De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

JEAN TAFFIN

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

JEAN TAFFIN

9 minuten leestijd

III

De titel van het eerste werk van Taffin, dat we bespreken, kan niemand onzer vreemd voorkomen. Het leeft immers onder ons, dat het leven des geloofs, het leven uit Gods genade, zijn „kenmerken" heeft. En dat mag men dan vaak de zwakke plek bij uitstek van onze groep noemen : wij houden 't er voor, dat deze „kenmerken", mits schriftuurlijk gegrond, tot de beste dienst behoren, die we onze mensen kunnen bewijzen.

En bij Taffin staat het wel heel zeker gezond bijbels. De titel van zijn bedoelde boekje luidt: De merckteeckenen der kinderen Gods ende de vertroostinghen in hare verdruckingen. Een seer troostelick boecksken. Die laatste aanduiding doet ons weten, dat dit boekje bedoeld is als troostboekje voor de vervolgde Protestanten. Het is dan ook onder hen zeer geliefd geworden ; naar verluidt, droegen velen van hen het bij zich. Dat verklaart o.i. ook de zeldzaamheid van de oude drukken van dit boekje : het is zeker vaak stuk gelezen. Het ging met zijn lezers op en onder.

Kort weergegeven is de inhoud er van deze. Het grote geluk der kinderen Gods is, dat zij het eeuwige leven kennen. Hier nog maar in beginsel, maar het ziet uit naar de volheid. Maar : hoe weten we, of we tot Gods kinderen behoren ? Wel, antwoordt Taffin, dat weten we uit de kentekenen, die God zelf daartoe stelde. Dat is in de eerste plaats een innerlijk teken : het getuigenis van de Heilige Geest in ons hart, die ons betuigt, dat wij kinderen Gods zijn. Reeds op de titelpagina heeft Taffin deze tekst, Rom. 8 : 16, laten afdrukken, een bewijs, hoezeer die voor hem sprak. Dit getuigenis is „mystiek" van karakter, maar het wordt openbaar in geloof, hoop en liefde. Het is het kenteken van een herboren hart en het heeft zijn sterkte in een leven van gebed.

Daarnaast zijn er uiterlijke kenmerken, die uit dat innerlijke voortvloeien. Zo het lidmaat zijn van de kerk van Christus, in het horen van Zijn Woord en het aanroepen van Hem als Vader in Christus. Tegenover alle bestrijding moeten we ons deze kenmerken , , toeeigenen", waarbij Woord en Sacrament hun troostende en verzekerende betekenis hebben. Daarbij hebben de zwakken en de tobbers Taffin's hart : al zijn de kentekenen zwak, toch moeten we volharden in geloof en gebed.

Maar dan zien we om ons heen zoveel afval. Dat maakt twijfelmoedig. Helaas is dat zo, antwoordt Taffin, maar we geloven toch in Christus en niet in de christenen? Deze opmerking maakt ons al zeker, dat we bij Taffin zeker niet een , , christenprediking" zullen vinden, maar een Christusprediking. Wat dan intussen een , , bevindelijk" karakter niet uit-, maar insluit.

Dan worden de christenen vervolgd. Dat pijnigt en beproeft. Nee, zegt Taffin : dat sterkt veelmeer. Het is ons immers voorzegd ? Dat kan ons troosten : de Heere weet ervan. De druk geldt de kinderen, in tegenstelling met de bastaards. Dus juist de verdrukking is een teken van onze aanneming tot kind. En de vrucht van de verdrukking is de kroon des levens. En dan : wat een eer, dat wij iets mogen lijden terwille van Hem, die alles voor ons leed en droeg ! Daarom is volharden het wachtwoord. Lijden en kruis zijn de hoogste ridderorde in Gods Koninkrijk. Het kruis, dat tot geloof en gebed stemt, is een ware hemelladder Zo loopt het boekje uit op een gebed, dat zich nauw bij Augustinus aansluit en dat zich diep verootmoedigt wegens zijn schuwen van het lijden en zijn zoeken van , , goedkope genade".

