DE VROUW IN HET AMBT
I
Het onderwerp , , de Vrouw in het Ambt" heeft veel overeenkomst met een uitgeknepen citroen. De, argumenten pro en contra zijn intussen naar alle kanten uitgewisseld en veel nieuws wordt er de laatste tijd, voorzover ik zie, niet meer gezegd. Ook van mij moet u niet verwachten, dat ik een nieuwe visie ontwerp. Het enige wat mij te doen staat is, deze vrucht zodanig te bewerken, dat er nog enkele zure druppels uit te voorschijn komen. Ik doe dat overigens met de wens, dat die zure druppels voor enkele verhitte, en op drift geraakte gemoederen de waarde van een medicijn mogen hebben.
Dit ietwat speelse begin mag intussen niet de gedachte wekken, dat het niet over een zeer ernstige zaak zou gaan. Er is deining in onze Kerk en grote verontrusting en m.i.. tot dusver over geen enkel Synodaal voorstel zo sterk als over dit. Dat kan alleen al duidelijk worden uit het feit, dat wij zullen moeten zeggen, of de Kerk 19 eeuwen gedwaald heeft en de vrouw al die eeuwen nodeloos heeft teruggezet of niet. Natuurlijk weet ik net zo goed als ieder ander, dat het beroep op de traditie niet doorslaggevend zal kunnen zijn. De beslissing zal moeten vallen op het vlak van de Schrift. Maar het betekent wel, dat onze beslissing, op dat historische vlak gezien, uitermate gewichtig is en het betekent m.i. toch zeker ook, dat wanneer iemand zou aarzelen over de schriftuurlijke argumenten en zich dus tussen pro en contra bevindt, hij het beste doet de gewoonte der Kerk voorlopig maar intact te laten.
Wanneer wij ons verklaren tegen de vrouw in het ambt, hebben wij eigenlijk niet de roeping, dat standpunt met de Schrift te staven. Wij brengen immers niets nieuws naar voren. Op degenen, die pro zijn rust de taak om met overtuigende argumenten duidelijk te maken, dat wij op dit punt de Schrift tot dusver verkeerd gelezen hebben. Dr. P. A. Elderenbosch zegt terecht in de 's Gravenhaagse Kerkbode (1 Jan. 1955), dat de bewijslast op de voorstanders rust. En hij voegt er terecht aan toe, dat zij tot dusver nog niet hebben kunnen aantonen, dat de-vrouw-inhet-ambt een Bijbels gegeven is. Als men tenminste de Schrift wil laten spreken, zoals zij spreken wil, n.l. met normatief gezag. Men kan natuurlijk wel zeggen, dat Paulus in diverse uitlatingen verouderd is en dat hij te sterk aan de begrippen van zijn eigen tijd gebonden was en daarom zijn eigen principiële visie niet consequent heeft doorgetrokken, maar voordat men deze quaestie op deze wijze tot een beslissing zou willen brengen, mag men zich toch wel 10 maal bedenken. Want dan blijkt, dat het hier niet gaat om Schriftuitleg zonder meer, maar om 't Schriftgezag en dan zouden wij ons niet laten leiden door de vraag : wat zegt de Schrift (i.e. Paulus), maar : wat zegt de huidige critiek tegen Paulus! Ik huiver, wanneer ik artikelen lees, zoals onlangs die van dr. De Beus in , , In de Waagschaal" (Jan. 1955), die rondweg durft te zeggen, dat Paulus in de bekende teksten uit 1 Cor. 14 en 1 Tim. 2 (het zwijggebod en het spreekverbod) spreekt als Jood en daarbij spreekt van uit een gezindheid, die door dè traditie en de gewoonte en het milieu van het Joodse volksleven gevormd was. Zelfs de echtheid van 1 Cor. 14 vs. 34 en 35 wordt voorzichtig in twijfel getrokken en bij 1 Cor. 1 vs. 8 en 9 zegt hij, dat Paulus daar speculeert over de verhouding man—vrouw aan de hand van Gen. 2 vs. 22 en 23, „het verhaal van de schepping van de vrouw uit de rib van de man". Op die manier kan men natuurlijk de Schrift alles laten zeggen, zelfs dat Paulus voorstander zou zijn van de vrouw in het ambt; maar dat gaat ten koste van het Schriftgezag. En als wij op dergelijke gronden zouden willen ingrijpen in de orde der Kerk, is de schoolse wetenschap niet meer dienares in de Kerk, maar heerseres óver de Kerk. Dat zou een zeer ernstige terugval betekenen in de situatie van de vorige eeuw. In elk geval zouden wij dan de vrouw in de ambten toelaten ten koste van de Schrift.
