De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

DE VROUW IN HET AMBT

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

DE VROUW IN HET AMBT

7 minuten leestijd

II

Het gaat niet om de vraag, of de vrouw in de gemeente wel iets doen mag dan zegt de Bijbel : hoe meer hoe liever, maar het gaat er om of zij tot het ambt mag worden toegelaten. En dan gaat het concreet over de ambten, zoals wij die kennen: predikant, ouderling en diaken. Wil men alle diensten in de gemeente als ambten zien of andersom : alle ambten als diensten, als functies van het ambt der gelovigen, dan moet men dat duidelijk zeggen. Maar dan moet men niet het voorstel doen de vrouw tot het ambt toe te laten, maar dan moet men eerst voorstellen een totale revisie van de Kerkorde door te voeren en het hele onderscheid tussen ambten en bedieningen te laten vervallen. Dan kregen wij tenminste een ordelijke, een eerlijke wijze van behandeling. Ziet men het ambt alleen als een verbijzondering van het ambt der gelovigen en dus primair als opkomende uit de gemeente, als onderling dienstbetoon met de ons geschonken genadegaven, dan spreekt het volkomen vanzelf, dat er geen enkel bezwaar is de vrouw daarin toe te laten. Zoals er vanuit het feit, dat ook de vrouw als gelovige de zalving met het koninklijk ambt van Christus deelachtig is, te praten valt over het vrouwenkiesrecht. Maar als men vanuit deze visie op het ambt de huidige voorstellen wil aanvaarden, heeft men niet alleen Schrift en belijdenis weersproken — dat schijnt tegenwoordig het ergste niet meer te zijn —, maar ook de Kerkorde — en dat lijkt veel erger ! Op die basis kunnen wij althans, zolang voorstellen dienaangaande niet aan de orde zijn, niet beslissen.

Wij moeten het algemeen en bijzonder ambt niet met elkaar verwarren. Zeker is er in de gemeente het ambt der gelovigen, dat zich uit in allerlei vormen van dienstbetoon, al naar gelang van de geschonken genadegaven en daaraan heeft de vrouw even volwaardig en volledig deel als de man. Dat ligt in de Schrift zonneklaar, maar daarover gaat de discussie niet. Er is ook het bijzondere ambt, dat Christus in Zijn gemeente heeft ingesteld : dat staat over en tegenover de gemeente, om in Zijn naam de gemeente te leiden en te regeren en toe te rusten tot dienstbetoon. Het ambt is de vertegenwoordiging van Christus in Zijn gemeente. Als voorbeeld moge dienen het oud gebruik (naar ik meen, in Schotland), volgens hetwelk de predikanten op het kerkhof in een precies tegenovergestelde richting begraven worden als de gemeenteleden, zodat ze op de dag der opstanding weer tegenover hun gemeente zullen staan. Mensenkind, Ik heb u tot een wachter over het huis Israels gesteld en Ik zal hun bloed van uw hand eisen ! Men zegt tegenwoordig wel : elk ambt is dienst (b.v. dr. Huls), om het zo op het niveau van de gemeente te krijgen, maar eigenlijk wordt daarmee niets wezenlijks gezegd. Ook Christus, de Grote Ambtsdrager, beschrijft Zijn ambt als een dienst — Marc. 10 vs. 45 — en toch is Hij juist daarin de Koning van Zijn Kerk. Het woord dienst sluit de regering van Godswege niet uit, maar in. Christus regeert Zijn Kerk door middel van de ambten. En het gaat om de vraag, of wij op die lijn in de Schrift de vrouw ontmoeten, hetwelk ik ten stelligste ontken. Daar heeft de Schrift uiteraard diepere gronden voor.

Men legt sterke nadruk op Gal. 3 vs. 28 : in Christus is noch man, noch vrouw, en wil dat zien als de principiële visie van Paulus, die op practische punten niet consequent is doorgetrokken, maar die wij nu wel consequent in de Kerkorde zouden moeten inbouwen. Hoe men zo denken kan, is mij een raadsel. Het gaat daar toch immers alleen maar over de gelijkwaardigheid van man en vrouw voor God. De vrouw is religieus niet minderwaardig, maar dat sluit niet uit, dat er een zekere rangorde tussen man en vrouw moet worden in acht genomen. Deze tekst heeft velen in de huidige discussie op een dwaalspoor gebracht en er toe geleid de éne, de consequente, Paulus, tegen de andere, de conservatieve, Paulus uit te spelen ; een zeer gevaarlijk bedrijf.

