dezen een kwade naam hebben. Maar zij hebben de naam, van wat alle anderen in de daad precies zo hebben. De zonde is internationaal. Ook valt het piëtisme niet te verklaren uit steedse toestanden. De meeste andere gereformeerde Piëtisten waren dorpspredikant. Maar het getuigenis van b.v. ds. Th. van der Groe van Kralingen komt nauwkeurig overeen met wat Taffin in de stad vond. Hij vond daar een zelfde natuurlijke mens en ook een zelfde blijvende zonde, zelfs in de rijpste christenen.

Op dat laatste leggen we alle klemtoon. De piëtisten hebben de strijd aangebonden, met name tegen de blijvende zonde in de gemeente van Christus. Dat hebben de verlossingsoptimisten van die tijd te , , zwaar" gevonden en ze hebben evenzeer de opklinkende blijdschap in de prediking gemist, als dat men dat in onze dagen ons , .Bonders" ten laste legt. Daar antwoorden de , , Bonders" dan op, dat zij wantrouwig staan tegen alle verlossingsldealisme, dat in dankbaarheidsrealisme zo ernstig te kort moet schieten. Verlossing is verlossing van zonde. Zo is het hier pas in beginsel. Dat brengt een tempering in de blijdschap des geloofs en dat blijft er de diepe ondertoon van. Het is een trieste ervaring, dat juist dit soort prediking bij de middenorthodoxie geen begrip vindt. Toch menen we, dat dit de enig legitieme prediking is in een gereformeerde kerk.

We spraken van: verlossingsoptimisten. Het past daar wonderwel bij aan, dat de eerste vijanden, die Taffin bestreden heeft, tot die categorie behoorden. Het zijn n.l. de Wederdopers of Anabaptisten, tegen wie hij een geschrift heeft gericht. Merkwaardig, dat die naam Wederdopers ons nu zo weinig meer zegt. En toch hebben deze mensen aan Taffin en de zijnen handen (harten) vol zorg gegeven. Haast alle oude gereformeerde theologen hebben tegen deze secte geschreven.

Het kan hier de plaats niet zijn, er breed over uit te weiden. Toch zal dat nog wel eens moeten gebeuren, want ons dunkt, dat er zware misvattingen aangaande deze mensen in omloop zijn. Hun naam is al oppervlakkig gekozen. Hun doopstoeschouwing is n.l. lang niet het belangrijkste in het geheel van hun opvattingen. Het zijn, zoals we het noemden : verlossingsoptimisten, die van verlossing veel en van zonde (blijvende zonde !) weinig weten te zeggen. Het zijn ook , , geestdrijvers". Maar we kunnen dat niet de Heilige Geest noemen, die immers in dit leven enkel met mate gegeven wordt. Want deze mensen wanen zich vol van de geest, vergeestelijkt, zo niet vergoddelijkt. Het lijkt ons, in verband daarmee, dan ook wel volkomen onjuist, deze , , Dopers" te willen zoeken in onze gereformeerde kring. Daar is de nadruk van de blijvende zonde toch wel zo diep, dat de verlossing het nooit zo breed krijgt en zo hoog gestemd (ontstemd !) kan raken. Taffin bestreed deze mensen. Hij kende ze van ouds, want Zuid-Nederland en Frankrijk wemelden er van. Calvijn is nauwelijks in Geneve aangekomen, of een paar Wederdopers meldden zich, om met hem te disputeren. En verschillende geschriften heeft hij tegen hen geschreven, waarvan we spijtig moeten vermoeden, dat ze die nauwelijks hebben gelezen. Want ze wisten alles zelf zo goed en uit zo zuivere bron, .dat ze zich niet licht lieten gezeggen.

Taffin's bestrijding komt niet uit de hoogte tot hen. Zulke polemiek kweekt allicht , , farizeërs" en Taffin heeft zijn leven lang , , tollenaars" gezocht. Hij heeft deze overspannen lieden, die in feite meer leefden van wijsgerige bespiegelingen dan van religieuze werkelijkheid, willen betuigen, dat het de tragiek is van het geloofsleven, dat het hier nooit onder het kruis uitkomt. Dat die volmaaktheid, waarvan de Wederdopers hardop dromen, een fantasie is, die stuk breekt op de harde werkelijkheid. Hij poogde deze mensen, die zo groot waren in eigen schatting (hoewel ze dat zelf voor genade hielden), te doen verstaan, hoe klein de mens, ook en juist de christen is, zodat hij aan dingen als Woord, sacrament, kerk en ambt, waarop de Wederdopers uit , , geestelijke" hoogte neerzien, juist zo heel veel hebben kan en er niet buiten 'kan. Zo heeft ook dit strijdgeschrift van Taffin een opbouwende 'betekenis. Men heeft in de kerk de z.g. rust en vrede veel te lief gehad. In een „strijdende kerk" zullen strijdgeschriften wel nooit kunnen en mogen ontbreken. Anders is licht de dood in de pot. Alleen maar : dan moge het gehalte van de polemiek ook zou opbouwend zijn, als dat bij Taffin het geval is. Anders is een eindeloos, koud gepolemiseer tegen anderen, waarbij men zichzelf licht op het voetstuk zet, eën door en door armoedig bedrijf.

Een klein proefje van Taffin's , , sociaal"-getinte prediking (we mogen ook zeggen : diaconaal-getint) hebben we in een preek, die los van hem is uitgegeven. Het is getiteld : Vermaninghe tot heide ende aelmoesse ende van de schuldighe plicht ende troost der armen. Daar hoort ge Jacobus in : Toon mij Uw geloof uit Uw werken. Het betreft hier een preek, waarvan we zouden willen vermoeden, dat Taffin ze gebruikt heeft op een collecte-reis voor zijn zorgenkinderen. Blijkbaar waren de welgestelden in Noord-Nederland niet aanstonds zó warm voor hun geloofsgenoten, als dat gepast had. Vandaar dit eenvoudig, warm pleidooi voor hun zaak, dat tevens zoveel als een voorspel is op de grotere werken, die hij er op heeft laten volgen. We hopen met een bespreking daarvan de volgende maal deze korte beschouwing over Taffin te besluiten.

V. d. L.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 april 1955

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

JEAN TAFFIN

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 april 1955

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's