Nu weet ik wel, dat het niet eerlijk zou zijn om over deze vragen te spreken vanuit die theologen, die zich daar op een zeer ongelukkige en aanvechtbare wijze tot de pleitbezorgers voor hebben opgeworpen. Maar het is wèl goed om — als in het voorbijgaan — op deze kanten van de zaak te wijzen, omdat dit gevaren zijn die waarlijk niet alleen bij dr. De Beus kunnen worden gesignaleerd.
Paulus zou tijdgebonden zijn : het is de vraag, of wij het zelf niet zijn. Het is de vraag in hoeverre er verband is tussen deze Synodale voorstellen en de huidige beweging tot emancipatie van de vrouw. Komen deze voorstellen uit de Kerk op, of komen ze uit de wereld op? Is het misschien zó, dat, waar de vrouw allerwege in het leven haar plaats heeft leren innemen en veelszins uit de beslotenheid van de huiskamer en de keuken getreden is, dat het nu opeens in de Kerk een probleem begint te worden, of ze soms ook tot de ambten moet worden toegelaten? Buiten de Kerk is immers de laatste tijd heel wat ten gunste van de vrouw veranderd. Er is zelfs gezegd, trouwens al in 1919 : het verleden van de wereld is het verleden van de man en de toekomst van de wereld is de toekomst van de vrouw". Op zichzelf zegt dat natuurlijk niets ten nadele van de vrouw in het ambt, maar het roept ons toch wel tot grote voorzichtigheid en het stelt nadrukkelijk de vraag, of wij hier misschien niet te doen zouden hebben met een concessie aan de geest der eeuw. Als wij tenminste horen spreken over de eerbied voor de vrouwelijke persoonlijkheid en de vrijheid, waar zij als vrouw recht op heeft (mej. dr. Boer, e.a.), zien wij duidelijk voor ons de invloed van de wijsbegeerte dezer eeuw. En dat maakt het op zijn minst verklaarbaar, dat wij wantrouwend zijn tegen nieuwigheden, waardoor zeker het gelaat der Kerk veranderd wordt.
Maar goed, de enige belangrijke vraag is deze : waar vinden wij in de Schrift de vrouw in het ambt? En dan is mijn antwoord kortweg: nergens ! Het Oude Testament heeft er geen weet van; daar vinden wij het kerkelijk ambt alleen ia de mannelijke lijn van Levi en Aaron. Wel vinden wij Debora en de profetes Hulda, maar dat zijn geen kerkelijke ambten, maar functies in het volksleven. Het optreden van Debora gaat trouwens gepaard met een verwijt aan Barak vanwege zijn weinig mannelijke houding en draagt kennelijk het karakter van een noodmaatregel in verband met het geestelijk verval in de Richterentijd. Het Oude Testament kent geen priesteressen, die vindt men alleen, maar dan ook veelvuldig, in het heidendom. Dat is juist een tekenend verschil tussen Israël en de volkeren en hangt samen met 't wezensverschil tussen de levende God en de afgoden. Van hieruit ware het te verwachten, dat, wanneer in het Nieuwe Testament de situatie betreffende de vrouw en het amfbt veranderd was, dat dan uitdrukkelijk werd gezegd. Dat is toch immers het argument, dat - — volkomen terecht — ook steeds gebruikt wordt om de kinderdoop te funderen. M.i. wordt in de huidige discussie veel te weinig nadruk gezegd op de eenheid van Oude en Nieuwe Testament.