Deze kenmerken van Gods kinderen worden dan nog nader ontvouwd en tot een hele gereformeerde ethiek verbreed in Taffin's laatste werk: De boefveerdicheyt des levens. We tekenen hier even aan, dat het oude spraakgebruik onder boetvaardigheid verstaat, wat wij bekering noemen. Taffin betuigt hier dus, dat het hele christenleven een bekering tot God moet zijn, éénmaal en alle dag. Dus niet de bekering als een geïsoleerd hoogtepunt in het geloofsleven, maar de bekering als de spil van het nieuwe leven, als een weg, lopend door laagtepunten en over hoogtepunten heen. Wie zich hier even te binnen brengt, dat Taffin een leerling van Calvijn is, en zich Calvijn's leer der bekering voor de geest haalt, moet zeggen, dat diens onderwijs aan Taffin wél besteed is geweest. Maar dan vinden we nóg merkwaardiger, dat Taffin Calvijn nergens aanhaalt. Was dat , , tactiek", om een in die tijd zo gehate naam (bij de vijand) maar liever niet te noemen ? We willen dat niet onmogelijk achten, maar vinden toch wel een diepere verklaring, dat Taffin, als Panlus, niet spreekt en betuigt in de naam van zichzelf of van enig mens, hoezeer geacht, maar in de naam van de drieëne God.

De inhoud van dit grotere werk van Taffin is in het kort deze. Hij gaat uit van de dwaasheid van de mens, waartegen bekering alleen de medicijn kan zijn. Zich bekeren noemt hij heel concreet : wijzer en voorzichtiger worden. Hij wijst dan in de mens 7 kapitale dwaasheden aan, die moeten vallen, zullen we zelf aan het eind niet voor eeuwig vallen.

Die dwaasheden zijn : te denken dat er geen God is - , de mens meer dan God achten ; te denken, dat we altijd leven zullen ; niet te weten, waarvoor te leven ; in een uiterlijke beoordeling van geluk en ongeluk te blijven hangen ; vijanden meer te geloven dan vrienden ; wijs bij zichzelf willen zijn. Ge merkt wel, hoe fris en pakkend dit boek is. Het verdiende werkelijk nog wel eens een herdruk !

Dan vraagt Taffin: „Waarin moeten we ons bekeren ? Het antwoord luidt: van alle afgoderij en bijgeloof, om alleen de levende God te dienen. Dat betekent, dat we naarstig onder het Woord zullen verkeren (Taffin wordt niet moe, dat keer op keer te herhalen) ; verder de heilige plicht (maar die veelmeer een voorrecht is) om de Sacramenten te gebruiken ; en het gebed, zowel persoonlijk als gemeenschappelijk niet na te laten. Als dat alles misschien nog wat te , , voorwerpelijk" klinken kan, dan voegt hij er tot goed begrip van zaken aan toe, dat het er vooral om gaat, het Woord , , in het werk te stellen", dus in practijk te brengen. Daarmee krijgt de liefde haar plaats naast het geloof. Die liefde "worde geoefend tot God en naaste, door aalmoes (denk aan wat we aanhaalden uit die preek over de plicht tot liefde en aalmoes), door te strijden tegen gierigheid en hoovaardij, door ons te onthouden van weelderige maaltijden en luxe kleding, waarbij we onszelf tegoed doen ten koste van onze arme naaste. Heel de levensstijl zij ook werkelijk gereformeerd : overspel, dans, lotspel, haat, nijd en achterklap hebbe geen plaats onder mensen, die zich naar Christus noemen. Steeds weer komt het refrein: Bekeer u !