Als bepaalde taken bijzonder aan de man worden opgedragen en toegewezen, spreekt men al gauw van minderwaardigheid, alsof de vrouw gedegradeerd zou worden, als zij het hoofdschap van de man erkennen moet. Op allerlei terrein is er toch een verhouding van onderschikking van de één aan de ander, niemand practisch is maatschappelijk volledig eigen baas, maar men heeft daar toch nooit een minderwaardigheid in gevoeld. Ik kan hier niet anders en meer dan een zeer onzakelijk gevoelsargument in zien. Zoals trouwens in deze hele discussie en waarlijk niet alleen in deze, verbazend veel gevoelsargumenten beginnen mee te spreken. Dat komt er van, als men de vaste grond verlaat!

Efeze 5 tekent de parallellie : God- Christus, Christus—Zijn gemeente, man —vrouw. Dat is een onderschikking, waarin aan de man de leiding, het regeren, het gezag is toegewezen, naar analogie van de positie van Christus over Zijn gemeente. Paulus zegt er ook bij : zoals de Wet zegt, waarmee Gen. 2 bedoeld wordt, en dat is toch wel een gezaghebbende instantie. Wij hebben hier te maken met de scheppingsorde, die door de genade niet buiten werking wordt gesteld. De overspannen aandacht, die voor Gal. 3 vs. 28 wordt gevraagd, komt m.i. voort uit een onzuivere dogmatische visie. Men wil alle aandacht opeisen voor de eschatologische orde, de orde van het komende Koninkrijk Gods, waarin inderdaad het onderscheid tussen man en vrouw weg zal vallen. (Zij zullen zijn als de engelen Gods in de hemel). Daar moet men nu in de gemeente , , tekenen" oprichten, want de gemeente is immers „op weg" naar dat Koninkrijk. Eén van die tekenen is, de vrouw toe te laten tot het ambt. Maar mij dunkt, dat wij toch bij dit oprichten van tekenen gebonden zijn aan de roeping tot gehoorzaamheid. Het Koninkrijk Gods is nu eenmaal niet een bepaalde vorm van anarchie. En in deze gehoorzaamheid hebben wij de scheppingsorde te respecteren. De dogmatische wortel van de huidige voorstellen is, om de natuurlijke orde te doorbreken ten bate van de eschatologische orde. Dat is een anticipatie (vooruitgrijpen) op het komende Koninkrijk en dus in wezen theologia gloriae (theologie der heerlijkheid).

De analogie uit Efeze 5 brengt ook nog diepere argumenten naar voren. Wij zagen daar al iets van, toen wij spraken over het Oude Testament. Er zijn bepaalde aspecten in het wezen Gods, die wel in de man, maar niet in de vrouw kunnen worden afgebeeld. Het ambt, dat zo sterk Gods vaderschap, Zijn leiding, vertegenwoordigt, vraagt persé om mannelijke ambtsdragers. Het gaat hier om wat prof. Haitjema genoemd heeft de stijl der Christusopenbaring, zoals die afgebeeld wordt in het leven der gemeente. Het ambt wordt in de naam en met de volmacht van de Bruidegom gegeven aan Zijn Bruid. Dit wordt vooral klemmend bij het Heilig Avondmaal: een vrouw aan het hoofd van de Avondmaalstafel is de afbeelding van een gezin, waaraan het hoofd door de dood of anderszins, ontvallen is. En men mag zich wel terdege bedenken, voor men dat in de gemeente toelaat.

Van hieruit is het zwijggebod van 1 Cor. 14 VS. 34 en 35 ten volle verstaanbaar, evenals het spreekverbod van 1 Tim. 2 vers. 12. Daar gaat het niet alleen om de orde in een bepaalde vergadering, maar om de orde in de Kerk van Christus. Paulus zegt er ook bij : dit is een gebod des Heeren en daarom is het niet van tijdelijke en incidentele, maar van blijvende betekenis. Wij zien duidelijk hoe Paulus het openbare optreden van de vrouw critisch beziet en met allerlei reserves omringt.

De grondfout is, dat men de Schrift onderwerpt aan wat men zou kunnen noemen het actualiteitsprincipe. .Bepaalde dingen uit de Schrift worden in een bepaalde tijd actueel, zij zijn dan het dringende , , Gebot der Stunde". Vorige geslachten treft dan geen enkel verwijt, omdat het toen nog niet actueel was. Dit hangt samen - met de Barthiaanse Schriftbeschouwing. Maar de Schrift heeft m.i. toch een blijvend en gelijk gezag voor alle tijden. Dat blijvende gezag weigert naar mijn stellige overtuiging de vrouw tot de ambten toe te laten.

, , En indien iemand meent een profeet te zijn of geestelijk, die erkenne, dat hetgeen ik u schrijf, des Heeren geboden zijn". (1 Cor. 14 vs. 37).

S. Gerssen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 mei 1955

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

DE VROUW IN HET AMBT

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 mei 1955

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's