In het Nieuwe Testament wordt deze lijn eenvoudig voortgezet. Als Christus 12 apostelen kiest, zijn het 12 mannen, en dat er onder de 70 één vrouw geweest is, moet nog altijd bewezen worden. Dr. G. Huls kan wel zeggen, dat dat kwam, omdat Christus niet revolutionnair wilde zijn en dat 't alleen om practische redenen moeilijk anders kon, maar dat is wel een zeer zwak argument, want Christus was op andere punten waarlijk niet zo schroomvallig om tegen de traditie in te gaan, zeker niet in Zijn omgang met vrouwen. Hij had vele vrouwen om Zich heen, die Hem dienden met hun goederen, vrouwen waren ook de eerste getuigen van de opstanding, maar tot de apostelkring werd geen enkele toegelaten. Mij dunkt daar waren diepere gronden voor. Ook in de Handelingen kunnen wij nergens vinden, dat vrouwen optraden in de publieke verbreiding van het Evangelie, ondanks het feit, dat op Pinksteren de Heilige Geest werd uitgestort op alle vlees, dus óok op de dienstmaagden. In dat licht gezien is het merkwaardig, dat in Hand. 6 mannen als diakenen worden gekozen, hoewel de oorzaak van het ontstaan van het diakenambt lag in het beklag, dat Griekse weduwen zich gemaakt hadden.
Als in 1 Tim. 3 en Titus 1 de vereisten voor de ambtsdragers worden opgesomd, gaat het alleen over mannen. 1 Tim. 3 VS. 11 moet worden verstaan als slaande op de vrouwen der diakenen en niet op vrouwelijke diakenen. Als men het laatste daar toch lezen wil, heeft men op zijn hoogst een twijfelachtige exegese, die als fundament onder de vrouw in het ambt onbruikbaar is. De Nieuwe Vertaling geeft trouwens : hun vrouwen, en kiest daarmee duidelijk voor de vrouwen der diakenen en misschien ook der ouderlingen.
Van Priscilla lezen wij, dat zij Apollos nader onderwees, maar zij deed dat thuis en niet in de synagoge. Net zo goed als Pietje Baltus A. Kuyper in Beesd nader onderwees en niemand er aan denken zal om haar op grond daarvan tot ambtsdrager te promoveren. Zeker hadden de vrouwen een belangrijk aandeel in het leven der Nieuw Testamentische gemeente, zoals het trouwens ook nu in iedere goede gemeente is, althans behoort te zijn. Zij verleenden huisvesting, beoefenden weldadigheid en zorgden voor de zieken. In Rom. 16 kunnen wij daar verschillende voorbeelden van vinden : Paulus spreekt daar van zijn medewerksters en voorstandsters. Maar als men daar ambtsdragers van wil maken, moet men zijn ellebogen gaan gebruiken, om ze er tussen te krijgen, en dat is bepaald geen elegant gebaar. En voorts kan men niet verder komen dan veronderstellingen in de trant van: het zou zo kunnen zijn, en er is veel voor te zeggen, enz. Daarmee krijgt men toch geen betrouwbare bewijsplaatsen. Als Fébé in Rom. 16 vs. 1 genoemd wordt dienares van de gemeente te Kenchreën, dan ontbreekt elk bewijs, dat men hier aan een geïnstitueerd ambt zou moeten denken. Dan is in elk geval de opmerking van de Kanttekening op de St. Vertaling, dat zij de gemeente diende in het ontvangen en herbergen van verjaagde christenen, zeer ernstig te overwegen. Waarom zouden wij niet denken aan zoiets als onze maatschappelijke werksters, gezinsverzorgsters, diaconessen, enz.? En waarom zouden wij niet volstaan met te constateren, dat er op dat vlak een grote vrouwenactiviteit in de gemeenten was?
S. Gerssen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 april 1955
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 april 1955
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's