We hebben hier het hele programma van de Nadere Reformatie al voor ons: de nadruk op innerlijkheid en toch evenzeer de nadruk op gereformeerde levensstijl. De hele mens, voor tijd en eeuwigheid, voor God gesteld, 't Beeld, dat Taffin hier geeft van zijn gemeente uit vervolgings- en martelaarstijd is wel drukkend en beschamend. , Ons beeld van een , , goede, oude tijd" is licht onzuiver. Vandaar dat Taffin aan het eind van zijn , , Merckteeckenen" een diep verootmoedigend hoofdstuk brengt, waarin hij de Heere belijdt, dat we het allen bedorven hebben, de Reformatie hebben verijdeld. Hem schande hebben aangedaan en het vlees in de kerk hebben gehaald. Als we dat met ontroering lezen, dan staat 't voor ons zeker heel vast, dat deze man, die zó op heiliging des levens aandringt, toch inderdaad de prediker is van een Evangelie, volgens hetwelk God goddelozen rechtvaardigt. De vrome, herboren mens, wordt hier zo weinig verheerlijkt, dat hem integendeel, alle mogelijkheid om op eigen voeten te staan, wordt ontnomen. Daarom is Taffin volop een Christus-prediker en daarom tevens een theoloog van de Heilige Geest.

Zie het zoeven gezegde bevestigd in het vervolg van het boek, dat wij nog altijd voor ons hebben. Taffin vraagt nu, wie zich moeten bekeren? We begrijpen de bedoeling. Hebben alleen de goddelozen de bekering nodig of ook de godzaligen ? En nu raadt u het antwoord. Alle mensen hebben bekering tot God van node, bij aanvang en bij vernieuwing. Dus ook de tot God bekeerden. We krijgen hier zo een hele ethiek, met alle plichten, die liggen tussen man en vrouw, ouders en kinderen, overheid en onderdanen, predikant en gemeente, maar die ook telkens wederkerig aan de orde komen. Zo zit er onbedoeld een zeker systeem in Taffin's werk, maar 't is helemaal niet schools. Toch is deze fijne pastor een goed theoloog.

Mogelijk oppert een critisch lezer al: Er wordt hier telkens gesproken van :bekeer U! Is dat niet wat Remonstrants en een overschatting van de mens ? Het laatste boek van ons werk geeft daar een ontkennend antwoord op. Dat is voor Taffin geen tegenstelling : dat God bekeert en dat de mens zich bekeert. Want de bekering gaat, als eis en gave Gods, zo diep door het menselijk leven heen, dat het nooit iets buiten hem kan zijn, waarover hij beschouwelijk praten kan. En de bekering is vooral niet wettisch, tot een dit doen en dat laten. Niet minder dan 13 , , oorzaken" (hij toedoelt: drangredenen) zijn er tot bekering. Eerst, en dit is het diepste : Christus' macht om over ons te gebieden. Dan, dat de heiliging verband houdt met verkiezing en verwerping, zodat ze valt onder het vermaan, om roeping en verkiezing vast te maken. Verder : omdat Christus is de Immanuël; de Wonderlijke van Raad ; omdat Hij is Jezus, Zaligmaker en Christus, de Gezalfde ; omdat Hij ons beveelt ons te bekeren ; omdat het Koninkrijk Gods nabij en binnen in ons is ; omdat het in de Kerk gedaante krijgt; omdat het het ware geluk betekent, wat alle spotters er ook van mogen zeggen. Vandaar dat hij altijd weer laat horen : Bekeer U !

Zo heeft Taffin gepreekt en getuigd. Hij mag een eerste piëtist heten, misschien ook wel de beste. Wie een voorbeeld zoekt van een theologie, prediking en zielszorg, waarin Vader, Zoon en Heilige Geest op een levende en diep-ingrijpende wijze in hun eigen werk getekend worden, zal aan Taffin niet voorbij moeten gaan. Die diepe boetetoon, ook in het christenleven ; de volkomen gehoorzaamheid, niet in ons, maar enkel in Christus te vinden en die ons eigendom is alleen door genadige toerekening en nooit door eigen heiligheid ; de Heilige Geest, die ons , , bevindelijk", door boete en bede heen met Christus verbindt, ziedaar, wat van stonde aan het typerende in het Piëtisme is geweest en gebleven.

Wanneer voor figuren als deze belangstelling mocht bestaan, zullen we er meerdere bespreken. Anders doen we er verder het zwijgen aan toe.

Het woord is dus nu aan de lezers.

V. d. L.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 april 1955

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

JEAN TAFFIN

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 april 1955

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's